Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1521

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
24/2024 en 24/2025
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 letter b WBRArt. 26 IVBPRArt. 14 EVRMArt. 8 lid 1 EVRMArt. 1 EP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vrijstelling overdrachtsbelasting bij bedrijfsoverdracht in familiesfeer

Belanghebbende heeft overdrachtsbelasting betaald over de verkrijging van onroerende zaken binnen een melkveebedrijf dat in de familie wordt geëxploiteerd. Hij maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag die was opgelegd omdat de Inspecteur de vrijstelling van overdrachtsbelasting niet toepaste op de verkrijging door belanghebbende, omdat deze niet tot de in de wet genoemde kring van verkrijgers behoort.

De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat het bedrijf feitelijk in rechte lijn van zijn grootvader is verkregen en dat de wet onrechtmatig discrimineert door de vrijstelling te beperken tot kinderen, kleinkinderen, broers en zusters. Tevens voerde hij een beroep op het evenredigheidsbeginsel aan.

Het Hof volgt de Rechtbank en verwijst naar eerdere arresten van de Hoge Raad waarin is bevestigd dat de wetgever de vrijstelling bewust beperkt heeft tot een afgebakende kring van verkrijgers om versnippering van ondernemingsvermogen te voorkomen. Er is geen sprake van strijd met het discriminatieverbod of het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven. Ook is geen bijzondere omstandigheid aanwezig die toepassing van de wet buiten toepassing zou moeten laten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/2024 en 24/2025
uitspraakdatum: 10 maart 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 5 november 2024, nummers AWB 23/5107 en 24/2056, in het geding tussen belanghebbende en
de
Inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Hoofddorp - Schiphol(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft op aangifte € 28.700 aan overdrachtsbelasting voldaan.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen deze voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.
1.3.
De Inspecteur heeft met dagtekening 13 juni 2022 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting van € 5.740 (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd, waarbij aan belastingrente een bedrag van € 495 in rekening is gebracht.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.5.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte deels gegrond verklaard en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
1.6.
De Rechtbank heeft de door belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
1.7.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.8.
De Inspecteur heeft op 29 januari 2026 een nader stuk ingediend.
1.9.
Belanghebbende heeft op de zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.
1.10.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, zijn moeder [naam1] en mr. W.J.M. Overtoom, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, mr. [naam2] , mr. [naam3] en mr. [naam4] .
1.11.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is de neef van [naam5] (hierna: de oom). [naam1] is de moeder van belanghebbende (hierna: de moeder) en de zus van de oom.
2.2.
De grootvader van belanghebbende (hierna: de grootvader) heeft in 1983 een melkveebedrijf overgedragen aan de oom.
2.3.
Belanghebbende en de oom exploiteren sinds 1 januari 1995 het melkveebedrijf in de vorm van een maatschap, genaamd Maatschap [naam5] & [belanghebbende] (hierna: de maatschap). De jaarwinstverdeling tussen de maten is 50% - 50%. De stakingswinstverdeling is 70% (belanghebbende) en 30% (de oom).
2.4.
In de maatschap is economisch ingebracht dan wel voor rekening van de maatschap zijn verkregen de volgende onroerende zaken:
- Kadastraal bekend [gemeente1] sectie H nummer:
o 118 (16.200 m2)
o 164 (49.330 m2)
o 173 (187.885 m2)
o 345 (57.035 m2)
o 347 (21.245 m2)
o 354 (155 m2)
o 355 (17.090 m2)
o 370 (1.416 m2)
o 154 (1.710 m2)
o 172 (54.945 m2)
o 343 (45.530 m2)
o 349 (26.605 m2)
- Kadastraal bekend [gemeente2] sectie N nummer:
o 334 (36.760 m2)
2.5.
De onroerende zaken, kadastraal bekend [gemeente1] sectie H 154, 172, 343 en 349 en kadastraal bekend [gemeente2] sectie N 334, zijn juridisch volledig eigendom van belanghebbende. Belanghebbende en de oom hebben ieder de onverdeelde helft van de juridische eigendom van de overige onroerende zaken.
2.6.
