ECLI:NL:HR:2010:BM7365
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingsrente bij late oplegging voorlopige aanslag door inspecteur
Belanghebbende verzocht op 12 juli 2007 om een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) op te leggen naar aanleiding van een omvangrijke bate uit de verkoop van een kantoorpand. De inspecteur legde de voorlopige aanslag pas op 27 december 2007 op en bracht heffingsrente in rekening over de periode van 1 juli tot en met 27 december 2007.
Na bezwaar werd de heffingsrente verminderd tot de periode van 1 juli tot en met 12 oktober 2007, drie maanden na het verzoek. Het Hof stelde de termijn verder terug tot 15 augustus 2007, oordelend dat de inspecteur onvoldoende voortvarend had gehandeld en het zorgvuldigheidsbeginsel was geschonden.
De Hoge Raad oordeelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet verhindert dat heffingsrente wordt berekend over een periode van drie maanden na het verzoek om een voorlopige aanslag. Er bestaat geen wettelijke verplichting of beleidsregel die de inspecteur dwingt eerder dan drie maanden een aanslag op te leggen. De termijn van drie maanden wordt als redelijk beschouwd, ook bij omvangrijke bedragen en herhaalde verzoeken.
De uitspraak van het Hof wordt vernietigd en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De zaak wordt afgedaan zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat heffingsrente over een periode van drie maanden na het verzoek om een voorlopige aanslag terecht in rekening wordt gebracht.