ECLI:NL:PHR:2010:BM7041
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring van vordering wegens RSI-schade tegen werkgever volgens artikel 7:658 BW
De zaak betreft een werknemer die sinds 1992 klachten heeft aan nek, schouder en arm, vermoedelijk veroorzaakt door arbeidsomstandigheden. Hij stelde zijn werkgever aansprakelijk voor schadevergoeding wegens RSI-klachten. De werkgever voerde verjaring aan op grond van artikel 3:310 lid 1 BW Pro. De rechtbank verwierp dit beroep, maar het hof stelde de verjaring vast en wees de vordering af.
De Hoge Raad overweegt dat de korte verjaringstermijn van vijf jaar pas begint te lopen op het moment dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen. Dit betekent dat voldoende zekerheid over de oorzaak en het chronische karakter van de klachten vereist is, maar geen absolute zekerheid over alle schadecomponenten. In casu had de werknemer vóór 26 oktober 2000 voldoende zekerheid over de werkgerelateerde aard van zijn klachten en het chronische karakter daarvan.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof omdat het onvoldoende rekening hield met het feit dat de werknemer pas in maart 2001 daadwerkelijk bekend was met het blijvend verlies van arbeidsvermogen. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling. De uitspraak benadrukt dat de verjaringstermijn niet begint te lopen zolang de benadeelde niet daadwerkelijk in staat is de vordering in te stellen, waarbij billijkheid en rechtszekerheid in balans worden gebracht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug wegens onjuiste toepassing van de verjaringstermijn.