ECLI:NL:PHR:2010:BM0891
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gedwongen ontheffing ouderlijk gezag ondanks bereidheid moeder tot acceptatie uithuisplaatsing
In deze zaak staat de gedwongen ontheffing van het ouderlijk gezag van een moeder over haar dochter centraal. De dochter is sinds 2001 onder toezicht gesteld en sinds 2004 uit huis geplaatst in een zorginstelling. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht ontheffing van het gezag vanwege ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar opvoedplicht te vervullen.
De rechtbank wees het verzoek af omdat de moeder bereid was haar dochter tot haar achttiende in de zorginstelling te laten opgroeien. Het hof stelde echter dat deze bereidheid niet voldoende is om ontheffing te weigeren en kende het verzoek toe. De moeder stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad overwoog dat de bereidheid van de ouder om het kind in het pleeggezin te laten opgroeien weliswaar in de beoordeling moet worden betrokken, maar niet zonder meer een beletsel vormt voor gedwongen ontheffing. Het hof heeft de juiste maatstaf toegepast en gelet op alle omstandigheden geoordeeld dat de gronden voor ontheffing aanwezig zijn en het belang van het kind zich niet tegen ontheffing verzet.
De klachten van de moeder dat het hof zaken denatureerde of onjuiste elementen betrok, werden verworpen. Ook de stelling dat er sprake is van stabiliteit en toekomstperspectief werd niet gevolgd, mede vanwege de onzekerheid die de jaarlijkse verlenging van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing meebrengt.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de gedwongen ontheffing uit het ouderlijk gezag blijft in stand.