ECLI:NL:OGHACMB:2026:2

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
AUA2025H00100
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Lar ArubaArt. 52, tweede lid, Lar ArubaArt. 404 Sv ArubaArt. 649 Sv ArubaArt. 651 Sv Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over onrechtmatig uitzettingsbevel en proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure

In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van het Gerecht Aruba waarin een uitzettingsbevel van 16 februari 2019 onrechtmatig werd geoordeeld. Het Hof verwijst naar eerdere uitspraken waarin het uitzettingsbevel werd vernietigd en appellant een immateriële schadevergoeding werd toegekend voor onrechtmatige bewaring.

Appellant verzocht om vergoeding van materiële schade, bestaande uit gemiste looninkomsten en proceskosten van een eerdere voorlopige voorziening. Het Gerecht wees deze verzoeken af, omdat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij in de relevante periode rechtmatig had kunnen werken en omdat proceskosten uit eerdere procedures niet via een zelfstandig schadebesluit vergoed kunnen worden.

Het Hof bevestigt deze afwijzing. Het benadrukt dat de Lar Aruba geen regeling kent voor proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedures, anders dan in Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden. Het Hof stelt dat het aan de wetgever is om hierin te voorzien en dat het aan de Lar-rechter is om voorlopig per geval te beoordelen of proceskostenvergoeding passend is.

Het Hof wijst erop dat de mogelijkheid om via een zelfstandig schadebesluit proceskosten te verhalen, met ingang van deze uitspraak komt te vervallen voor nieuwe procedures, maar blijft bestaan voor proceskosten uit afgesloten procedures vóór 7 januari 2026. Het verzoek van appellant om proceskostenvergoeding voor een afgesloten voorlopige voorziening wordt daarom terecht afgewezen.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd; geen vergoeding van gemiste looninkomsten of proceskosten.

