Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.FEITEN
3.GESCHIL
4.OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid beroep
5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
6.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Belanghebbende, een kapsalonhouder, kreeg navorderingsaanslagen opgelegd over de jaren 2013 tot en met 2015 naar aanleiding van een proces-verbaal waarin haar zoon met een grote hoeveelheid contant geld werd aangehouden. De Inspecteur corrigeerde de opgegeven inkomsten aanzienlijk en legde vergrijpboetes op. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat er geen nieuw feit was voor navordering en dat de bewijslast niet mocht worden omgekeerd.
Het Gerecht oordeelde dat de Inspecteur bij de primitieve aanslagen 2013 en 2014 niet verplicht was tot nader onderzoek omdat de aangiften niet onwaarschijnlijk waren. Voor 2015 was het proces-verbaal echter reeds bekend bij het opleggen van de aanslag, waardoor geen nieuw feit bestond en de navorderingsaanslag vernietigd moest worden.
Verder werd vastgesteld dat de Inspecteur de correcties voor 2013 en 2014 willekeurig had vastgesteld zonder boekenonderzoek of onderbouwing. De omzetcorrectie was gebaseerd op een schending van de administratieplicht doordat de zoon omzet hield die niet in de administratie was verwerkt. Het Gerecht schatte het belastbaar inkomen daarom op NAf 50.000 voor beide jaren.
Het beroep werd gegrond verklaard, de navorderingsaanslagen over 2015 vernietigd, die over 2013 en 2014 verminderd, en de Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Een verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige inbeslagneming van contant geld werd afgewezen omdat de belastingwet geen grondslag biedt voor dergelijke vergoeding.
Uitkomst: Navorderingsaanslag 2015 vernietigd, aanslagen 2013 en 2014 verminderd tot belastbaar inkomen NAf 50.000, proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend.