ECLI:NL:PHR:2019:681

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2019
Publicatiedatum
24 juni 2019
Zaaknummer
17/05322
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 359 SvArt. 415 SvRichtlijn 2011/36/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor mensenhandel met minderjarige prostituee met oogmerk van uitbuiting

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot zestien maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, wegens mensenhandel met een minderjarige. Het hof stelde vast dat de verdachte de minderjarige had vervoerd, gehuisvest en gefaciliteerd in haar prostitutiewerk met het oogmerk daarvan te profiteren, wat het oogmerk van uitbuiting inhoudt zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid, Sr.

De verdediging voerde aan dat het oogmerk van uitbuiting niet bewezen kon worden omdat er geen sprake was van onvrijwilligheid of onderwerping, en dat de verdachte geen voordeel had getrokken uit de prostitutie. Het hof verwierp deze verweren en baseerde zich op diverse bewijsmiddelen, waaronder WhatsApp-berichten waaruit blijkt dat de verdachte en het slachtoffer het hadden over gezamenlijke inkomsten en dat de verdachte geld ontving van het slachtoffer.

De Hoge Raad bevestigde dat het begrip uitbuiting in het geval van minderjarigen niet vereist dat sprake is van dwang of misleiding, en dat het oogmerk van uitbuiting kan worden aangenomen indien de verdachte het handelen met het doel heeft om te profiteren van de prostitutie van de minderjarige. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is en verwierp het cassatieberoep.

De strafmaat werd passend geacht gezien de ernst van het feit, de duur van de betrokkenheid, de aard van de handelingen en het beperkte voordeel. Het hof nam ook het reclasseringsadvies mee en legde bijzondere voorwaarden op. De Hoge Raad vond dat het hof voldoende had gereageerd op het strafmaatverweer van de verdediging.

De uitspraak benadrukt de bijzondere bescherming van minderjarigen tegen mensenhandel en prostitutie en bevestigt dat het faciliteren en profiteren van prostitutiewerk door minderjarigen strafbaar is, ook zonder dat dwang of misleiding is aangetoond.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot zestien maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, wegens mensenhandel met een minderjarige met oogmerk van uitbuiting.

Conclusie

Nr. 17/05322
Zitting: 2 juli 2019
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 13 oktober 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens “mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder 2°, 5° en 8° omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaard, een en ander zoals in het arrest omschreven.
Namens de verdachte heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel klaagt dat het bewezenverklaarde “oogmerk van uitbuiting” niet uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het oordeel van het hof daaromtrent niet zonder meer begrijpelijk is.
4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij in periode van 21 december 2013 tot en met 7 maart 2014 te Amsterdam en te Zaandijk, een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1996)
(sub 2)
heeft vervoerd, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en
(sub 5)
ten aanzien van die [slachtoffer] enige handeling heeft ondernomen waarvan hij dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar heeft gesteld tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en
(sub 8)
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
immers heeft hij, verdachte
- die [slachtoffer] een zolderkamer in de [a-straat 1] ter beschikking gesteld voor het ontvangen van klanten met betrekking tot de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer] en
- die [slachtoffer] gefaciliteerd in haar prostitutiewerkzaamheden door de hoeveelheid condooms en glijmiddel, aan te vullen en haar met de prostitutiewerkzaamheden verdiende geld in een kluis van zijn, verdachtes, vader te laten bewaren en
- die [slachtoffer] , terwijl zij aan hem, verdachte, had aangegeven buikpijn te hebben, geïnstrueerd om haar prostitutieklant toch binnen te laten en die klant niet te laten gaan en
- die [slachtoffer] heeft geïnstrueerd hoe zij om moest gaan met haar prostitutieklanten en wat zij tegen hen moest zeggen en
- accounts met daarop een seksadvertentie op naam van " [slachtoffer] " en/of " [slachtoffer] ", zijnde de werknamen van die [slachtoffer] aangevuld op een of meer sekssites te weten www.kinky.nl en/of www.sexjobs.nl en op die seksadvertentie(s) een foto van die [slachtoffer] geplaatst en die [slachtoffer] de ingangscode van die sekssite(s) gegeven en
- in het pand, althans dicht bij de locatie verbleven waar die [slachtoffer] haar seksklanten ontving en
- die [slachtoffer] gecontroleerd tijdens haar prostitutiewerkzaamheden door haar tijdens haar werkzaamheden te bellen en app-berichten te sturen.”
5. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van twintig in de bijlage bij het bestreden arrest opgenomen bewijsmiddelen. Voorts heeft het hof ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen (met voetnoten):

“Bewijsoverwegingen

Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van ‘sub 2 ’De raadsvrouw heeft betoogd dat geen sprake is geweest van een uitbuitingssituatie en dat ook het oogmerk van uitbuiting — zoals in de tenlastelegging onder het kopje ‘sub 2’ is opgenomen — niet kan worden bewezen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat uitbuiting een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping veronderstelt, waarbij de uitbuitingssituatie inbreuk maakt op fundamentele mensenrechten. Het geheel van handelingen van de uitbuiter moet erop gericht zijn om de keuzemogelijkheden van het slachtoffer dermate in te perken, dat het slachtoffer geen andere mogelijkheid ziet dan zich te onderwerpen aan de wensen van de uitbuiter, aldus de raadsvrouw. Nu het dossier daartoe onvoldoende bewijsmiddelen bevat, het oogmerk van de verdachte niet op uitbuiting gericht is geweest en ook [slachtoffer] ontkent dat daarvan sprake is geweest, dient de verdachte volgens de raadsvrouw van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van ‘sub 8 ’Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte nimmer voordeel – zoals in de tenlastelegging onder het kopje ‘sub 8’ is opgenomen – heeft getrokken uit de prostitutiewerkzaamheden van de verdachte. De verdachte ontkent dit en ook [slachtoffer] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat zij geen verdiensten aan de verdachte afstond.
Standpunt van het openbaar ministerieDe advocaat-generaal heeft betoogd dat zowel ten aanzien van ‘sub 2’ als van ‘sub 8’ sprake is van voldoende bewijs. De raadsvrouw gaat ten onrechte ervan uit dat in deze casus, met een minderjarige, vastgesteld moet worden dat sprake was van onvrijwilligheid of onderwerping alvorens van uitbuiting kan worden gesproken.
Oordeel en overwegingen van het hofDe opvatting van de raadsvrouw, dat het in artikel 273f, eerste lid, aanhef onder 2, Sr opgenomen oogmerk van uitbuiting veronderstelt dat sprake moet zijn van een situatie waarin de minderjarige onvrijwillig dan wel in onderwerping zich inlaat met prostitutie, vindt geen steun in het recht.
Artikel 273f Sr biedt juist aan de minderjarige bijzondere bescherming, omdat niet de eis geldt dat pas bij gebruik van dwangmiddelen tot strafbaarheid kan worden gekomen. Dat de handelingen zoals opgenomen in artikel 273f, eerste lid, aanhef onder 2, Sr — ook zonder dat sprake is van enige vorm van dwang – leiden tot strafbaarheid, vloeit voort uit Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan.
In deze Richtlijn – die basis vormt voor de meeste recente wijzigingen in artikel 273f Sr – is in artikel 2, vijfde lid, bepaald dat de in artikel 2, eerste lid, genoemde handelingen zoals het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van personen ook als mensenhandel strafbaar zijn als zij betrekking hebben op kinderen, ook al is geen van de in het eerste lid vermelde middelen – dreiging met of gebruik van geweld, andere vormen van dwang, ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen – gebruikt. Artikel 2, zesde lid van de Richtlijn bepaalt dat elke persoon beneden de leeftijd van 18 jaar als “kind” of “minderjarige” is aan te merken.
Artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ziet, voor zover thans van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaren oud is. Deze bepaling is niet beperkt tot uitbuiting in de prostitutie, maar ziet op alle intermenselijke relaties waarbij uitbuiting van een minderjarige aan de orde is. Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid, Sr - voor zover thans van belang - is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting’.