In het waarderingsrapport van [makelaar] van 7 april 2020 zijn de cultuurgrond, de woningen met ondergrond en de opstallen met ondergrond van de bedrijfsgebouwen per 31 december 2019 gewaardeerd op in totaal € 5.260.000. De waarde van de woningen met ondergrond bedraagt € 260.000, de waarde van de opstallen met ondergrond bedraagt € 870.000 en de waarde van de cultuurgrond bedraagt € 3.160.000.
2.7.
In het supplement op de akte van maatschap van 4 december 2019 (hierna: het supplement) is met ingang van 1 januari 2019 de jaarwinstverdeling gewijzigd van 50% - 50% naar 40% voor de oom en 60% voor belanghebbende. De stakingswinstverdeling is gewijzigd naar 80% voor belanghebbende en 20% voor de oom.
2.8.
Bij akte van levering/verdeling ter beëindiging maatschap van 14 september 2020 heeft belanghebbende de overige 40% van de economische eigendom en de overige 50% van de juridische eigendom van de onroerende zaken verkregen. Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende aangifte overdrachtsbelasting gedaan. Op 22 september 2020 heeft belanghebbende een bedrag van € 28.700 betaald ter voldoening van de overdrachtsbelasting, welk bedrag als volgt is berekend. Over de helft van de waarde van de woningen van € 260.000 is 2% overdrachtsbelasting betaald (€ 2.600) en over de helft van de waarde van de opstallen van € 870.000 is 6% overdrachtsbelasting betaald (€ 26.100). Er is bij de aangifte wat betreft de cultuurgrond een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR). Belanghebbende heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.
2.9.
Op 19 april 2022 is naar aanleiding van het supplement een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting aangekondigd ter zake van de verkrijging door belanghebbende van de economische eigendom van 10%. Belanghebbende heeft per e-mail op 6 mei en 13 mei 2022 gereageerd. De Inspecteur heeft per e-mail van 16 mei 2022 daarop gereageerd.
2.10.
Met dagtekening 13 juni 2022 is de naheffingsaanslag opgelegd. De overdrachtsbelasting is als volgt berekend. De waarde van de woningen bedraagt € 260.000. Daarvan is 10% verkregen, waarover 2% overdrachtsbelasting is verschuldigd (€ 520). De waarde van de opstallen bedraagt € 870.000. Daarvan is 10% verkregen, waarover 6% overdrachtsbelasting is verschuldigd (€ 5.220).
2.11.
Bij uitspraken op bezwaar van 26 mei 2023 heeft de Inspecteur het bedrag dat op aangifte is voldaan verminderd met € 5.740 tot een bedrag van € 22.960 en de naheffingsaanslag in stand gelaten.
2.12.
Op het beroep heeft de Rechtbank geoordeeld dat de stelling van belanghebbende dat er (in)direct is verkregen van de grootvader feitelijke grondslag mist, dat er sprake is van een bewuste keuze van de wetgever om de kring van verkrijgers te beperken tot verkrijgers in rechte lijn of in de zijlijn, dat er geen sprake is van strijd met het verbod op discriminatie van artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in verbinding met het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) en dat niet aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, van toepassing is. Zo ja, dan is tussen partijen niet in geschil dat de voldoening op aangifte moet worden verminderd tot een bedrag van € 2.600 en dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Zo nee, dan zijn tussen partijen de bedragen van de voldoening op aangifte en de naheffingsaanslag niet in geschil.
3.2.
Niet in geschil is dat belanghebbende in verband met de verkrijging van de cultuurgronden een beroep kan doen op artikel 15, lid 1, letter q, van de WBR.
3.3.
