Uitspraak
Ten eerste verzoekt appellant om schadevergoeding voor gemiste looninkomsten als gevolg van de onrechtmatige inbewaringstelling. In het beroepschrift vroeg appellant om vergoeding van Afl. 2.280,-. In de brief van 15 mei 2025 is dat bedrag bijgesteld tot Afl. 1.711,15,- als vergoeding voor het minimumloon dat appellant had kunnen verdienen op de 38 dagen die hij ten onrechte in bewaring heeft doorgebracht.
Ten tweede verzoekt appellant om vergoeding van proceskosten ter hoogte van Afl. 1.400,- voor de kosten van verleende rechtsbijstand in een eerdere procedure. Het betreft het verzoek om een voorlopige voorziening dat door de gemachtigde namens appellant is gedaan in het kader van de bezwaarschriftprocedure tegen het uitzettingsbevel van 16 februari 2019. Bij uitspraak van 1 april 2019 heeft de voorzieningenrechter van het Gerecht het uitzettingsbevel geschorst. Daarbij zijn geen proceskosten vergoed. Appellant wil voor die proceskosten alsnog vergoeding zien.
De bevoegdheid van de bestuursrechter
De gederfde looninkomsten
Het Hof is van oordeel dat appellant de gestelde schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellant heeft geen begin van bewijs geleverd dat hij in de betrokken periode bij een werkgever had kunnen werken tegen het minimumloon. Een schriftelijke onderbouwing van de vordering ontbreekt. Zo heeft appellant bijvoorbeeld geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij voor en na zijn bewaring bij een werkgever heeft gewerkt.
Dat appellant in het verleden twee keer werkend is aangetroffen in Aruba maakt dat niet anders, omdat voor dat werk geen werkvergunning was verleend en hij voor dat werk een vergoeding ontving zonder dat premies werden ingehouden en belasting werd afgedragen; het betrof “zwart” werk. Het beroep van appellant op het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2024 mist relevantie, omdat het daarin gaat over de hoogte van de schadevergoeding in de situatie dat schade aannemelijk is, terwijl in deze zaak het bestaan van schade niet aannemelijk is gemaakt.
De proceskosten
Wel kent de Lar Aruba de mogelijkheid om bij een gegrond beroep en vernietiging van de bestreden beschikking schadevergoeding toe te kennen (artikel 52, tweede lid, van de Lar Aruba). Van die mogelijkheid is in de rechtspraak van het Hof tot nu toe gebruik gemaakt om in die situatie proceskosten te kunnen vergoeden (zie o.a. de uitspraak van 25 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0579). Op grond van een redelijke toepassing van die bepaling heeft het Hof eveneens vergoeding van proceskosten in hoger beroep mogelijk geacht (uitspraak van 17 januari 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:96), ook als wel de aangevallen uitspraak wordt vernietigd maar niet tevens de bestreden beschikking (uitspraak 12 augustus 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:219).
Van die mogelijkheid kan echter geen gebruik worden gemaakt in andere procedures, zoals bij procedures naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening, om herziening, om een voorziening bij het niet gevolg geven aan een uitspraak en bij intrekking van het (hoger) beroep omdat het bestuursorgaan volledig aan de indiener van het (hoger) beroep is tegemoetgekomen. In deze uitspraak oordeelt het Hof dat voortaan ook in procedures naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening een vergoeding van proceskosten mogelijk is.
Die mogelijkheid moet er niet alleen zijn voor de procedures die in de Lar Aruba uitdrukkelijk zijn geregeld, waaronder procedures naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook in procedures bij de Lar-rechter waarin de Lar Aruba niet uitdrukkelijk voorziet, te weten verzoeken om herziening van een uitspraak en bij intrekking van het (hoger) beroep omdat het bestuursorgaan volledig aan de indiener van het (hoger) beroep is tegemoetgekomen. Het Hof sluit in zoverre aan bij het oordeel van het Gerecht neergelegd in de uitspraken van 14 mei 2025, ECLI:NL:OGEAA:2025:99 en ECLI:NL:OGEAA:2025:100, waartegen geen hoger beroep is ingesteld.
Voor het toestaan van deze mogelijkheid bestaat echter geen aanleiding meer, omdat vanaf heden de Lar-rechter in alle voorkomende procedures exclusief bevoegd wordt geacht te oordelen over de vraag of een proceskostenvergoeding is aangewezen. Daarbij betrekt het Hof dat het onwenselijk is dat de Lar-rechter wordt belast met beroepsprocedures over zelfstandige schadebesluiten die uitsluitend gaan over de vraag of proceskosten gemaakt in een eerdere procedure voor vergoeding in aanmerking komen. Die vraag kan immers aan de orde komen in de procedure waarin die kosten zijn gemaakt. Ook in zoverre sluit het Hof aan bij de hiervoor genoemde uitspraken van het Gerecht. Dit betekent dat de mogelijkheid om via een uitgelokt zelfstandig schadebesluit proceskosten vergoed te krijgen, niet langer kan worden gebruikt voor proceskosten in procedures waarin na vandaag, 7 januari 2026, uitspraak wordt gedaan.
De mogelijkheid voor vergoeding van proceskosten in reeds afgesloten procedures waarin tot op heden geen proceskostenvergoeding mogelijk was, waaronder afgesloten voorlopige voorzieningenprocedures, wijzigt niet.
Het zelfstandig schadebesluit over andere schadeposten dan proceskosten
Afl. 700,-.
Proceskosten in voorlopige voorzieningenprocedures op grond van de Lar Aruba kwamen eerder niet voor vergoeding in aanmerking, ook niet via het zelfstandig schadebesluit. Voor kosten uit reeds afgesloten procedures brengt deze uitspraak daarin geen wijziging aan. Het Hof komt daarom tot de conclusie dat het Gerecht ook dit deel van het verzoek van appellant terecht heeft afgewezen.