ECLI:NL:PHR:2010:BM6085
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg van winst uit onderneming in periodiek verrekenbeding huwelijkse voorwaarden
Deze zaak betreft de uitleg van het begrip 'winst uit onderneming' in het periodiek verrekenbeding opgenomen in de huwelijkse voorwaarden van partijen, die op 28 september 1990 zijn gesloten. De vrouw vordert verrekening van het vermogen van de man, inclusief winsten uit vennootschappen waarin hij een meerderheidsbelang had. De rechtbank stelde dat uitgekeerde winsten en verkoopopbrengsten van aandelen voor verrekening in aanmerking komen, maar het hof vernietigde dit oordeel en oordeelde dat deze winsten niet onder het verrekenbeding vallen.
Het hof baseerde zijn oordeel op de tekst van artikel 6 lid 2 van Pro de huwelijkse voorwaarden, waarin het begrip inkomen is omschreven met verwijzing naar de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Volgens het hof valt winst uit besloten vennootschappen niet onder 'winst uit onderneming' in de zin van de huwelijkse voorwaarden, omdat deze winst wordt gekwalificeerd als inkomsten uit vermogen en niet als winst uit onderneming.
De Hoge Raad bevestigt dat de uitleg van het verrekenbeding moet geschieden aan de hand van het Haviltex-criterium, waarbij de tekst van de huwelijkse voorwaarden, de omstandigheden van het geval en de redelijke verwachtingen van partijen centraal staan. De verwijzing naar de Wet IB 1964 is relevant voor de uitleg, maar de fiscale kwalificatie is niet doorslaggevend. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de winsten uit besloten vennootschappen niet onder het verrekenbeding vallen, en dat het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW Pro niet van toepassing is omdat geen sprake was van niet-verrekend inkomen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat winsten uit besloten vennootschappen niet onder het verrekenbeding vallen.