Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
3 maart 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het gerechtshof ten onrechte de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf had toegewezen, terwijl deze vordering in eerste aanleg te laat was betekend. De vordering betrof de overtreding van de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig mocht maken aan een strafbaar feit gedurende de proeftijd, zoals bedoeld in artikel 14c lid 1 Sr.
De rechtbank had de vordering in eerste aanleg behandeld in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman en vervolgens de tenuitvoerlegging gelast. De Hoge Raad bevestigt dat de beslissing op een dergelijke vordering deel uitmaakt van het vonnis en dat het hoger beroep zich mede tot die vordering moet uitstrekken.
De verdediging stelde dat de te late betekening in eerste aanleg ertoe zou moeten leiden dat de vordering in hoger beroep niet ter beoordeling lag. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin ook bij nietigheid van de oproeping de vordering in hoger beroep beoordeeld kon worden.
Het beroep van de verdachte werd daarom verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.