ECLI:NL:HR:2010:BM0891
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over grond voor gedwongen ontheffing ouder uit ouderlijk gezag
In deze zaak stond de vraag centraal of de bereidheid van de moeder om zich niet tegen de uithuisplaatsing van haar kind te verzetten, een voldoende grond kan zijn om geen gedwongen ontheffing uit het ouderlijk gezag uit te spreken. De moeder was door de rechtbank en het gerechtshof ontheven uit het ouderlijk gezag. Zij stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissingen.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie, met name het arrest van 4 april 2008, en overwoog dat de klachten van de moeder niet tot cassatie konden leiden. De Raad zag geen aanleiding om de eerdere beslissingen te vernietigen, mede omdat de klachten niet leidden tot rechtsvragen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het cassatieberoep werd daarom verworpen. De Hoge Raad bevestigde hiermee de rechtmatigheid van de beslissing tot ontheffing van de moeder uit het ouderlijk gezag, ondanks haar bereidheid om zich niet tegen de uithuisplaatsing te verzetten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de ontheffing uit het ouderlijk gezag wordt bevestigd.