Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 mei 2025.
Hoge Raad
In deze zaak vordert de verweerder schadevergoeding wegens een knieverwonding die hij op een familiefeest zou hebben opgelopen door toedoen van eiser. De strafzaak tegen eiser wegens zware mishandeling was nog lopende. De civiele rechter stelde vast dat eiser de stellingen onvoldoende had betwist en wees de vordering toe. Het hof bekrachtigde dit oordeel.
Eiser stelde in cassatie dat het onverenigbaar is met het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro) dat de civiele rechter feiten als vaststaand aanmerkt terwijl hij ontkennende verdachte is in de strafzaak. Ook klaagde hij dat de civiele procedure ambtshalve had moeten worden aangehouden.
De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de civiele regels van stelplicht en bewijslast ook gelden als dezelfde feiten in een strafzaak spelen. De civiele rechter mag feiten als vaststaand aannemen als deze onvoldoende zijn betwist, behoudens bijzondere omstandigheden. De positie van verdachte kan wel meewegen bij de beoordeling van de mate van betwisting.
Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat civiele procedures niet automatisch worden opgeschort vanwege een lopende strafzaak over hetzelfde feitencomplex.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de civiele rechter feiten als vaststaand mag aannemen bij onvoldoende betwisting, ook als dezelfde feiten in een lopende strafzaak spelen.