Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van circa 2300 hennepplanten en 2370 gram henneptoppen in een bedrijfspand te Goor. De bewijsmiddelen bestonden uit politieprocessen-verbaal, getuigenverklaringen, en een positieve test op THC van monsters uit de kwekerij.
Het hof oordeelde dat verdachte en zijn medeverdachte samen over de sleutels van het pand beschikten, er op de dag van de inval aanwezig waren, en dat een van hen spontaan meldde dat er hennep werd geteeld. De verdachte had bovendien meerdere keren het pand bezocht en reed met een auto die aan zijn familie toebehoorde. De sterke hennepgeur en de omvang van de kwekerij werden vastgesteld.
In cassatie stelde de verdachte dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd, maar de Hoge Raad verwierp dit middel. Het hof had de feiten zorgvuldig gewogen en een redelijk alternatief scenario ontbrak. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte medepleger was van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep.
Het beroep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep wordt bevestigd.