Belanghebbende stelt dat het melkveebedrijf al generaties lang in de familie is. De grootvader had tot de bedrijfsoverdracht aan de oom in 1983 de feitelijke leiding, en heeft ook na deze bedrijfsoverdracht de feitelijke leiding behouden. De afnemende gezondheid van de grootvader zorgde ervoor dat de moeder steeds meer de feitelijke leiding op haar nam. Relevant daarbij is dat de moeder vanaf haar trouwen in 1973 met [naam6] in de boerderij heeft ingewoond. In 1976 zijn zij samen met belanghebbende gaan wonen in een woning die zij naast de boerderij hebben laten bouwen. Nadat de grootvader vanaf 1991 niet meer thuis kon wonen, heeft de moeder de feitelijke leiding overgenomen. Vanaf 1995 is belanghebbende de feitelijk leidinggevende in het melkveebedrijf. De oom heeft nimmer een leidinggevende positie in het bedrijf gehad, aldus belanghebbende. Het is vanuit de familie altijd de bedoeling geweest dat belanghebbende het melkveebedrijf zou gaan overnemen. Belanghebbende betoogt primair dat hij gelet op de ratio van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, als kwalificerende persoon dient te worden aangemerkt. Volgens hem is de ratio van het artikelonderdeel het voorkomen van versnippering bij de overgang op kinderen. Ten tijde van de overdracht van de grootvader aan de oom viel de overdracht aan kleinkinderen nog niet onder de vrijstelling. Gekozen is daarom om het melkveebedrijf ‘tijdelijk te parkeren’ bij de oom. De feitelijke leiding is toen overgegaan van de grootvader naar de moeder en vanaf 1995 naar belanghebbende. Volgens belanghebbende kan dan ook worden gesteld dat uiteindelijk een overdracht heeft plaatsgevonden in rechte lijn en dat het bedrijf door grootvader (in)direct aan belanghebbende is overgedragen, waardoor belanghebbende aanspraak kan maken op de vrijstelling. Als in dit geval de vrijstelling wel zou worden toegepast, zal hiermee door de bijzondere situatie niet ‘de deur open worden gezet’.
3.4.
Subsidiair stelt belanghebbende dat de beperking van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, in strijd is met het verbod op discriminatie, neergelegd in artikel 26 van Pro het IVBPR en artikel 14 van Pro het EVRM in verbinding met artikel 1 van Pro het EP. Bovendien is het artikelonderdeel een inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven, als bedoeld in artikel 8, lid 1, van het EVRM. Belanghebbende stelt in dit kader dat de Hoge Raad in het arrest van 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9678, als enige argument tegen de toepassing van het gelijkheidsbeginsel het bestaan van de legitieme portie in goederen heeft gebruikt. Aangezien deze per 1 januari 2003 is afgeschaft, dient het gelijkheidsbeginsel wel te worden toegepast, aldus belanghebbende. Met betrekking tot het arrest van de Hoge Raad van 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1254, heeft belanghebbende gesteld dat dit arrest ziet op een geheel andere situatie.
3.5.
Meer subsidiair heeft belanghebbende een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel, waarbij wordt verwezen naar uitspraken van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (24 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190 en ECLI:NL:CBB:2024:191). Volgens hem is een beroep op het evenredigheidsbeginsel ook mogelijk bij gebonden besluiten als het nodig is om de onnodig harde gevolgen van een wettelijk voorschrift te voorkomen. In dit geval is sprake van een bijzondere omstandigheid, die niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever omdat er sprake is van een meer dan 200 jaar bestaand familiebedrijf dat in rechte lijn wordt voortgezet, dat steeds in rechte lijn is bestuurd en dat het risico op versnippering wordt voorkomen, aldus belanghebbende.
3.6.
Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het melkveebedrijf in feite nooit is overgedragen aan de oom. De oom is volgens de Inspecteur sinds 1983 ondernemer voor de inkomstenbelasting wegens de exploitatie van het melkveebedrijf en dient voor de toepassing van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, als ondernemer te worden beschouwd. De Inspecteur betoogt dat de wetgever ervoor heeft gekozen ter voorkoming van versnippering van het bedrijfsvermogen overdrachten binnen de naaste familie te faciliteren. De wetgever heeft in dit verband allereerst de (klein)kinderen en familie in de neerdalende lijn als gekwalificeerd verkrijger voor de vrijstelling aangemerkt. De Inspecteur wijst er op dat de wetgever er niet voor heeft gekozen om de kring van verkrijgers die aanspraak kunnen maken op de vrijstelling te vergroten. Van discriminatie is volgens hem geen sprake. De wetgever heeft bewust ervoor gekozen om een bepaalde groep naaste familie aan te wijzen als kwalificerend verkrijger. Hiermee wordt voor een zeer groot deel van de beoogde doelgroep het beoogde gerechtvaardigde doel bereikt. Hiervan kan volgens hem niet gezegd worden dat de veronderstellingen van de wetgever zo weinig voor de hand liggen dat zij evident onredelijk zijn. De beperking van de kring van verkrijgers voor de vrijstelling berust op een keuze van de fiscale wetgever waarvan niet kan worden gezegd dat deze evident van iedere redelijke grond is ontbloot, althans dat er niet een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. Niet kan worden gezegd dat de wetgever aldus de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid heeft overschreden, aldus de Inspecteur. Naar de mening van de Inspecteur is het arrest van 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9678, niet achterhaald, waarbij nog wordt verwezen naar het arrest van 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1254. Bovendien kan volgens de Inspecteur een legitieme portie in geld gevolgen hebben voor het ondernemingsvermogen. De latere uitbreiding van de vrijstelling met een broer, zus en hun echtgenoten is een logische stap wanneer wordt aangesloten bij de vererving in de familiesfeer, aldus de Inspecteur. Met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel stelt de Inspecteur dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die niet (ten volle) is verdisconteerd in de afweging van de wetgever.
