ECLI:NL:PHR:2010:BN7068
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijswaardering bij hoofdverblijf in recreatiewoning en dwangsombeschikking
In deze zaak staat centraal of eiser, ondanks een dwangsombeschikking van de gemeente Harderwijk, gedurende bepaalde periodes zijn hoofdverblijf heeft gehad in een recreatiewoning aan de [a-straat] te [plaats]. De gemeente had een last onder dwangsom uitgevaardigd om permanente bewoning te voorkomen, en vorderde betaling van verbeurde dwangsommen.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet metterwoon in de recreatiewoning verbleef, maar het hof kwam tot het tegendeel en oordeelde dat eiser wel degelijk zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning had. Eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de bewijswaardering door het hof, waarbij het hof rekening hield met de beperkingen die een gemeente heeft bij het vaststellen van de woonsituatie van een burger. De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en dat de bewijswaardering binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Ook wordt besproken dat de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie geen bewijsvermoeden oplevert ten gunste van eiser. Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht verschillende feiten, zoals het verblijf van eiser buiten de weekenden in de recreatiewoning en de verhuizing van zijn zoon naar een ander adres, heeft meegewogen in zijn bewijsopvatting.
Uiteindelijk concludeert de Hoge Raad dat het cassatieberoep ongegrond is en bevestigt het arrest van het hof dat eiser de dwangsombeschikking heeft overtreden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.