Uit de wetsgeschiedenis ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 273f, eerste lid, aanhef en onder 5 respectievelijk 8 Sr, vloeit voort dat de wetgever voor ogen heeft gehad om handelen dat kan worden aangemerkt als het een ander brengen tot prostitutie als die ander minderjarig is (onder 5) en het profiteren van prostitutiewerk van een ander als die ander minderjarig is (onder 8), aan te merken als uitbuiting van die minderjarige.
Omtrent het oogmerk van uitbuiting overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen — anders dan de raadsvrouw heeft betoogd – kan worden afgeleid dat de verdachte dit het oogmerk heeft gehad om te profiteren van de prostitutie van de minderjarige [slachtoffer] , en dat hij ook daadwerkelijk voordeel heeft getrokken uit de door hem gefaciliteerde prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] .
De verdachte, die heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft ondersteund en beschermd bij haar prostitutiewerk [1] , heeft in Whats App berichten van 6 en 7 januari 2014 aan [slachtoffer] geschreven ‘
Laten we een 500 maken vandaag met God’s wil’en nadat [slachtoffer] hem appt: ‘
Ik ga veel neuken deze maand’heeft hij gereageerd met: ‘
We kunnen makkelijk een 10:000 maken deze maand’. Voorts heeft de verdachte naar [slachtoffer] geappt:
‘(...) we als nog goed verdienden als we gelijk waren begonnen’ [2] . Het hof is van oordeel dat uit voornoemde berichten kan worden afgeleid dat de verdachte en [slachtoffer] het hebben over gezamenlijke inkomsten. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij van [slachtoffer] geld voor boodschappen kreeg [3] . [slachtoffer] heeft dat bevestigd en verklaard dat zij de verdachte af en toe € 50,00 gaf om goede boodschappen te kunnen doen. Zij gaf hem weleens ‘wat lekkers’. Daarmee bedoelde zij geld. Daarnaast heeft [slachtoffer] een auto voor de verdachte en zichzelf gekocht. Zelf had [slachtoffer] geen rijbewijs, de verdachte reed de auto [4] .
Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte de minderjarige [slachtoffer] heeft vervoerd, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk haar te faciliteren in haar prostitutiewerk en met het oogmerk daarvan te profiteren. Het oogmerk van de verdachte is dan ook op uitbuiting in de zin van artikel 273f, eerste lid, aanhef onder 2, Sr gericht geweest en hij heeft voordeel getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer] , in de zin van artikel 273f, eerste lid, aanhef onder 8, Sr.”
6. De tenlastelegging is onder meer toegesneden op art. 273f, eerste lid onder 2°, Sr, zodat de in de bewezenverklaring voorkomende woorden “oogmerk van uitbuiting” moeten worden geacht te zijn gebezigd in de aldaar bedoelde zin. Art. 273f Sr luidde, voor zover hier van belang, gedurende de in de tenlastelegging vermelde periode (en luidt thans nog):
“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:
1° […];
2° degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
3° […];
4° […];
5° degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling beschikbaar te stellen dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen of zijn organen tegen betaling beschikbaar stelt, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
6° […];
7° […];
8° degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling of de verwijdering van diens organen tegen betaling, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
9° […].
2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten.”
7. Hij die opzettelijk voordeel trekt uit door een minderjarige tegen betaling verrichte seksuele handelingen is schuldig aan mensenhandel op de grond van art. 273f, eerste lid onder 8°, Sr. Brengt een verdachte het minderjarige slachtoffer ertoe zich tot het verrichten van seksuele handelingen beschikbaar te stellen, dan vallen zijn gedragingen binnen het bereik van art. 273f, eerste lid onder 5°, Sr, ongeacht of de verdachte van de seksuele handelingen voordeel heeft getrokken. Tegen de veroordeling ter zake van deze twee onderdelen van het wetsartikel, richt het middel zich niet.