3.7.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vermindering van de voldoening op aangifte tot een bedrag van € 2.600 en vernietiging van de naheffingsaanslag.
3.8.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Algemeen
4.1.
Artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, luidt, voor zover van belang:
“Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging:
(…)
b. door een of meer kinderen, kleinkinderen, broers, zusters, of hun echtgenoten, van een ondernemer van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan diens onderneming die wat de bedrijfsvoering betreft, in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger of verkrijgers wordt voortgezet. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt:
1. met een kind gelijkgesteld een pleegkind;
2. met een broer of zuster gelijkgesteld een halfbroer, halfzuster, pleegbroer of pleegzuster;”
4.2.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9678, met betrekking tot artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de WBR, het volgende geoordeeld:
“3.4. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet blijkt dat de onderwerpelijke vrijstelling overeenkomt met het bepaalde in artikel 101, lid 1, letter b, van de Registratiewet 1917 en dat de ratio van deze vrijstelling was en is het voorkomen van versnippering van de onderneming bij overgang op kinderen (Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 3, blz. 27, en nr. 7, blz. 12). De kring van personen voor wie deze vrijstelling was bedoeld is bij Wet van 18 december 1995 tot wijziging van de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Wet op omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 (terugsluis opbrengst reparatiewetsvoorstel-btw), Stb. 660, verruimd met als doel de faciliteit mede te doen gelden voor kleinkinderen en hun echtgenoten, als gevolg waarvan de vrijstelling voor dezelfde kring van personen is gaan gelden als de faciliteit van artikel 17 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964” (vgl. Kamerstukken II 1995/96, 24 428, nr. 3, blz. 13).
3.5.
Uit het onder 3.4 overwogene volgt dat de ratio van de onderhavige vrijstelling is het voorkomen van versnippering van de onderneming bij overgang op (pleeg-)kinderen, kleinkinderen, alsmede de echtgenoten van (pleeg-)kinderen en kleinkinderen. In overeenstemming hiermee heeft de wetgever de vrijstelling van overdrachtsbelasting beperkt tot het geval waarin de bedrijfsopvolger behoort tot de genoemde kring van personen. Immers, met name indien zodanige bedrijfsopvolger ingevolge testamentaire beschikking het ondernemingsvermogen, en de daartoe behorende onroerende zaak of zaken, zou erven welke vererving op grond van artikel 3, aanhef en letter a, van de Wet, niet belast zou zijn met overdrachtsbelasting -, zou zich het risico voordoen dat het ondernemingsvermogen wordt versnipperd als gevolg van een beroep op de legitieme portie door overige erfgenamen. Met de onderwerpelijke vrijstelling van overdrachtsbelasting voor gevallen van bedrijfsovername binnen de familie in de neerdalende rechte lijn, facilieert de wetgever in fiscaal opzicht de bedrijfsoverdracht nog tijdens het leven van de ondernemer en wordt het risico van versnippering van het
ondernemingsvermogen beperkt.
Niet kan worden gezegd dat de wetgever aldus de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid – zie hiervoor onder 3.3. – heeft overschreden. Het middel slaagt derhalve.
3.6.
Uit het hiervóór overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Niet kan worden gezegd dat de in artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet opgenomen vrijstelling een inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven van belanghebbende, als bedoeld in artikel 8, lid 1, van het EVRM, aangezien belanghebbende noch B door het niet van toepassing zijn van de vrijstelling werd belemmerd in de vrijheid hun gezinsleven met inachtneming van de rechten en belangen van andere betrokkenen in te richten.”
