ECLI:NL:GHSHE:2026:401

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
24/872
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 2 Wet BPMArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag BPM wegens onvoldoende schadeaftrek en niet aannemelijk ex-rental waardevermindering

Belanghebbende deed BPM-aangifte voor een bijna nieuwe auto met lage kilometerstand en bracht op basis van een taxatierapport een schadeaftrek van 100% in mindering. De inspecteur liet een hertaxatie uitvoeren waarbij slechts 72% van de schade als waardevermindering werd erkend, wat leidde tot een naheffingsaanslag. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het hof bevestigt deze uitspraak.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de schadeaftrek volledig (100%) dan wel gedeeltelijk (72%) moet worden toegepast en of een waardevermindering wegens ex-rental status van de auto kan worden meegenomen. Het hof oordeelt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een hogere schadeaftrek dan 72%, mede omdat het taxatierapport geen overtuigende onderbouwing bevat en belanghebbende erkent dat de auto veel gebruikssporen heeft.

Ten aanzien van de ex-rental waardevermindering stelt het hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto daadwerkelijk een ex-rental is en dat dit leidt tot een waardevermindering. De enkele verwijzing naar een post in het schaderapport over afleverkosten ex-huurauto is onvoldoende. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag BPM met toepassing van de 72%-regel en zonder waardevermindering wegens ex-rental.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/872
Uitspraak op het hoger beroep van
N.V. [belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 22 mei 2024, nummer BRE 23/1294, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting en personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 16 september 2021 BPM aangifte gedaan ter zake van de registratie van een [merk auto] , met voertuigidentificatienummer [nummer] (verder: de auto) naar een te betalen bedrag aan BPM van € 7.641.
2.2.
Bij de aangifte heeft belanghebbende een taxatierapport van de auto gevoegd, opgesteld door Waardetaxaties.nl op 16 september 2021. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade berekend van € 6.275. Datzelfde bedrag heeft belanghebbende in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat.
2.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door DRZ. De hertaxateur heeft schade aan de auto geconstateerd tot een bedrag van € 1.274. Daarvan heeft hij een bedrag van € 917 (72%) in aanmerking genomen als waardevermindering. Naar aanleiding van die hertaxatie heeft de inspecteur op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 8.766. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag van € 1.550 opgelegd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500, tot vergoeding van de proceskosten in beroep van € 218,75 en tot het betalen van het griffierecht van € 365.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. In het bijzonder spelen daarbij de volgende vragen:
I. Dient de schade aan de auto volledig (voor 100%) of deels (voor 72%) in mindering te
worden gebracht op de handelsinkoopwaarde?
II. Dient een waardevermindering in aanmerking te worden genomen omdat de auto een ex-
rental is?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de uitspraak op bezwaar, de handelsinkoopwaarde vast te stellen op € 28.751 (volledige schadeaftrek en ex-rental correctie), de verschuldigde BPM vast te stellen op € 8.321 en de naheffingsaanslag te verminderen tot € 1.105 en de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de schade aan de auto, zoals vastgesteld door DRZ, € 1.274 bedraagt.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Algemeen
4.1.
Belanghebbende heeft voor het bepalen van de afschrijving als bedoeld in artikel 10, lid 2, Wet BPM gebruik gemaakt van een taxatierapport. Daarbij wordt in eerste instantie een waarde vastgesteld aan de hand van een koerslijst en vervolgens wordt daarop een bedrag aan waardevermindering als gevolg van schade in aftrek gebracht. Dit systeem is toegestaan. [1]
Toepassing van de 72%-regeling
4.2.
De klacht van belanghebbende is gericht tegen toepassing van de 72% norm. Zij stelt kort gezegd dat de schade voor 100% in mindering moet komen omdat Bijlage 1 bij het Uitvoeringsreglement BPM deze mogelijkheid biedt. Ook blijkt uit de grafiek bij de brief van de staatssecretaris van 17 oktober 2014 dat in een aantal gevallen recht bestaat op 100% waardevermindering. Reeds hierom komt hem een beroep toe op 100% waardevermindering, want dat is de meest gunstige benadering die gelet op artikel 110 VWEU Pro gevolgd moet worden.