Uitspraak

AUA2025H00100
Datum uitspraak: 7 januari 2026
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Aruba,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 23 april 2025 in zaak nr. AUA202303568, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister)
Procesverloop
Op 13 december 2021 heeft appellant de minister verzocht om toekenning van materiële schadevergoeding.
Op 4 april 2022 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op zijn verzoek.
Bij beschikking van 5 september 2023 heeft de minister het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en, zelf in de zaak voorziend, het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 oktober 2025. Appellant en zijn gemachtigde M.L. Hassell zijn daar niet verschenen, zonder bericht van verhindering. De minister werd vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken.
Overwegingen
Vooraf
1. Voor een uitgebreide weergave van de aan deze zaak voorafgegane relevante feiten en omstandigheden, verwijst het Hof naar zijn uitspraak van 22 november 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:241. In die uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat het op 16 februari 2019 tegen appellant uitgevaardigde uitzettingsbevel van begin af aan onrechtmatig was. De minister heeft bij het uitvaardigen daarvan namelijk niet onderkend dat appellant een verblijfstitel had en dat het hem was toegestaan om te werken in de periode van 29 december 2018 tot en met 25 maart 2019. Als gevolg daarvan was de minister ook niet bevoegd om appellant in vreemdelingenbewaring te stellen. Het Hof heeft appellant een immateriële schadevergoeding toegekend voor de 38 dagen die hij onrechtmatig in bewaring heeft doorgebracht, ter hoogte van Afl. 80,- per dag.
1.1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van appellant om een zogenoemd zelfstandig schadebesluit tot vergoeding van materiële schade. Dit verzoek bestaat uit twee onderdelen.
Ten eerste verzoekt appellant om schadevergoeding voor gemiste looninkomsten als gevolg van de onrechtmatige inbewaringstelling. In het beroepschrift vroeg appellant om vergoeding van Afl. 2.280,-. In de brief van 15 mei 2025 is dat bedrag bijgesteld tot Afl. 1.711,15,- als vergoeding voor het minimumloon dat appellant had kunnen verdienen op de 38 dagen die hij ten onrechte in bewaring heeft doorgebracht.
Ten tweede verzoekt appellant om vergoeding van proceskosten ter hoogte van Afl. 1.400,- voor de kosten van verleende rechtsbijstand in een eerdere procedure. Het betreft het verzoek om een voorlopige voorziening dat door de gemachtigde namens appellant is gedaan in het kader van de bezwaarschriftprocedure tegen het uitzettingsbevel van 16 februari 2019. Bij uitspraak van 1 april 2019 heeft de voorzieningenrechter van het Gerecht het uitzettingsbevel geschorst. Daarbij zijn geen proceskosten vergoed. Appellant wil voor die proceskosten alsnog vergoeding zien.
Het oordeel van het Gerecht
2. Het Gerecht heeft het beroep gegrond verklaard en de bestreden beschikking vernietigd, omdat deze is voorbereid en genomen in strijd met artikel 14 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar Aruba). Het Gerecht heeft zelf in de zaak voorzien en het bezwaar ongegrond verklaard. Het verzoek om vergoeding van materiële schade moet volgens het Gerecht worden afgewezen. Appellant komt niet in aanmerking voor de gevraagde vergoeding van proceskosten, omdat proceskosten uit eerdere procedures, ook als het gaat om een voorlopige voorziening, niet voor vergoeding in aanmerking komen via een zelfstandig schadebesluit. Hij komt ook niet in aanmerking voor een vergoeding van gemiste looninkomsten, omdat hij de gestelde schade niet of niet deugdelijk heeft onderbouwd. Daar komt volgens het Gerecht bij dat hij in de betrokken periode niet beschikte over een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid, zodat hij niet mocht werken.
Het betoog in hoger beroep
3. Appellant betoogt in hoger beroep dat het Gerecht er bij de beoordeling van het verzoek om materiële schadevergoeding als gevolg van het schadeveroorzakende uitzettingsbevel ten onrechte van is uitgegaan dat hij in de periode van 29 december 2018 tot en met 25 maart 2019 geen verblijfstitel had en niet mocht werken. Ter onderbouwing wijst hij op de uitspraak van het Hof van 22 november 2023, waarin onder verwijzing naar artikel 19 van Pro het - oude - Toelatingsbesluit 2009 het tegendeel is overwogen. Appellant betoogt dat aan een verblijfsrecht op grond van die bepaling geen beperkingen verbonden kunnen worden en dat aan hem daarom niet mag worden tegengeworpen dat hij zich niet zou hebben ingeschreven in het bevolkingsregister en dat hij geen sociale premies zou hebben afgedragen. Over de berekening van de hoogte van de schadevergoeding betoogt hij onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad (met name de arresten van 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, en 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568) dat een redelijke schatting moet worden gemaakt van de ontwikkeling van het loon als het onrechtmatige uitzettingsbevel niet uitgevaardigd zou zijn, welk bedrag gelijk moet worden gesteld aan het minimumloon op dat moment.
3.1. Over de gevraagde vergoeding van proceskosten betoogt appellant dat het Gerecht niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om via een zelfstandig schadebesluit proceskosten uit een eerdere procedure vergoed te krijgen. Daarbij wijst hij er ook op dat het gaat over een rechtsmiddel dat hij succesvol heeft ingesteld, tegen een beschikking die onrechtmatig was.
Het oordeel van het Hof

De bevoegdheid van de bestuursrechter

4. Het Hof stelt voorop dat appellant als schadeveroorzakend besluit heeft aangemerkt het uitzettingsbevel van 16 februari 2019, dat door het Hof in zijn uitspraak van 22 november 2023 onrechtmatig is geoordeeld. Daarmee wordt voldaan aan de eisen van processuele en materiële connexiteit. Dit betekent dat appellant op grond van de Lar Aruba tegen het uitgelokte zelfstandig schadebesluit bezwaar kon maken en tegen de bestreden beschikking beroep kon instellen.