4.3.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7744, het volgende geoordeeld:
“3.3 (…). Belanghebbende heeft immers geen recht op de vrijstelling nu hij niet behoort tot de in artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet vermelde kring van bloed- en aanverwanten. Die bepaling is, anders dan belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd, niet in strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, noch in strijd met enige andere verdragsrechtelijke bepaling. De ratio van de onderhavige vrijstelling is het voorkomen van versnippering van de onderneming bij overgang op (pleeg-)kinderen, kleinkinderen, alsmede de echtgenoten van (pleeg-) kinderen en kleinkinderen. In overeenstemming hiermee heeft de wetgever de vrijstelling van overdrachtsbelasting beperkt tot het geval waarin de bedrijfsopvolger behoort tot de genoemde kring van personen. Niet kan worden gezegd dat de wetgever aldus de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid heeft overschreden (vgl. HR 6 juni 2003, nr. 37755, V-N 2003/31.21).”
4.4.
In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet ondernemerspakket 2001 (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 209, nr. 6, p. 25-26) is, voor zover van belang, opgemerkt:
“De overdrachtsbelasting is een incidentele heffing op transacties in onroerende zaken die zich in het rechtsverkeer voordoen. Dat uitgangspunt brengt mee dat in principe telkens wanneer sprake is van een verkrijging van onroerende zaken heffing van overdrachtsbelasting aan de orde is. Slechts in bijzondere situaties wordt een vrijstelling verleend, zoals de vrijstelling voor overdracht van een onderneming van de ene aan de volgende generatie (artikel 15, eerste lid, onderdeel b, Wet op belastingen van rechtsverkeer). (…). Elke inbreuk op het genoemde uitgangspunt voor de overdrachtsbelasting vereist zorgvuldige overweging. Een uitbreiding van de eerdergenoemde vrijstelling tot elke overdracht aan een mede-ondernemer als de onderneming voor ten minste 3 jaren voor rekening van beiden is uitgeoefend, zou weliswaar tot gevolg hebben dat de overdrachtsbelasting op dit punt een parallellie zou kennen met de inkomstenbelasting maar zou een forse inbreuk op het karakter van de overdrachtsbelasting betekenen. Daarnaast mag worden verwacht dat zo'n ruimere vrijstelling zou kunnen leiden tot onbedoeld gebruik. Daar komt bij dat zo'n uitbreiding van de vrijstelling in de overdrachtsbelasting gepaard zou gaan met forse budgettaire consequenties. Gelet op het voorgaande ligt een uitbreiding van de genoemde vrijstelling in de overdrachtsbelasting niet in de rede.”
4.5.
In de Memorie van toelichting bij het Belastingplan 2006 (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 306, nr. 3, p. 11 en 60) is, voor zover van belang, opgemerkt:
“Naar aanleiding van de motie Slob (Kamerstukken II 2003/04, 28 207, nr. 4) is een onderzoek uitgevoerd naar knelpunten bij bedrijfsopvolging. Naar aanleiding hiervan worden twee maatregelen voorgesteld. (…) De tweede maatregel maakt deel uit van mijn reactie op de nadere vragen en opmerkingen vanuit de vaste commissie voor Financiën naar aanleiding van mijn laatstgenoemde brief. Op korte termijn zal deze reactie naar de Tweede Kamer worden verzonden.”
“Artikel VIII, onderdeel B (artikel 15 van Pro de Wet op belastingen van rechtsverkeer)
De wijziging van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR strekt ertoe de kring van gerechtigden tot de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij bedrijfsoverdrachten in de familiesfeer, uit te breiden met broers, zusters, halfbroers, halfzusters, pleegbroers of pleegzusters en hun echtgenoten. Een halfbroer of halfzuster staat tot de overdragende ondernemer in een familiebetrekking waarbij één van beide ouders dezelfde is. Een pleegbroer of pleegzuster is een persoon die door hun (pleeg)ouders als een eigen kind is onderhouden en opgevoed. Evenals dat nu bij verkrijgingen in de rechte lijn het geval is, is een verkrijging door een echtgenoot van de nieuwe gerechtigden alleen vrijgesteld van overdrachtsbelasting indien het een verkrijging staande huwelijk of geregistreerd partnerschap betreft”
4.6.
