Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:566

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
25/03924
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31a lid 2 letter e Wet LB 1964Art. 31a lid 7 Wet LB 1964Art. XIV Belastingplan 2019Art. 10ec UBLB 1965Art. 1 EP EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in zaak over verkorting 30%-regeling en loonheffing

Belanghebbende, een vennootschap, voerde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over de afdracht van loonheffing voor de maanden augustus tot en met oktober 2021 en een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad heeft de middelen van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat geen van de klachten aanleiding geeft tot vernietiging van het hofarrest. Daarbij verwees de Hoge Raad naar eerdere overwegingen in een arrest van 13 februari 2026. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd niet in behandeling genomen omdat het was gesteld onder de voorwaarde van een positieve uitkomst van het cassatieberoep, welke niet werd bereikt.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het hof in stand, waarin de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling ook in gevallen waarin eerder een langere beschikking was gegeven, werd bevestigd.

De uitspraak benadrukt de toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel in de context van loonbelasting en de 30%-regeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/03924
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] N.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 september 2025, nrs. 23/1414 tot en met 23/1416 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 22/1734, 22/1735 en 22/1748) betreffende de afdracht van loonheffing over de tijdvakken augustus, september en oktober 2021 en een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door T. Smit, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
De middelen 2 en 3 falen. De Hoge Raad verwijst hiertoe naar wat is overwogen in zijn arrest van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:123, rechtsoverwegingen 4.1.2 tot en met 4.4.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de klachten over de uitspraak van het Hof in middel 1 beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Verzoek om schadevergoeding

Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan onder de voorwaarde dat positief op het beroep in cassatie wordt beslist, dan wel de zaak in der minne wordt geschikt. Aangezien die voorwaarde niet is vervuld, zal de Hoge Raad dit verzoek niet in behandeling nemen.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.