Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. P.J. Wattel
Advocaat-Generaal
1.Inleiding
pachterwellicht juist te doen is om die bijvangst en niet om natuurbehoud of -ontwikkeling, doet mijns inziens niet ter zake.
nietbijdragen aan natuurbehoud of ontwikkeling c.q. daarmee onverenigbaar zijn.
nietbijdragen aan natuurbehoud of -ontwikkeling.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
beheervoor 90% of meer afgestemd is op behoud of ontwikkeling van natuur. De Rechtbank baseerde zich mede op een door de Heffingsambtenaar overgelegd rapport van een onderzoeksbureau waaruit blijkt dat het perceel nog 38% van zijn agrarische productievermogen had. De Rechtbank constateerde dat dit ruimschoots meer is dan 10%. Ook de belanghebbende heeft een onderzoeksrapport overgelegd, waarin echter geen kwantitatieve invulling wordt gegeven aan de term ‘geheel of nagenoeg geheel’.
inrichtinggeheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op natuurbehoud of ontwikkeling, nu zij zelf heeft gesteld dat het perceel in de komende jaren verder zou worden ingericht als natuurterrein en dat dus kennelijk nog niet was. Drie in het door de belanghebbende overgelegde rapport opgenomen foto’s hebben de Rechtbank niet van het tegendeel kunnen overtuigen.
3.Het geding in cassatie
deinrichting en
hetbeheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Belanghebbendes geval wordt gekenmerkt door
tweeinrichtings- en beheervormen, nl.
zowelnatuurontwikkeling
alsagrarisch gebruik. Het Hof laat ten onrechte buiten beschouwing of en in welke mate de pachter het opbrengstgevende vermogen van de grond gebruikt. Gegeven de wettelijke omschrijving van pacht (een hoeve of los land in gebruik verstrekken ter uitoefening van de landbouw) blijkt uit het enkele bestaan van de pachtovereenkomst dat de pachter het perceel voor landbouw gebruikt. Wordt het gebruik van het opbrengstgevende vermogen van het perceel slechts bezien vanuit de eigenaar, dan is de term ‘geheel of nagenoeg geheel’
de factobetekenisloos. Het DB wijst op de toelichting van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat op het Waterschapsbesluit, [15] waarin natte veengebieden niet als natuurterreinen worden beschouwd omdat ze ‘ook’ een agrarische functie hebben.
gebruikjuist essentieel als
beheermiddel.
gebruikde belanghebbende van het perceel maakt. Het
gebruikdoor de pachter is slechts een middel tot
beheerdoor de belanghebbende. Slechts als het perceel gebruikt wordt
buitende doelstelling van natuurbehoud of -ontwikkeling dient dat gebruik als beheermiddel niet het vereiste doel. Dat de agrariër het opbrengstgevende vermogen van de grond gebruikt binnen zijn veehouderij is dus niet van belang. Met het Hof acht de belanghebbende doorslaggevend (onderdeel 29 verweer) dat zij door middel van de agrariër
binnende doelstelling van natuurbehoud of ontwikkeling gebruik maakt van het opbrengstgevend vermogen, waardoor beheer en inrichting zijn afgestemd op behoud of ontwikkeling van natuur.
tweeinrichtings- en beheersvormen voordoen, mist volgens de belanghebbende feitelijke grondslag. De stelling dat uit het enkele bestaan van de pachtovereenkomst zou blijken dat de pachter het perceel gebruikt voor de landbouw miskent dat beheer iets anders is dan gebruik. Het DB verzuimt uit te leggen waarom het criterium ‘geheel of nagenoeg geheel’ betekenisloos zou worden als het gebruik van het opbrengstgevend vermogen wordt bezien vanuit het gezichtspunt van de eigenaar. De toelichting op het Waterschapsbesluit acht de belanghebbende niet van belang bij de uitleg van art. 116(c) Waterschapswet.
4.De watersysteemheffing
all inwaterschappen’ geworden: de zorg voor de waterkeringen, de waterkwantiteit (afvoer en inlaten van water), het passieve kwaliteitsbeheer (voorkoming van vervuiling) en het actieve kwaliteitsbeheer (waterzuivering) waren in één hand gekomen, waar voorheen die taken binnen hetzelfde gebied verdeeld konden zijn over verschillende waterschappen. [18]
- onroerende zaken in buitendijks gelegen gebieden (maximaal 75% lager, lid 1);
- onroerende zaken die als waterberging worden gebruikt (maximaal 75% lager, lid 1);
- onroerende zaken in bemalen gebieden (maximaal 100% hoger, lid 2);
- glasopstanden (maximaal 100% hoger, lid 3(a)); en
- verharde openbare wegen (maximaal 100% hoger (400% als het waterschap vóór 1 juli 2012 al tariefdifferentiatie toepaste), lid 3(b) en (c)).