In de Nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 2006 (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 306, nr. 6, p. 21 en 22) is, voor zover van belang, opgemerkt:
“Het zakelijke karakter van de overdrachtsbelasting zorgt ervoor dat bij iedere verkrijging van onroerende zaken heffing aan de orde is. Dit karakter brengt mee dat er bij deze belasting in beginsel geen ruimte is voor persoonlijke omstandigheden en motieven. In het successierecht en de inkomstenbelasting spelen de persoonlijke omstandigheden van het geval nu juist weer wel een grote rol. Naast dit wezenlijke verschil in karakter is van belang dat de overdrachtsbelasting en het successierecht worden geheven ter zake van een eenmalige gebeurtenis, terwijl de inkomstenbelasting een jaarlijks terugkerende heffing is. De faciliteiten op het gebied van de bedrijfsopvolging (in de vorm van een vrijstelling) in de diverse belastingen werken ieder in hun eigen heffingswet anders uit. Bij een vrijstelling in de inkomstenbelasting is er sprake van uitstel van belastingbetaling, dit in tegenstelling tot die in de overdrachtsbelasting waar zij daadwerkelijk afstel betekent. De faciliteit voor bedrijfsopvolging in het successierecht is tweeledig van karakter. Enerzijds is er sprake van uitstel, terwijl anderzijds ook voor een deel afstel aan de orde is. De grondgedachte, de continuïteit van de ondernemingen in het midden en kleinbedrijf vergroten, is echter bij alle faciliteiten gelijk. In het successierecht is de familieband geen vereiste voor toepassing van de faciliteit. In de praktijk is deze familieband echter van belang aangezien verervingen en schenkingen van bedrijfsvermogen doorgaans binnen de familiekring plaatsvinden. In de overdrachtsbelasting speelt de familieband bij de faciliteit voor bedrijfsoverdrachten in meerdere en bij de inkomstenbelasting in mindere mate een rol. In de overdrachtsbelasting zorgt de faciliteit ervoor dat ondernemingen reeds bij leven, vooruitlopend op vererving, zonder heffing van overdrachtsbelasting overgedragen kunnen worden. De gedachte hierbij is dat het economisch niet wenselijk is dat ondernemingsvermogen versnipperd raakt als gevolg van vererving over meerdere erfgenamen. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 waren louter bedrijfsoverdrachten in de familiekring gefaciliteerd. Bij de invoering van de Wet IB 2001 is de faciliteit onder voorwaarden verruimd naar medeondernemers en werknemers. Het verschil met de overdrachtsbelasting is zoals reeds aangegeven dat de belastingclaim bij een dergelijke overdracht in de inkomstenbelasting behouden blijft. (…)
Met de verruiming van de faciliteit voor bedrijfsoverdracht naar broers en zusters komen de criteria van deze faciliteit enigszins dichter bij die van bedrijfsoverdracht in de inkomstenbelasting te liggen. Het is echter niet mogelijk met vrijstelling van overdrachtsbelasting over te dragen naar werknemers, zoals dat in de inkomstenbelasting wel kan. Gelet op de reeds voorgestelde wijzigingen in het Belastingplan en de wezenlijke verschillen in de verscheidene heffingswetten, wordt een verdere gelijkstelling van de faciliteiten niet opportuun geacht.”
Van grootvader verkregen?
4.7.
Het Hof is, in navolging van de Rechtbank, van oordeel dat het betoog van belanghebbende dat in feite het melkveebedrijf (in)direct van de grootvader is verkregen en dat het melkveebedrijf tijdelijk bij de oom ‘geparkeerd’ stond, feitelijke grondslag mist en daarom niet slaagt. Immers, vast staat dat het melkveebedrijf in 1983 door de grootvader alleen aan de oom is overgedragen. Het Hof merkt in dit kader nog op dat belanghebbende heeft verwezen naar de ratio van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, namelijk om bij overgang versnippering van de onderneming te voorkomen. De wetgever heeft bij de vormgeving van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, de reikwijdte van deze vrijstelling nauwkeurig en duidelijk afgebakend. Hij heeft de toepassing van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, beperkt tot de in dat artikelonderdeel genoemde personen. Gelet hierop kan naar het oordeel van het Hof niet met een beroep op de ratio van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, een ruimere uitleg worden gegeven dan met de bewoordingen van die bepaling overeenkomt.
Strijd met IVBPR/EVRM?
4.8.
