Belanghebbende, woonachtig in Duitsland en werkzaam als fiscaal adviseur, stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat hij voor de jaren 2013 en 2014 recht had op zelfstandigenaftrek en dat hij niet premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. Tevens betwistte hij de toepassing van interne compensatie door de inspecteur en vorderde hij een hogere proceskostenvergoeding.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij het urencriterium voor zelfstandigenaftrek had behaald, mede vanwege wisselende verklaringen over het uurtarief en het ontbreken van een sluitende urenregistratie. Betalingen aan een derde partij werden niet als zakelijke lasten erkend, omdat vaststond dat bedragen van een derdengeldenrekening onrechtmatig waren gebruikt.
Verder bevestigde het hof dat de inspecteur interne compensatie mocht toepassen ondanks dat een pensioen aan Duitsland was toegewezen. Belanghebbende was premieplichtig in Nederland omdat hij een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte. Voor de jaren 2018 en 2019 ontbrak procesbelang omdat belanghebbende een hogere aanslag wenste. Verzoeken om immateriële schadevergoeding en kostenvergoeding in de bezwaarfase werden afgewezen. Het hof verklaarde zich onbevoegd om over schadevergoeding te oordelen en veroordeelde partijen niet in proceskosten.