5.‘Natuurterreinen’
A. Algemeen
i.e.voor meer dan 10 percent, afgestemd op andere doelstellingen dan natuurbehoud of -ontwikkeling:
curs.): “of, en in hoeverre, daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van het opbrengstgevende vermogen van de grond,
buiten de doelstelling behoud of ontwikkeling van natuur”. Omdat de bewijslast volgens het hof op de belanghebbende rustte, deed hem de das om dat hij geen verweer voerde:
nota benemet het waterschap gesloten overeenkomst die hem verplichtte de onderhavige percelen als natuurgebied te beheren. De rechtbank legde de last om te bewijzen dat het verlaagde tarief voor ‘natuurterreinen’ gold op de belanghebbende en achtte hem daarin niet geslaagd. Daarbij speelde een belangrijke rol de verhouding tussen de theoretische resterende agrarische productiecapaciteit en normale agrarische productie:
6.‘Natuurgrond’ in de Wet BvR
7.Analyse
enbeheer
ofontwikkeling van natuur.
kwalitatieveomschrijving; dus kennelijk niet voor een kwantitatieve. De tekst en de bedoeling van de wettelijke omschrijving van ‘natuurterreinen’ lijken daarmee op gespannen voet met elkaar te staan. De wetgever stelde zijn keuze voor ‘kwalitatief’ echter kennelijk niet tegenover ‘kwantitatief’, maar tegenover ‘limitatief’: hij wenste geen ‘limitatieve opsomming van terreinen’ omdat die ‘nooit volledig’ zou kunnen zijn, maar een ‘kwalitatieve omschrijving’ van natuurterreinen, waarin ‘de nadruk (ligt) op de duurzame inrichting en beheer als natuurgebied’ (zie 5.3 hierboven). Kennelijk moet
binnendeze op zichzelf ‘kwalitatieve’ omschrijving die ‘nadruk’ gekwantificeerd worden: van een dergelijke ‘nadruk op de duurzame inrichting en beheer als natuurgebied’ is sprake als inrichting en beheer voor 90% of meer duurzaam afgestemd zijn op natuurbehoud of ontwikkeling.
gebruik, en zij kwantificeren dat (potentiële) gebruik met de maatstaf ‘opbrengstgevend vermogen’: zolang een ongebouwd perceel meer dan 10% van zijn (bij maximaliserend agrarisch gebruik haalbare) agrarische productievermogen heeft behouden, zijn inrichting en gebruik ervan (nog) niet geheel of nagenoeg geheel afgestemd op natuurbehoud of ontwikkeling, ongeacht het feitelijke gebruik en de feitelijke opbrengst: ook indien een feitelijk niet als zodanig gebruikt perceel terstond weer als agrarisch productieland in gebruik genomen kan worden en dan meer dan 10% van zijn oorspronkelijke productievermogen zou opleveren, is volgens de waterschappen geen sprake van een natuurterrein. Of dat (potentiële) gebruik zou plaatsvinden binnen of buiten mogelijke andere doelstellingen van de eigenaar, zoals natuurbeheer, doet in de benadering van de waterschappen niet ter zake: het enkele gebruik c.q. de enkele bruikbaarheid van significant, althans niet-verwaarloosbaar, agrarische-opbrengstgevend vermogen van een terrein staat in de weg aan dienst kwalificatie als natuurterrein.
gevolgvan het natuurbeheertype: het natuurdoel kan niet bereikt worden
zonderopbrengst.
buitende doelstelling van behoud of ontwikkeling van natuur van de eigenaar. Opmerkelijk – in het licht van de nu in de proefprocedures door de waterschappen ingenomen standpunten – is dat ook de Unie van Waterschappen daarvan uit leek te gaan in haar commentaar op het voorontwerp van de Wet modernisering waterschapsbestel: toen zij de omschrijving van ‘natuurterreinen’ voorstelde die thans nagenoeg gelijkluidend in de Waterschapswet is opgenomen, nam zij daarbij het standpunt dat louter vanuit het oogpunt van natuurbeheer beweide gronden als natuur zouden moeten worden aangemerkt (zie 5.7 hierboven).
functievan het terrein waarneembaar een andere is, zij niet ‘nagenoeg geheel’ op natuurbehoud of ontwikkeling zijn afgestemd. De moeilijker te beoordelen gevallen zijn die zoals dat van de belanghebbende: terreinen waarvan het resterende agrarische gebruik geheel past binnen inrichting en beheer met het oog op natuurbehoud en -ontwikkeling.