Belanghebbende is van mening dat de beperking van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, in strijd is met het verbod op discriminatie, neergelegd in artikel 26 van Pro het IVBPR en artikel 14 van Pro het EVRM in verbinding met artikel 1 van Pro het EP. Bovendien is er sprake van een inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven, als bedoeld in artikel 8, lid 1, van het EVRM.
4.9.
Het Hof ziet geen aanknopingspunten om af te wijken van de hiervoor in 4.2 en 4.3 vermelde arresten. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, valt af te leiden dat door de wetgever er bewust voor is gekozen om de vrijstelling te beperken tot een specifieke groep van verkrijgers binnen een afgebakende familiekring. Dat geldt ook voor de wijziging van de vrijstelling per 1 januari 2006 waarbij de groep van verkrijgers die in aanmerking komt voor de vrijstelling is verruimd naar de broers en zusters van de ondernemer. Met deze keuze voor een afgebakende groep van verkrijgers heeft, zoals in genoemde arresten reeds is geoordeeld, de wetgever de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden. Dat per 1 januari 2003 de legitieme portie in goederen is omgezet in een vordering in geld, leidt niet tot een ander oordeel. Van strijd met het verbod op discriminatie van artikel 26 van Pro het IVBPR en artikel 14 van Pro het EVRM in verbinding met artikel 1 van Pro het EP is geen sprake. Evenmin is er sprake van een inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven, als bedoeld in artikel 8, lid 1, van het EVRM.
Evenredigheidsbeginsel
4.10.
Volgens belanghebbende is in dit geval sprake van een bijzondere omstandigheid die niet ten volle in de afweging van de wetgever is verdisconteerd aangezien er sprake is van een meer dan 200 jaar bestaand familiebedrijf dat in rechte lijn wordt voortgezet, dat steeds in rechte lijn is bestuurd en dat het risico op versnippering wordt voorkomen.
4.11.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815, het volgende geoordeeld, voor zover van belang:
“3.3.3 In het Harmonisatiewetarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het in artikel 120 van Pro de Grondwet neergelegde toetsingsverbod met zich brengt dat de rechter wetten in formele zin niet mag toetsen aan het Statuut en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Hetzelfde geldt voor toetsing aan ander ongeschreven recht. Bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling bestaat er onvoldoende aanleiding om tot een andere uitleg van het grondwettelijke toetsingsverbod te komen.
3.3.4
Wel is de rechter bevoegd een bepaling in een wet in formele zin buiten toepassing te laten indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daartoe bestaat aanleiding indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden tot gevolg hebben dat de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven.”
4.12.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:123, het volgende geoordeeld, voor zover van belang:
“4.1.3 Het middel faalt eveneens voor zover het zich richt tegen het hiervoor in 3.2.4 weergegeven oordeel van het Hof dat zich hier geen bijzondere omstandigheid voordoet die niet is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Ook dat oordeel is juist. Anders dan waarvan het middel uitgaat, is in dit verband niet relevant (i) of de wetgever de gevolgen van de wettelijke regeling voor bepaalde groepen gevallen voldoende heeft onderzocht, en evenmin (ii) of de motivering die de wetgever voor de bestreden regeling heeft gegeven, als een toereikende rechtvaardiging voor die regeling kan worden beschouwd. Geen van beide omstandigheden kan ertoe leiden dat de toepassing van een wet in formele zin achterwege moet blijven wegens strijd met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht.”
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat de wetgever zich wat betreft de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, bewust is geweest van verschillen die zich kunnen voordoen tussen de wel en niet in dat artikelonderdeel genoemde verkrijgers. Hieruit volgt dat de wetgever de gevolgen van dergelijke verschillen heeft bedoeld en voorzien. Daarom kan niet worden gezegd dat in gevallen waarin die verschillen zich voordoen, sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dat is niet anders bij de verschillen die zich voordoen in een geval als het onderhavige. Er bestaat daarom geen aanleiding de wettelijke regeling van artikel 15, lid 1, letter b, van de WBR, in dit geval wegens strijd met algemene rechtsbeginselen en/of ander ongeschreven recht buiten toepassing te laten.
Belastingrente
4.14.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht en/of de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. A.E Keulemans en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 10 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen. In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. A.E. Keulemans.
(H. de Jong) (A.E. Keulemans)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.