Voorts is in het taxatierapport duidelijk gemotiveerd waarom 100% schadeaftrek is toegepast. Daar komt bij dat de auto pas vier maanden oud is en weinig kilometers (9.805 km) heeft gereden. Herstel met nieuwe onderdelen naar nieuwstaat is dan redelijk. Belanghebbende wijst voorts in zijn hogerberoepschrift op de door de Hoge Raad gegeven rechtvaardiging van de 72%-regel in HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1273 en stelt:
“De Hoge Raad vindt in dit arrest een rechtvaardiging in de ‘72%-regel’ door te stellen dat ook gebruiksschades als gevolg van normaal gebruik worden verwijderd bij het herstellen van de auto. Aanname is hier echter dat de auto gebruikssporen heeft. Er zijn echter auto’s die geen of nauwelijks gebruikssporen hebben waardoor een hoger schadeaftrek dus gerechtvaardigd is. Denk aan auto’s die vrij jong zijn, weinig kilometers hebben gereden, enzovoort. Auto van belanghebbende valt, gezien de leeftijd en kilometerstand, in een dergelijke bijzondere situatie. De auto van belanghebbende zal geen of nauwelijks gebruikssporen hebben, de rechtvaardiging van de ‘72%-regel’ gaat in dit geval dan ook niet op.”
Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd zijn standpunt toegelicht en daarbij deels een ander standpunt ingenomen. Hij heeft verklaard dat de auto wel degelijk veel gebruikssporen heeft, maar dat die juist hersteld moeten worden omdat een auto die nog zo nieuw is en zo weinig kilometers heeft gereden niet geacht wordt stevige gebruikssporen te hebben. Daarom moeten die hersteld worden naar de nieuwwaarde en geldt de 100%-regel. Als de auto ouder is dan breng je de auto in een betere staat bij 100%, maar dat is volgens belanghebbende hier niet zo.
4.3.
De inspecteur stelt zich kort gezegd op het standpunt dat in het taxatierapport helemaal geen nieuwe onderdelen zijn gecalculeerd en dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast.
4.4.
Het hof overweegt dat in de bijlage bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Uitv.reg. BPM) is bepaald:
“3.5 De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.”
4.5.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende onvoldoende heeft onderbouwd waarom de schade voor 100%, dan wel voor meer dan 72%, in mindering moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Dat uit Bijlage 1 bij het Uitvoeringsreglement BPM of uit de brief van de staatssecretaris van 17 oktober 2014 blijkt dat
de mogelijkheidbestaat van een 100% aftrek, ontslaat belanghebbende niet van zijn bewijsplicht waarom dat concreet in dit geval voor de betreffende [merk auto] zou gelden. Artikel 110 WVEU Pro verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling, mede gelet op de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs. [2]
Evenmin acht het hof het taxatierapport op dit punt overtuigend. Integendeel, het taxatierapport vermeldt dat de schadevermindering 100% van de gecalculeerde schade moet zijn “omdat de in de fotorapportage vastgelegde gebruikssporen niet in de bijbehorende schadecalculatie zijn opgenomen en omdat de in de fotorapportage geconstateerde schade in verschillende gradaties van herstel is opgenomen in de bijbehorende schadecalculatie.”
Indien de taxateur meent dat de waardevermindering van de auto hoger is dan de norm van 72% dient dit gemotiveerd te worden aangegeven en gestaafd met een deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal. Dat is hier niet het geval. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die rechtvaardigen dat een hoger deel van de schade dan 72% in mindering kan worden gebracht. Het argument van belanghebbende dat 100% waardevermindering geïndiceerd is omdat de auto veel gebruikssporen heeft terwijl die slechts een paar maanden oud is en weinig kilometers heeft gereden, kan haar evenmin baten. Nu belanghebbende uitdrukkelijk erkent dat de auto juist veel gebruikssporen heeft (hetgeen overigens ook wordt vermeld in het taxatierapport van belanghebbende), heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de auto als praktisch nieuw heeft te gelden en dient te worden hersteld naar nieuwstaat. Juist door de vele gebruikssporen zal bij het herstel van de schade een deel van de gebruikssporen verdwijnen en de auto dus in een betere staat komen te verkeren. Dat dat in dit geval niet op zou gaan, heeft belanghebbende niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt.
