Conclusie
1.De zaak
2.Het oordeel van het hof
(…)
(…)
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam dat de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 90 dagen. De vordering tot tenuitvoerlegging werd ingediend na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, en betekend tijdens een onderbreking van de inhoudelijke behandeling. De verdediging klaagde over de te late betekening van de vordering.
Het hof oordeelde dat de vordering tijdig was ingediend bij de griffie en dat de betekening, hoewel na aanvang van de inhoudelijke behandeling, niet te laat was omdat de wet geen termijnenregeling kent. De verdachte was samen met zijn raadsman aanwezig bij de zitting waar de vordering werd uitgereikt en had daarna meerdere dagen om zich voor te bereiden. De verdediging voerde geen verzoek tot aanhouding in verband met de late betekening.
De Hoge Raad bevestigt dat de oproeping en betekening van de vordering behoorlijk moeten zijn, maar stelt dat de te late betekening in dit geval niet heeft geleid tot een ondeugdelijke behandeling. De verdachte was bekend met de vordering, erkende de overtreding van de algemene voorwaarde en voerde verweer. Er is geen sprake van schending van het recht op een behoorlijke verdediging. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gelaste tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen.