ECLI:NL:PHR:2003:AI0271
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navordering inkomensdervingsschade na ontbinding arbeidsovereenkomst
In deze zaak staat centraal of een navordering tot vergoeding van inkomensderving over de periode vóór de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:685 BW Pro toewijsbaar is. Eiser was sinds 1973 in dienst en werd in 1999 met een vergoeding ontslagen wegens gewichtige redenen. Hij vorderde vervolgens een aanvullende schadevergoeding voor inkomensderving in de periode voorafgaand aan de ontbinding.
De kantonrechter en rechtbank wezen deze navordering af, stellende dat de inkomensdervingsschade reeds was meegewogen in de ontbindingsvergoeding. De Hoge Raad bevestigt deze lijn en benadrukt dat de ontbindingsprocedure een snelle en volledige regeling beoogt, waarbij alle relevante factoren, inclusief verwijtbaarheid en financiële gevolgen, in de vergoeding worden betrokken.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie die stelt dat navorderingen op dezelfde grondslag als de ontbindingsvergoeding in beginsel niet mogelijk zijn. Hoewel navorderingen die geen verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in principe wel mogelijk zijn, geldt hier dat de inkomensdervingsvordering een gelijksoortige grondslag heeft als het ontbindingsverzoek.
De Hoge Raad concludeert dat eiser tekort is geschoten in zijn stelplicht om aannemelijk te maken dat de inkomensdervingsschade niet in de ontbindingsvergoeding was begrepen. Daarom is de navordering terecht afgewezen en wordt het beroep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de navordering voor inkomensderving vóór ontbinding is niet toewijsbaar.