8. Het middel komt enkel op tegen de veroordeling wegens de in het tweede onderdeel omschreven gedragingen (ad 2°). Dit onderdeel bevat het bestanddeel “uitbuiting”. Daarop moet het oogmerk zijn gericht. Het middel stelt naar aanleiding van ’s hofs bewijsvoering de vraag aan de orde of het faciliteren in en het ondersteunen van prostitutiewerkzaamheden van een minderjarige alsmede het trekken van enig profijt uit de prostitutie van een minderjarige ook reeds (oogmerk van) uitbuiting als bedoeld in het tweede onderdeel van art. 273f, eerste lid, Sr opleveren.
9. Het samengestelde delictsbestanddeel “oogmerk van uitbuiting” vereist ten aanzien van de uitbuiting van het slachtoffer een zwaardere vorm van opzet dan voor de overige delictsbestanddelen van art. 273f, eerste lid onder 2°, Sr heeft te gelden. Niet nodig is dat de uitbuiting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. [5] Evenmin is hier voorwaarde dat de verdachte het slachtoffer in de uitbuitingssituatie – een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep – heeft gebracht. [6] Waar het om gaat is dat het handelen van de verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk (en dus door hem gewild) gevolg meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit. [7] Wat onder uitbuiting moet worden verstaan, definieert de wet niet, anders dan door opsomming van een aantal vormen van uitbuiting in art. 273f, tweede lid, Sr, waaronder “seksuele uitbuiting”. [8] Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat de vraag of — en, zo ja, wanneer — sprake is van uitbuiting in de zin van art. 273f Sr zich niet in algemene termen laat beantwoorden, maar sterk is verweven met de omstandigheden van het geval. In dat verband komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. [9] Uitdrukkelijk geldt daarbij dat in geval van minderjarige slachtoffers de beoordeling van deze en andere factoren anders kan uitvallen dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is. [10] Bij weging van dergelijke factoren geldt in het kader van arbeidsuitbuiting dat de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven voor tewerkstelling als referentiekader dienen te worden gehanteerd. [11] In de wetsgeschiedenis van de voorloper van art. 273f Sr, te weten art. 250ter (oud) Sr, wordt de opvatting gehuldigd dat in de sfeer van seksuele dienstverlening sprake is van “misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht”, wanneer de prostitué(e) in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren, welke situatie de minister ook wel aanduidde als een “uitbuitingssituatie”. [12] Ook te dien aanzien zijn de in Nederland gebruikelijke omstandigheden waaronder deze specifieke vorm van arbeid wordt verricht dus een zeker referentiepunt.
10. Waar het gaat om de prostitutie van een minderjarige, doet zich evenwel de vraag voor in hoeverre kan worden toegekomen aan een waardering van de omstandigheden van het voorliggende geval, zoals de kwetsbaarheid van het individuele slachtoffer, de (arbeids)omstandigheden waaronder de seksuele diensten werden verleend, de mate van onvrijheid van het slachtoffer en het financieel gewin aan de kant van de verdachte.
