Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
22 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof Amsterdam waarin het hof de klager niet-ontvankelijk verklaarde in zijn beklag over het veiligstellen van een vaartuig. Het hof oordeelde dat geen sprake was van inbeslagneming in de zin van artikel 134 Sv Pro, omdat het vaartuig door de gemeentelijke Dienst Binnenwaterbeheer was veiliggesteld en niet door een bevoegde opsporingsambtenaar.
De Hoge Raad stelt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, aangezien het hof zelf vaststelde dat het vaartuig op verzoek van de politie en naar aanleiding van een aangifte van diefstal door de gemeentelijke dienst naar de bewaarhaven is overgebracht. Dit duidt op een inbeslagneming ten behoeve van de strafvordering.
Verder merkt de Hoge Raad op dat het klaagschrift gericht was op teruggave van het vaartuig en dat het hof niet heeft voldaan aan de vereisten van artikel 116, derde lid, Sv bij teruggave aan een ander dan de beslagene. Daarom vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling op het bestaande klaagschrift.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.