Conclusie
Gelet daarop levert “het houden van een camera onder de scheidingswand van een afgesloten kleedhokje waarin een ontklede vrouw staat” niet op een opzettelijk oneerbare handeling en acht het hof het subsidiair tenlastegelegde reeds daarom niet bewezen.
Het hof acht eveneens niet bewezen dat een dergelijke handeling leidt tot een poging om schennis van de eerbaarheid te plegen.
handelenstrafbaar stelt. [4] Verder wordt daarin opgemerkt dat “schennis van de eerbaarheid waarbij een ander zijns ondanks tegenwoordig is” op de situatie ziet, waarin geen sprake is van een openbare plaats – bijvoorbeeld een ziekenhuis, een kazerne, een gevangenis, een spoorwegrijtuig enz. – maar het toch noodzakelijk is ook dáár de eerbaarheid van derden te beschermen, en dat de rechter door de wet behoort te worden vrijgelaten in het onderzoek, “of het feit, in de omstandigheden waaronder het gepleegd werd, de eerbaarheid schendt”. [5]
ookgaat om ongewilde confrontatie met het menselijk lichaam of delen daarvan. [12] Kennelijk heeft de wetgever andere vormen van schennis van de eerbaarheid niet willen uitsluiten, hetgeen overigens geheel past in zowel het uitgangspunt om de invulling van het begrip ‘schennis van de eerbaarheid’ aan de rechter over te laten en - naar blijkt uit de wordingsgeschiedenis die tot invoering van de voornoemde Wet van 3 juli 1985 heeft geleid –, als in de gedachte dat art. 239 Sr Pro een bepaling omvat, die met ‘zijn tijd’ dient mee te gaan. Zo wordt in de Memorie van Antwoord gesteld dat de wetgever niet expliciet heeft willen vastleggen wat tot het begrip schennis van de eerbaarheid behoort, maar dat de interpretatie van dat begrip aan de rechter is, juist omdat de seksuele moraal en de heersende zeden in de loop der tijd nogal eens kunnen veranderen. [13] Het is dus van belang vast te stellen dat naar de bedoeling van de wetgever art. 239 Sr Pro regelgeving betreft op het gebied van de zeden waarbij — gezien de tijdgebonden opvattingen — meer dan gemiddelde rekkelijkheid noodzakelijk is. [14]