afwezigheid van afstemming op weliswaar andere doeleinden die echter evenzeer bijdragen aan de natuurdoelstelling. Hij verlangt niet de (nagenoeg volledige)
afwezigheid van agrarische ‘bijvangst’. Als agrarisch gebruik geheel past binnen beheer en inrichting die afgestemd zijn op behoud of ontwikkeling van natuur – en zoals in casu daarvoor zelfs noodzakelijk is – doet dat gebruik mijns inziens niets af aan de volledige afstemming van inrichting en gebruik op natuurbehoud of ontwikkeling. Mijns inziens biedt wettekst noch parlementaire geschiedenis steun aan het standpunt van de waterschappen dat agrarisch gebruik onverenigbaar zou zijn met afstemming op natuurdoelstellingen. Uit niets volgt dat een eventuele niet-natuurdoelstelling van een agrarische pachter de afstemming door de eigenaar van beheer en inrichting op natuurdoelstellingen zou wegnemen. Ook het commentaar van hun eigen Unie (zie 5.7) steunt de opvatting van de waterschappen niet, maar eerder het tegengestelde standpunt. Het Hof heeft in casu vastgesteld (r.o. 4.4) dat andere percelen met hetzelfde beheertype die niet kunnen worden verpacht, door de belanghebbende zelf worden beweid en gemaaid, ook als dit niet kostendekkend is, implicerende dat als de belanghebbende het zelf doet, geen sprake is van andere dan natuurdoelstellingen. Het gaat dan mijns inziens niet aan om de overigens exact gelijke situatie mét pachter anders te behandelen alleen omdat de pachter een – volstrekt synchroon met de natuurdoelstelling strokende – eigen doelstelling heeft. Dan zou de heffing verworden tot een bedoelingheffing. Mijns inziens zou dus ook niet ter zake doen dat [X] zélf mogelijk mede agrarische bijvangst zou beogen als beweiding en maaien wél kostendekkend zou zijn. De wetgever beoogde immers een ‘kwalitatieve’ omschrijving te geven (zie 5.3, 5.20 en 5.21 hierboven). Dat betekent dat het om de gesteldheid van de onbebouwde onroerende zaak gaat; niet om bijbedoelingen, tenzij die bijbedoelingen
nietzouden stroken met de (hoofd)natuurdoelstelling en het daarop afgestemde beheer en inrichting. Anders gezegd: agrarische bijvangst doet niet af aan de (volledige) afstemming van inrichting en beheer op natuurdoeleinden, tenzij de tot die bijvangst leidende agrarische activiteit niet bijdraagt aan die natuurdoeleinden.
Onvermijdelijkeagrarische bijvangst, zoals kennelijk in casu, doet daar
a fortioriniet aan af.
8.Bewijslast
nietdeels zijn afgestemd op andere doelen dan natuurbehoud), maar van hem kan wel gevergd worden dat hij zijn lange-termijnbeleid en zijn feitelijke beheer- en inrichtingsmaatregelen uit de doeken doet en uiteenzet hoe en waarom zij passen bij natuurbehoud of -ontwikkeling, en een en ander bij betwisting bewijst. De vraag of de aldus vastgestelde feiten al dan niet leiden tot de kwalificatie ‘natuurterrein’, is van kwalificatieve en daarmee van rechtskundige aard (de beantwoording waarvan geen bewijs behoeft).
9.Toepassing; beoordeling van het middel
nietbijdraagt aan het behoud of de ontwikkeling van natuur, is aan de 90%-afstemmingseis voldaan.
de factobetekenisloos wordt door ’s Hofs benadering. Uit onderdeel 5.10 hierboven tenslotte volgt dat de opvatting van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, neergelegd in diens Waterschapsbesluit, over natte veengebieden niet ter zake doet voor de interpretatie van de formele wet, met name niet ter zake van andere dan natte veengebieden.
nietgeschiedde met het oog op natuurbehoud of ontwikkeling. (ii) Evenmin zie ik de door het DB gestelde innerlijke tegenstrijdigheid in ’s Hofs uitspraak. (iii) Dat het perceel in ontwikkeling is van regulier agrarisch grasland naar kruiden- en faunarijk grasland maar die status wellicht nog niet voor 90% of meer heeft bereikt, doet niet ter zake. Het gaat niet om 90% van de status quo, maar om 90% van de afstemming van het beheer en de inrichting op natuurbehoud of -ontwikkeling. De toevoeging ‘of de ontwikkeling van natuur’ in de wettekst zou zinloos zijn als voor kwalificatie als natuur vereist zou zijn dat die eindstatus al bereikt is. Dan valt er immers niets meer te ontwikkelen. Dat de ontwikkeling
tot aan90% van het uiteindelijke doel uitgesloten zou zijn, valt evenmin in te zien.