Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
De vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft de Rechtbank op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022), in samenhang gelezen met punten 1 en 13 van onderdeel A1 en punt 1 van onderdeel B1 van de bij dat besluit behorende bijlage, vastgesteld op € 541, uitgaande van 2 punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 541.
Hoge Raad: bedoeld zal zijn de Inspecteur) is veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, terwijl het beroep van belanghebbende ongegrond was. Hiervan uitgaande en gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 (hierna: het arrest van 10 november 2023), heeft het Hof de aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage (tekst 2024) vastgesteld op € 218
,75, uitgaande van 1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875. Dit betekent dat de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding niet te laag is vastgesteld, aldus het Hof.
3.Beoordeling van de middelen
Onder deze omstandigheden stond het het Hof niet vrij om bij het – met inachtneming van de juiste waarde per punt – opnieuw vaststellen van die vergoeding voor de beroepsfase, die vergoeding in het nadeel van de belanghebbende te wijzigen door ambtshalve de door de Rechtbank vastgestelde wegingsfactor voor het gewicht van de zaak te verlagen en het in aanmerking te nemen aantal proceshandelingen te verminderen. [2] Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de Hoge Raad in het arrest van 10 november 2023 heeft beslist dat hij voortaan in zaken waarin het beroep in cassatie ongegrond wordt verklaard en een proceskostenvergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, tot uitgangspunt neemt dat een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 van toepassing is.
4.Proceskosten
In rechtsoverweging 2.7.1 van de arresten van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad aangekondigd dat met betrekking tot volgende beslissingen over de omvang van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in elke andere door de gemachtigde, Bothof Services B.V., als professionele rechtsbijstandverlener in het jaar 2024 bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte procedure over de bpm waarin de belanghebbende voor de Hoge Raad stelt dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, ervan zal worden uitgegaan dat Bothof Services B.V. niet werkt op basis van no cure no pay.
Gelet op die beslissing over het bedrijfsmodel in 2024 van deze gemachtigde acht de Hoge Raad het niet meer nodig om belanghebbende in de gelegenheid te stellen nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op hem rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure zonder inachtneming van de WHpkv.