ECLI:NL:HR:2026:566
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in zaak over verkorting 30%-regeling en loonheffing
Belanghebbende, een vennootschap, voerde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over de afdracht van loonheffing voor de maanden augustus tot en met oktober 2021 en een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad heeft de middelen van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat geen van de klachten aanleiding geeft tot vernietiging van het hofarrest. Daarbij verwees de Hoge Raad naar eerdere overwegingen in een arrest van 13 februari 2026. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd niet in behandeling genomen omdat het was gesteld onder de voorwaarde van een positieve uitkomst van het cassatieberoep, welke niet werd bereikt.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het hof in stand, waarin de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling ook in gevallen waarin eerder een langere beschikking was gegeven, werd bevestigd.
De uitspraak benadrukt de toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in de context van loonbelasting en de 30%-regeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.