11. Alvorens op die kwestie in te gaan, maak ik een uitstapje naar onderdeel 5° van art. 273f, eerste lid, Sr. Anders dan in onderdeel 2° ontbreekt in onderdeel 5° het samengestelde delictsbestanddeel “oogmerk van uitbuiting”. In het arrest van HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1823,
NJ2018/402 was aan de orde de rechtsvraag of “uitbuiting” impliciet als bestanddeel in onderdeel 5° dient te worden ingelezen. In de aan dit arrest voorafgaande conclusie komt mijn ambtgenoot Spronken met een beroep op de wetsgeschiedenis en de strekking van art. 273f Sr – die in het bijzonder minderjarigen wil beschermen tegen het verrichten van sekswerk – tot de slotsom dat evenals in de onderdelen 3° en 4° [13] in onderdeel 5° “uitbuiting” impliciet bestanddeel is. Naar haar mening kan het brengen tot prostitutie van minderjarigen, ook als daarbij geen vorm van dwang of misleiding wordt gebruikt, als een situatie van uitbuiting worden beschouwd, alleen al vanwege de omstandigheid dat in zijn algemeenheid kan worden aangenomen dat aan de exploitatie van prostitutie van minderjarigen misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht inherent is. “Eigenlijk komt het erop neer dat bij het prostitueren van minderjarigen er per definitie sprake is van uitbuiting en dat is iets anders dan dat uitbuiting geen impliciet bestanddeel van onderdeel 5° is”, aldus Spronken. De Hoge Raad oordeelt echter kort en krachtig dat “uitbuiting” geen impliciet bestanddeel van onderdeel 5° is:
“Art. 273f, eerste lid aanhef en onder 5°, Sr strekt ter bescherming van minderjarigen. Om die reden ontbreekt daarin ook de eis van het uitoefenen van dwang, welke eis wel wordt gesteld in art. 273f, eerste lid aanhef en onder 4°, Sr (vgl. HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1174, NJ 2014/292) en beperkt het zich tot, kort gezegd, het ertoe brengen van een minderjarige zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en het beschikbaar stellen van zijn organen tegen betaling, alsmede tot het ondernemen van handelingen waardoor een minderjarige daartoe overgaat. Dit in aanmerking genomen en mede gelet op de onder 3.2 weergegeven wetsgeschiedenis – waarin onder meer is opgemerkt dat in het algemeen aan de exploitatie van prostitutie van minderjarigen misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht inherent is – is er, anders dan geldt ten aanzien van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3° en 4°, Sr (vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315 en HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314), geen grond 'uitbuiting' naast de overige bestanddelen aan te merken als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 5°, Sr.”
12. Deze overweging van de Hoge Raad kan mijns inziens op twee manieren worden uitgelegd. In de eerste plaats kan het zijn dat de Hoge Raad, gelet op het belang om minderjarigen in de hier bedoelde zin te beschermen, “geen grond” ziet om uitbuiting als impliciet bestanddeel aan te merken omdat hij (anders dan de A-G) van oordeel is dat prostitutie van een minderjarige niet in alle gevallen en dus niet op zichzelf reeds zonder meer “uitbuiting” oplevert. Inherent misbruik is in geval van onderdeel 5° voldoende om de kwalificatie ‘mensenhandel’ te rechtvaardigen en daarom behoort in dit verband de additionele strafbaarheidsvoorwaarde van uitbuiting op geen enkele wijze te worden gesteld. Anders gezegd: het een minderjarige ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot prostitutie, ook als daarbij geen sprake is van uitbuiting, dient (reeds) als mensenhandel in de zin van onderdeel 5° te worden aangemerkt. De aangehaalde overweging van de Hoge Raad zou echter – en in de tweede plaats – ook anderszins begrepen kunnen worden, en wel in die zin dat uitbuiting in het verlengde van het “misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht” aan de prostitutie van een minderjarige inherent is. In dat geval zou de Hoge Raad met het oordeel dat “geen grond” aanwezig is om een impliciet bestanddeel aan te nemen, bedoeld kunnen hebben te zeggen dat de in zijn rechtspraak in het kader van de onderdelen 3° en 4° genoemde argumenten om een impliciet bestanddeel aan te nemen, in de context van onderdeel 5° geen betekenis hebben. De redenering luidt in deze lezing immers dat de grond om uitbuiting als een impliciet bestanddeel in de onderdelen 3° en 4° aan te nemen, is gelegen in de noodzaak de delictsomschrijving van ‘mensenhandel’ te beperken tot gedragingen die deze kwalificatie en het bijbehorende strafmaximum billijken. Dan is het in de context van onderdeel 5° zinloos en onnodig, dat wil zeggen overbodig, om “uitbuiting” als impliciet bestanddeel in te lezen, aangezien (en dit correspondeert weer met de opvatting van A-G Spronken) de vervulling van de overige delictsbestanddelen per definitie uitbuiting in zich sluit. Zo bezien is er geen aanleiding een impliciet bestanddeel in onderdeel 5° te aanvaarden.
