ECLI:NL:PHR:2007:AY8549
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingsbevoegdheid en termijnoverschrijding bij naheffingsaanslagen loonbelasting inzake vaste inrichting
Belanghebbende, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap die personeel uitleent aan Nederlandse opdrachtgevers, kreeg naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd over de jaren 1997-1999. De inspecteur stelde dat belanghebbende in Nederland een vaste inrichting had via een tussenpersoon, G, en legde naheffingsaanslagen op voor werknemers die minder dan 183 dagen in Nederland verbleven. Belanghebbende stelde bezwaar in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het Hof oordeelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat de inspecteur naliet de gemachtigde in kennis te stellen van de aanslagen. Tevens oordeelde het Hof dat de 183-dagenregeling van toepassing was, waardoor Nederland geen heffingsbevoegdheid had over de lonen.
De Hoge Raad bevestigt dat de inspecteur de gemachtigde had moeten informeren over het opleggen van de aanslagen, waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dit volgt uit het zorgvuldigheidsbeginsel en de bijzondere omstandigheden dat belanghebbende in het buitenland gevestigd was en de correspondentie met de gemachtigde plaatsvond. Daarnaast verduidelijkt de Hoge Raad dat voor de toepassing van artikel 15, tweede lid, onderdeel c, van het belastingverdrag met het VK de term "ten laste komen van" normatief moet worden uitgelegd conform artikel 7 van Pro het OESO-modelverdrag. Het gaat om de toerekening van lonen aan de vaste inrichting op grond van het arm's length-beginsel, en niet om feitelijke of daadwerkelijke aftrek in de boekhouding.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof voor zover het oordeelde dat de lonen feitelijk ten laste kwamen van een vaste inrichting en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere beoordeling van de vraag of belanghebbende een vaste inrichting in Nederland heeft en in hoeverre de lonen aan die vaste inrichting toegerekend moeten worden. Het incidentele beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de termijnoverschrijding verschoonbaar en verwijst de zaak voor verdere beoordeling van de vaste inrichting en toerekening van lonen naar een ander gerechtshof.