Appellant verzocht de minister om materiële en immateriële schadevergoeding vanwege het afwijzen van zijn aanvraag voor een koffie- en restaurantvergunning B. Na een eerdere procedure waarin het Gerecht de afwijzing van de vergunning onrechtmatig verklaarde, werd het verzoek om schadevergoeding door de minister afgewezen en deze afwijzing door het Gerecht bevestigd.
In hoger beroep stelde appellant dat het Gerecht onjuist had geoordeeld over zijn verschijning ter zitting en dat de behandeling door een andere rechter mocht worden voortgezet. Het Hof oordeelde dat de behandeling correct was geschorst en voortgezet, en dat appellant ondanks oproeping niet was verschenen. Tevens oordeelde het Hof dat de eerdere weigering van de vergunning onrechtmatig was en dat de minister opnieuw moet beslissen over de schadevergoeding, waarbij de minister moet aantonen dat hij de vergunning toch zou hebben geweigerd als hij eerder had beslist.
Het Hof verwierp het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn omdat het bezwaarschrift vóór 1 juli 2017 was ingediend en de termijn niet was overschreden in de latere procedure. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak en beschikking vernietigd, en de minister veroordeeld tot proceskostenvergoeding.