13. Zou deze tweede interpretatie van de overweging van de Hoge Raad in de onderhavige zaak worden gevolgd, dan is het cassatiemiddel terstond kansloos. Als al het een minderjarige ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot prostitutie [14] uitbuiting impliceert, dan volstaat voor het bewijs van het in art. 273f, eerste lid onderdeel 2°, Sr voorkomende delictsbestanddeel “oogmerk van uitbuiting” dat uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte – bestaande uit het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en/of opnemen van de minderjarige –, naar de verdachte moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de minderjarige door hem tegen betaling seksuele handelingen zou verrichten of zou kunnen verrichten. Het bewijs daarvoor kan uit de bewijsvoering van het hof zonder meer worden afgeleid.
14. Volgt men in casu de eerste uitleg en heeft de Hoge Raad aldus het bewijs van art. 273f, eerste lid onder 5°, Sr niet willen bezwaren met een impliciet bestanddeel dat aan deze vorm van mensenhandel een aanvullende eis zou stellen, dan is het bewijs van prostitutie door een minderjarige (c.q. deze ertoe brengen zich daartoe beschikbaar te stellen) kennelijk op zichzelf niet
zonder meervoldoende voor uitbuiting en rijst derhalve in het kader van art. 273f, eerste lid onder 2°, Sr de vraag wat voor de vervulling van het bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting meer nodig is dan louter (oogmerk op) de prostitutie van de minderjarige (c.q. deze ertoe brengen zich daartoe beschikbaar te stellen).
15. Ervan uitgaande dat de prostitutie van een minderjarige op zichzelf niet
per definitieuitbuiting oplevert, wordt bij de beoordeling van de vraag óf van oogmerk tot uitbuiting sprake is, de waardering van de omstandigheden van het geval wel in overwegende mate ingekleurd door de – in het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2018 tot uitgangspunt genomen – opvatting van de wetgever dat “in het algemeen aan de exploitatie van prostitutie van minderjarigen misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht inherent is”. Zowel de kwetsbare positie van het slachtoffer als de vrijheidsbeperkingen die de activiteit voor het slachtoffer hebben meegebracht, zijn immers in die beoordeling te betrekken factoren. Het hof heeft daarnaast uitvoerig gemotiveerd uit welke omstandigheden het afleidt dat de verdachte economisch voordeel trok uit het prostitutiewerk van het slachtoffer. Op grond hiervan concludeert het hof dat de verdachte het slachtoffer “heeft vervoerd, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk haar te faciliteren in haar prostitutiewerk en met het oogmerk daarvan te profiteren”.
16. Het op deze vaststellingen en waarderingen gebaseerde oordeel dat de verdachte derhalve heeft gehandeld met “oogmerk van uitbuiting” getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat de bewijsmiddelen onder meer inhouden dat de verdachte en het slachtoffer een relatie met elkaar hadden [15] en dat het slachtoffer eerst daarna aan de verdachte vertelde dat zij in de prostitutie werkte. Evenmin staat aan een bewezenverklaring in de weg dat volgens het hof niet is gebleken van dwang of bijzonder slechte werkomstandigheden. Ten slotte is geen belemmering dat het vast te stellen voordeel dat de verdachte daadwerkelijk heeft getrokken, beperkt is. Niet zozeer van belang is immers in hoeverre uitbuiting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en dus ook niet in hoeverre werkelijk economisch voordeel is getrokken. Relevante factor is of het oogmerk van de verdachte op dat (in dit geval: substantiëler) gewin was gericht. [16]
17. Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
18. Het tweede middel klaagt over schending van art. 359, tweede lid, Sv in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv doordat het hof niet zou hebben gereageerd op een door de raadsvrouw gevoerd strafmaatverweer.
