Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2.Uitgangspunten in cassatie
De uitspraak van 8 juni 2021 houdt in dat de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaart, dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf van bpm ten bedrage van € 1.194, en dat voor de terugbetaling met de daarmee gepaard gaande rentevergoeding aan belanghebbende nog een aparte kennisgeving zal worden gestuurd.
De Rechtbank heeft – in hoger beroep onbestreden – vastgesteld dat de Inspecteur na het doen van uitspraak op bezwaar bij een beschikking als bedoeld in artikel 30j, lid 1, AWR aan belanghebbende belastingrente heeft vergoed ter zake van de hiervoor in 2.2.1 bedoelde teruggaaf. Overeenkomstig artikel 30ha AWR is aan belanghebbende een bedrag van € 17 aan belastingrente vergoed over de periode van 1 april 2021 tot 6 augustus 2021. Voor zover belanghebbende in de onderhavige procedure aanspraak maakt op een rentevergoeding over een langer tijdvak dan voortvloeit uit hoofdstuk VA AWR, moet belanghebbende zich op de voet van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) wenden tot de ontvanger, aldus de Rechtbank. Zo een dergelijk verzoek is gedaan, ligt de beslissing daarover niet in deze zaak voor, aldus de Rechtbank.
Bij het berekenen van de hoogte van de vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is de Rechtbank uitgegaan van twee proceshandelingen (beroepschrift en verschijnen ter zitting), de waarde per punt als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 (€ 837; tekst 2023) van de bijlage bij het Besluit, en een wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaak.
3.Beoordeling van de middelen
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende zich voor een vergoeding van rente over de verleende teruggaaf van bpm tot de ontvanger dient te wenden (artikel 28c IW 1990). In dit oordeel ligt besloten het oordeel dat in deze procedure geen uitspraak kan worden gedaan over de klacht van belanghebbende dat de hiervoor in 3.2.2 bedoelde invorderingsrente alleen op verzoek van de belastingschuldige wordt uitbetaald. Dat oordeel is juist.
Bij deze stand van zaken kan in deze cassatieprocedure niet aan behandeling van de door de klacht opgeworpen rechtsvraag worden toegekomen. Het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, waarop middel I aandringt, kan dan ook niet bijdragen aan de beslechting van deze zaak.
Anders dan middel III verder stelt, komt zelfs indien een gekwalificeerde schending van het Unierecht heeft plaatsgevonden, de belanghebbende niet méér schadevergoeding toe dan de vergoeding van immateriële schade die verband houdt met de door de belanghebbende als gevolg van de duur van de procedure ondervonden spanning en frustratie, en – in geval van schade in de vorm van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand – de kosten voor zover zij betreffen het doen van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. [5] De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende voor de Rechtbank of het Hof niet heeft gesteld dat zij ter zake van het doen van het verzoek om immateriële schade meer kosten heeft gemaakt dan de hiervoor in 2.3.2 bedoelde vergoeding die de Rechtbank haar heeft toegekend.
Gelet op het voorgaande, is het voor de beslechting van dit geschilpunt niet noodzakelijk prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
4.Proceskosten
5.Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
6.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
De Staat wordt in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.