De gederfde looninkomsten

5. Een verzoek om schadevergoeding wegens beweerd onrechtmatig handelen van de overheid komt alleen voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende eisen: er moet sprake zijn van een onrechtmatige daad, de onrechtmatige daad moet aan de dader zijn toe te rekenen, er moet schade zijn, er moet een causaal verband zijn tussen de onrechtmatige daad en de schade, en de geschonden norm moet beschermen tegen de veroorzaakte schade.
5.1.
Omdat het uitzettingsbevel door het Hof onrechtmatig is geoordeeld en dit onrechtmatig handelen aan de minister kan worden toegerekend, is aan de eerste twee eisen voldaan.
5.2.
Het bestaan van schade, het derde vereiste, moet aannemelijk worden gemaakt door degene die stelt door het onrechtmatig handelen of nalaten van de overheid schade te hebben geleden. Appellant stelt schade te hebben geleden ter hoogte van gederfd minimumloon op 38 dagen. Die schade bedraagt volgens appellant Afl. 1.711,15,-.
Het Hof is van oordeel dat appellant de gestelde schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellant heeft geen begin van bewijs geleverd dat hij in de betrokken periode bij een werkgever had kunnen werken tegen het minimumloon. Een schriftelijke onderbouwing van de vordering ontbreekt. Zo heeft appellant bijvoorbeeld geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij voor en na zijn bewaring bij een werkgever heeft gewerkt.
Dat appellant in het verleden twee keer werkend is aangetroffen in Aruba maakt dat niet anders, omdat voor dat werk geen werkvergunning was verleend en hij voor dat werk een vergoeding ontving zonder dat premies werden ingehouden en belasting werd afgedragen; het betrof “zwart” werk. Het beroep van appellant op het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2024 mist relevantie, omdat het daarin gaat over de hoogte van de schadevergoeding in de situatie dat schade aannemelijk is, terwijl in deze zaak het bestaan van schade niet aannemelijk is gemaakt.
5.3.
Het Hof komt tot de conclusie dat het Gerecht dit deel van het verzoek van appellant terecht heeft afgewezen.