19. Het hof heeft ten aanzien van de op te leggen straf, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de bij de verdachte in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd om de in beslag genomen voorwerpen verbeurd te verklaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte is gedurende een periode van ongeveer zeven weken betrokken geweest bij de prostitutie door een minderjarige. Hij heeft haar prostitutiewerk gefaciliteerd door een zolderkamer ter beschikking te stellen waar zij haar prostitutiewerk kon uitoefenen. Meermalen heeft de verdachte haar instructies gegeven over hoe zij om moest gaan met prostitutieklanten en wat zij tegen hen moest zeggen, en tegen haar gezegd een klant binnen te laten en niet te laten gaan ondanks dat zij buikpijn had. Ook heeft de verdachte accounts op sekssites voor haar aangevuld, foto’s geplaatst en haar de inlogcode gegeven. Ook heeft de verdachte de minderjarige gecontroleerd tijdens haar prostitutiewerkzaamheden door haar tijdens die werkzaamheden te bellen en te appen en heeft hij haar opgehaald van de locatie waar zij haar prostitutiewerk uitoefende. De verdachte heeft van de opbrengsten van het prostitutiewerk geprofiteerd, door geld van haar te accepteren en te profiteren van de door haar van het verdiende geld aangeschafte boodschappen en auto.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van een minderjarige. Het faciliteren en bevorderen van prostitutiewerk door een minderjarige draagt bij aan het in stand houden van een onmiskenbaar verwerpelijke vorm van seksuele commercie, die onder alle omstandigheden verboden is.
Het gegeven dat de betrokken minderjarige heeft verklaard dat het haar eigen keuze is geweest om door middel van prostitutie geld te verdienen maakt de strafwaardigheid van het handelen van de verdachte niet minder. Op enigerlei wijze bevorderen en/of profiteren van prostitutie door minderjarigen is te meer strafwaardig, omdat een minderjarige, ook als er geen sprake is van dwang of misleiding, geacht worden onvoldoende in staat te zijn de gevolgen van een beslissing om zich te prostitueren te overzien en daarnaar te handelen.
De verdachte heeft door van de opbrengst van het prostitutiewerk van de minderjarige te profiteren er blijk van gegeven zijn eigen behoefte aan materieel gewin voorop te stellen, met voorbijgaan aan de schadelijke positie waarin de minderjarige komt te verkeren, en aan haar belangen.
Bij de vaststelling van de ernst van het door de verdachte begane feit heeft het hof acht geslagen op de aard van de feitelijke handelingen van de verdachte, de omvang en indringendheid van zijn initiatieven, de duur van de prostitutiesituatie en de omvang van het profijt van de verdachte. In dit verband stelt het hof vast dat niet is gebleken dat de verdachte enige druk op de minderjarige heeft uitgeoefend of haar beslissing om zich te prostitueren op andere wijze heeft beïnvloed dan door haar daartoe de gelegenheid te bieden, haar te helpen bij het werven van klanten en in de buurt te zijn als zij haar werk verrichtte. Deze situatie heeft een relatief korte periode voortgeduurd. De omvang van het profijt is, voor zover die valt vast te stellen, beperkt gebleven. Het hof weegt, evenals de rechtbank, strafverzwarend mee dat de verdachte ook nadat de politie op 7 januari 2014 de minderjarige in de zolderkamer had aangetroffen, nog is doorgegaan met het faciliteren en profiteren van haar prostitutiewerkzaamheden.
Uit het uittreksel justitiële documentatie van 15 september 2017 blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, hetgeen in zijn voordeel weegt.
Het hof heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van 26 september 2017. De reclassering noemt als risicofactoren de financiële problematiek en een gebrek aan coping-vaardigheden van de verdachte. De reclassering ziet ten opzichte van 2015 een vooruitgang, omdat de verdachte meer inzicht en probleembesef lijkt te hebben en intern gemotiveerd lijkt te zijn om een delict-vrij leven op te bouwen.
Een beschermende factor daarbij is het contact met zijn moeder. Op basis van de risicofactoren adviseert de reclassering om – bij bewezenverklaring van het feit – een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een gedragsinterventie gericht op het vergroten van de coping-vaardigheden. Een behandeling bij De Waag is geïndiceerd. De reclassering wil het aan de toezichthouder overlaten om nader te onderzoeken of en wanneer deze behandeling daadwerkelijk ingezet zou moeten worden. Het hof neemt dit deel van het advies van de reclassering over en zal daarom de hierna te melden bijzondere voorwaarden opleggen.
Redelijke termijn[...]
Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het hof een straf hebben opgelegd van achttien maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest, een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden.
Al het voorgaande afwegende, acht het hof een gevangenisstraf van zestien maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest, een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden passend en geboden.”
20. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2017 heeft de raadsvrouw van de verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities. Deze pleitnotities vangen aan met de opmerking dat de verdachte in hoger beroep is gekomen omdat hij de door de rechtbank opgelegde straf te hoog vindt. Het pleidooi bevat daarnaast een vijftal pagina’s tellend betoog dat betrekking heeft op de straftoemeting (p. 7-11). Dit betoog heeft de titel “Strafmaat waar dient bij de strafoplegging rekening mee te worden gehouden?”. Daarop volgen vier genummerde onderdelen, waarmee de raadsvrouw kennelijk de in de titel geformuleerde vraag wil beantwoorden, te weten: (1) overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep; (2) een straftoemetingsbulletin in het tijdschrift
Tremadat betrekking heeft op met de onderhavige zaak vergelijkbare strafopleggingen; (3) de als bijlage toegevoegde uitspraken van het hof in de zaken tegen medeverdachten, waarin het hof tot een lagere straf komt dan door de rechtbank was opgelegd omdat het hof anders dan de rechtbank niet bij de strafoplegging betrekt dat er aanwijzingen zijn dat de verdachten deel uitmaken van een grotere groep jonge mannen die zich al langer bezig houdt met de uitbuiting van minderjarige meisjes; en (4) de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het betoog sluit af met de conclusie dat een straf passend is, waarvan een gedeelte voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden is en het onvoorwaardelijk gedeelte niet hoger uitkomt dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Subsidiair wordt aangevoerd dat de verdachte bereid en in staat is een taakstraf te verrichten.
21. Dit verweer is bezwaarlijk anders te verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Met zijn in randnummer 1. vermelde beslissing tot oplegging van een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf is het hof van dit standpunt afgeweken. In de hiervoor in randnummer 19. weergegeven overwegingen heeft het hof evenwel daartoe in het bijzonder de redenen opgegeven. Daarmee heeft het hof voldaan aan de uit art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv voortvloeiende responsieplicht, die niet inhoudt dat de rechter is gehouden op ieder detail van de argumentatie (afzonderlijk) te reageren. [17] Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, was het hof niet gehouden het onderdeel (3) van het verweer dat ziet op de arresten in zaken tegen medeverdachten, als een separaat uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op te vatten en daarop afzonderlijk te reageren. Het kennelijke oordeel van het hof dat dit betoog deel uitmaakt van een omvangrijker strafmaatverweer, is niet onbegrijpelijk.
Afronding
22. Het middel, dat klaagt dat het hof heeft verzuimd op het strafmaatverweer te reageren, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
23. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 28 oktober 2014, bewijsmiddel 3.
2.Een proces-verbaal met nummer PL135D-2014006155 van 9 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant], doorgenummerde pagina’s Z 1 08 3-13, bewijsmiddel 9.
3.Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 31 maart 2015, bewijsmiddel 2.
4.Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 18 augustus 2014, opgemaakt door mr. F.P. Geelhoed, rechtercommissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam en de griffier, bewijsmiddel 8.
5.HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7097, HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099,
6.HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7097 en HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099,
7.Zie voor deze omschrijving van het delictsbestanddeel “oogmerk” bijv. HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1031,
8.Vgl. HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:39,
9.Aldus: HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554,
10.Zie HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309,
11.HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099,
12.Zie MvT,
13.Zie HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309,
14.En dan dus uiteraard ook (verdergaand) het prostitueren zelf.
15.In het algemeen valt bepaald niet uit te sluiten dat een verdachte juist om die reden een relatie met het minderjarige slachtoffer aanknoopt.
16.In zoverre zijn de door het hof tot het bewijs gebezigde WhatsApp berichten voor het bewijs van “uitbuiting” van meer gewicht dan de verklaringen van de verdachte en het slachtoffer over geld voor de boodschappen.
17.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,