Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging en motivering van de gegeven vrijspraak
3.Wettelijk kader en wetsgeschiedenis
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Slotsom
6.Beslissing
2 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van mensenhandel met betrekking tot een 16-jarig meisje. Het hof oordeelde dat verdachte het meisje ertoe had gebracht zich beschikbaar te stellen voor prostitutie door haar foto's te laten maken en advertenties te plaatsen, maar dat het ontbreken van daadwerkelijke seksuele handelingen tussen het meisje en derden een bewezenverklaring in de weg stond.
De Hoge Raad analyseerde de wettelijke bepalingen van art. 273f lid 1 sub 5 Sr en de wetsgeschiedenis, waarbij werd vastgesteld dat deze bepaling minderjarigen beschermt zonder de eis van dwang, in tegenstelling tot andere onderdelen van art. 273f Sr. De Hoge Raad stelde dat uitbuiting geen impliciet bestanddeel is van deze bepaling, anders dan bij sub 3 en 4, en dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat uitbuiting vereist was.
De Hoge Raad bevestigde dat het enkel beschikbaar stellen van een minderjarige voor seksuele handelingen zonder dat deze handelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, niet automatisch duidt op uitbuiting. De zaak werd vernietigd en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt vrijspraak en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling zonder eis van bewezen seksuele handelingen.