De proceskosten

6. Het Hof ziet in het geschil tussen partijen aanleiding om uiteen te zetten in welke soorten procedures belanghebbenden in aanmerking kunnen komen voor vergoeding van proceskosten.
Proceskosten en de Lar Aruba
6.1.
Het Hof stelt voorop dat de Lar Aruba geen regeling kent over proceskosten, anders dan de Landsverordeningen administratieve rechtspraak van Curaçao (hierna: de Lar Curaçao) en van Sint Maarten (hierna: de Lar Sint Maarten) en de Wet administratieve rechtspraak Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de War BES).
Wel kent de Lar Aruba de mogelijkheid om bij een gegrond beroep en vernietiging van de bestreden beschikking schadevergoeding toe te kennen (artikel 52, tweede lid, van de Lar Aruba). Van die mogelijkheid is in de rechtspraak van het Hof tot nu toe gebruik gemaakt om in die situatie proceskosten te kunnen vergoeden (zie o.a. de uitspraak van 25 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0579). Op grond van een redelijke toepassing van die bepaling heeft het Hof eveneens vergoeding van proceskosten in hoger beroep mogelijk geacht (uitspraak van 17 januari 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:96), ook als wel de aangevallen uitspraak wordt vernietigd maar niet tevens de bestreden beschikking (uitspraak 12 augustus 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:219).
Van die mogelijkheid kan echter geen gebruik worden gemaakt in andere procedures, zoals bij procedures naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening, om herziening, om een voorziening bij het niet gevolg geven aan een uitspraak en bij intrekking van het (hoger) beroep omdat het bestuursorgaan volledig aan de indiener van het (hoger) beroep is tegemoetgekomen. In deze uitspraak oordeelt het Hof dat voortaan ook in procedures naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening een vergoeding van proceskosten mogelijk is.
6.2.
Het Hof stelt vast dat de wetgever van Aruba de mogelijkheid van een proceskostenvergoeding heeft opgenomen in het strafrecht (zie de artikelen 404 en 651 (benadeelde partij) en 649 (verdachte) van het Wetboek van Strafvordering Aruba), het burgerlijk recht (artikel 60 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Aruba) en het belastingrecht (artikel 15, eerste lid, van de Landsverordening beroep in belastingzaken, zoals deze bepaling luidt sinds 1 juli 2016, en het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken). Dat in Aruba niet is voorzien in een dergelijke regeling voor het algemene bestuursrecht moet dan ook worden aangemerkt als een lacune in de wetgeving met gevolgen voor de rechtsbescherming. Bij dit oordeel betrekt het Hof dat in andere Caribische delen van het Koninkrijk voor het algemene bestuursrecht wel is voorzien in een regeling voor de vergoeding van proceskosten, te weten in de Lar Curaçao, de Lar Sint Maarten en de War BES (artikel 50, leden 9 tot en met 11, van de Lar Curaçao, de Lar Sint Maarten en de War BES), welke regeling is uitgewerkt in de respectieve Besluiten proceskosten bestuursrecht.
6.3.
Het is aan de (formele en materiële) wetgever van Aruba om een dergelijke regeling aan de Lar Aruba toe te voegen. Daarbij verdient het aanbeveling en ligt het ook in de rede om aan te sluiten bij hetgeen over proceskosten is geregeld in Curaçao, Sint Maarten en voor de BES-eilanden.
Die mogelijkheid moet er niet alleen zijn voor de procedures die in de Lar Aruba uitdrukkelijk zijn geregeld, waaronder procedures naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook in procedures bij de Lar-rechter waarin de Lar Aruba niet uitdrukkelijk voorziet, te weten verzoeken om herziening van een uitspraak en bij intrekking van het (hoger) beroep omdat het bestuursorgaan volledig aan de indiener van het (hoger) beroep is tegemoetgekomen. Het Hof sluit in zoverre aan bij het oordeel van het Gerecht neergelegd in de uitspraken van 14 mei 2025, ECLI:NL:OGEAA:2025:99 en ECLI:NL:OGEAA:2025:100, waartegen geen hoger beroep is ingesteld.
6.4.
Zolang de wetgever in het voorgaande niet heeft voorzien, is het aan de Lar-rechter om in alle voorkomende procedures bij het Gerecht en het Hof te beoordelen of er aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding.
6.5.
Of vergoeding van proceskosten ook mogelijk moet zijn in bezwaarprocedures en bij administratief beroep is allereerst aan de wetgever.
In welke procedure moet een verzoek om proceskosten worden gedaan?
6.6.
Een verzoek om proceskostenvergoeding moet worden gedaan in de procedure waarin die kosten zijn gemaakt. Het is aan het Gerecht dan wel het Hof om in die procedure, zo nodig ambtshalve, een oordeel te geven over de vraag of er aanleiding is voor vergoeding van proceskosten en, zo ja, tot welke hoogte.
6.7.
Gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van het Gerecht zal het Hof dit uitgangspunt vanaf heden toepassen op bij het Hof ingestelde hoger beroepen tegen uitspraken waarin door het Gerecht op of na 14 mei 2025 uitspraak is gedaan.
Het zelfstandig schadebesluit en proceskosten
6.8.
Het Hof heeft eerder aanvaard (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0579 en BQ0592, en van 23 mei 2014, ECLI:NL:OGHACMB:2014:119) dat over proceskosten gemaakt in een afgesloten bestuursrechtelijke procedure waarin een proceskostenveroordeling had kunnen worden uitgesproken, een zelfstandig schadebesluit kan worden uitgelokt waartegen bezwaar kan worden gemaakt en vervolgens (hoger) beroep op grond van de Lar Aruba kan worden ingesteld. De achtergrond daarvan was dat in de Lar Aruba een exclusieve regeling over proceskosten ontbreekt.
Voor het toestaan van deze mogelijkheid bestaat echter geen aanleiding meer, omdat vanaf heden de Lar-rechter in alle voorkomende procedures exclusief bevoegd wordt geacht te oordelen over de vraag of een proceskostenvergoeding is aangewezen. Daarbij betrekt het Hof dat het onwenselijk is dat de Lar-rechter wordt belast met beroepsprocedures over zelfstandige schadebesluiten die uitsluitend gaan over de vraag of proceskosten gemaakt in een eerdere procedure voor vergoeding in aanmerking komen. Die vraag kan immers aan de orde komen in de procedure waarin die kosten zijn gemaakt. Ook in zoverre sluit het Hof aan bij de hiervoor genoemde uitspraken van het Gerecht. Dit betekent dat de mogelijkheid om via een uitgelokt zelfstandig schadebesluit proceskosten vergoed te krijgen, niet langer kan worden gebruikt voor proceskosten in procedures waarin na vandaag, 7 januari 2026, uitspraak wordt gedaan.
Wat betekent het voorgaande voor de mogelijkheid om via een uitgelokt zelfstandig schadebesluit alsnog proceskosten vergoed te krijgen gemaakt in reeds afgesloten procedures?
6.9.
Zoals hiervoor vermeld, was vergoeding van proceskosten op grond van artikel 52, tweede lid, van de Lar Aruba alleen mogelijk van proceskosten uit de procedures van beroep en hoger beroep. De vergoeding kon worden verkregen in de procedure waarin de proceskosten waren gemaakt, of na afloop van een afgesloten procedure via de route van het zelfstandig schadebesluit. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, waaronder het exclusieve karakter, volgt dat deze keuzemogelijkheid met ingang van heden komt te vervallen voor proceskosten gemaakt en te maken in lopende en nieuwe (hoger-)beroepsprocedures. Om te voorkomen dat de rechtsbescherming met betrekking tot proceskosten in reeds afgesloten (hoger-)beroepsprocedures verslechtert, zal het Hof toestaan dat de route van vergoeding van proceskosten via het zelfstandig schadebesluit blijft bestaan, maar uitsluitend voor proceskosten uit voor vandaag, 7 januari 2026, afgesloten (hoger-)beroepsprocedures.
De mogelijkheid voor vergoeding van proceskosten in reeds afgesloten procedures waarin tot op heden geen proceskostenvergoeding mogelijk was, waaronder afgesloten voorlopige voorzieningenprocedures, wijzigt niet.
Het zelfstandig schadebesluit over andere schadeposten dan proceskosten
6.10.
Voor de goede orde wijst het Hof er op dat dit oordeel geen betrekking heeft op de mogelijkheid om tegen een uitgelokt zelfstandig schadebesluit in bezwaar en (hoger) beroep op te komen, als de gestelde schade andere schadeposten betreft dan proceskosten.
De hoogte van de proceskostenvergoeding
6.11.
Het Hof zal voor de bepaling van de hoogte van de proceskostenvergoeding zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing geven aan de Besluiten proceskosten bestuursrecht die gelden in Curaçao, Sint Maarten en voor de BES-eilanden. Dit geldt voor de proceshandelingen die voor vergoeding in aanmerking komen, het aantal punten voor een proceshandeling, het gewicht van de zaak en de vraag of sprake is van samenhangende zaken. De waarde per punt blijft daarbij bepaald op
Afl. 700,-.
Proceskosten in voorlopige voorzieningenprocedures in de Lar Curaçao, de Lar Sint Maarten en de War BES
6.12.
Het Hof stelt vast dat in de Lar Curaçao, de Lar Sint Maarten en de War BES wel een regeling is opgenomen voor proceskostenvergoeding voor de procedures van bezwaar, beroep, hoger beroep, herziening, vereenvoudigde afdoening, versnelde behandeling, verzet en verzoeken om gevolg te geven aan een eerdere uitspraak. In de Lar Curaçao, de Lar Sint Maarten en de War BES ontbreekt echter een regeling voor de vergoeding van proceskosten voor voorlopige voorzieningenprocedures. De respectieve Besluiten proceskosten bestuursrecht benoemen echter wel de proceshandelingen van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting in de Bijlage en kennen daaraan ook punten toe. Het niet opnemen van een wettelijke grondslag voor de vergoeding van proceskosten in voorlopige voorzieningenprocedures lijkt dan ook een omissie. Deze lacune in de wetgeving dient door de wetgevers van de desbetreffende landen te worden opgevuld. Ook hiervoor geldt dat totdat de respectieve wetgevers in een dergelijke regeling hebben voorzien, het aan de Lar-rechter (het Gerecht en het Hof) is om te blijven beoordelen of er aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding (vgl. de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 27 juni 2025, ECLI:NL:OGEAC:2025:161).
Wat betekent dit voor het verzoek van appellant?
6.13.
Zoals hiervoor vermeld verzoekt appellant om vergoeding van proceskosten ter hoogte van Afl. 1.400,- voor de kosten van verleende rechtsbijstand in een eerdere procedure. Het betreft het verzoek om een voorlopige voorziening dat door de gemachtigde namens appellant is gedaan in het kader van de bezwaarschriftprocedure tegen het uitzettingsbevel van 16 februari 2019. Bij uitspraak van 1 april 2019 heeft de voorzieningenrechter van het Gerecht het uitzettingsbevel geschorst. Daarbij zijn geen proceskosten vergoed. Appellant wil voor die proceskosten alsnog vergoeding zien en heeft gekozen voor beroep tegen een uitgelokt zelfstandig schadebesluit.
6.14.
Hiervoor, onder 6.9., is overwogen dat voor proceskosten gemaakt in eerder afgesloten procedures waarin tot heden geen proceskostenvergoeding mogelijk was, die mogelijkheid niet alsnog ontstaat. Daaruit volgt dat dit ook niet kan via het uitlokken van een zelfstandig schadebesluit en het instellen van rechtsmiddelen daartegen.
Proceskosten in voorlopige voorzieningenprocedures op grond van de Lar Aruba kwamen eerder niet voor vergoeding in aanmerking, ook niet via het zelfstandig schadebesluit. Voor kosten uit reeds afgesloten procedures brengt deze uitspraak daarin geen wijziging aan. Het Hof komt daarom tot de conclusie dat het Gerecht ook dit deel van het verzoek van appellant terecht heeft afgewezen.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigtde aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.