4.6.
Concluderend is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de waardevermindering wegens schade niet op een hoger bedrag dan 72% van die schade moet worden gesteld.
Waardevermindering wegens ex-rental
4.7.
Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte de waardevermindering op grond van het ex-rentalverleden van de auto heeft afgewezen. De verwijzing van de rechtbank naar Hoge Raad 2 februari 2024, [3] is onjuist omdat het in die zaak ging om een waardevermindering bij toepassing van de koerslijstmethode. In de onderhavige zaak is echter de taxatiemethode gevolgd, reden waarom de koerslijst slechts een uitgangspunt is. Belanghebbende beroept zich in dit verband op Hoge Raad 17 november 2023. [4] De auto is in korte tijd intensief gebruikt door meerdere gebruikers. De auto heeft ook opvallend veel krassen en andere beschadigingen voor een auto met deze leeftijd en kilometerstand. Omdat de auto een ex-rentalverleden heeft, dient er een waardevermindering van € 1.182 te worden toegepast op de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst van AutolexPro. Belanghebbende verwijst daarvoor naar het schaderapport van de taxateur. Omdat de koerslijst van AutotelexPro geen variabele kent voor een ex-rental, moet volgens belanghebbende de handelsinkoopwaarde met € 1.182 worden verminderd.
4.8.
De inspecteur beroept zich er vooreerst op dat belanghebbende deze grief ondubbelzinnig heeft prijs gegeven omdat hij zich heeft neergelegd bij de door DRZ vastgestelde schade. Daarnaast betwist de inspecteur dat sprake is van een huurverleden, het alleen verwijzen naar een buitenlands kentekenbewijs is daartoe onvoldoende. Subsidiair betwist de inspecteur dat sprake is van een intensief huurverleden en dat dat mee zou brengen dat het huurverleden van de auto in dit geval een waardeverminderend aspect is. Daar is geen onderbouwing van en ook een inkoopfactuur of verkoopfactuur waaruit zulks zou kunnen blijken is niet overgelegd. Voorts vermeldt het taxatierapport niet dat sprake is van een waardevermindering vanwege een huurverleden maar wordt in het schaderapport enkel melding gemaakt van afleverkosten klaar maken ex-huurauto.
4.9.
Het hof stelt voorop dat het feit dat belanghebbende uitgaat van de waardevermindering door schade zoals die door DRZ is vastgesteld, niet betekent dat hij daarmee niet meer een beroep kan doen op waardevermindering wegens het huurverleden van de auto. Van het prijsgeven van een grief is pas sprake als belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud terugkomt op een eerder ingenomen standpunt. Nu waardevermindering wegens het huurverleden een wezenlijk ander aspect betreft dan alleen de vaststelling van de schade, kan niet gezegd worden dat belanghebbende, door zich neer te leggen bij de door DRZ vastgestelde schade, daarmee ook uitdrukkelijk afstand heeft genomen van zijn standpunt met betrekking tot het huurverleden van de auto.
4.10.
In de door belanghebbende genoemde uitspraak van 17 november 2023 [5] heeft de Hoge Raad beslist dat bij toepassing van de taxatiemethode voor een gebruikte schade-auto de taxateur mede gebruik kan maken van een koerslijst om de handelsinkoopwaarde te bepalen. Daarbij geldt de in die koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts als een uitgangspunt. Daarop mogen waardedrukkende kenmerken en eigenschappen wegens bijvoorbeeld meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken in aanmerking worden genomen voor zover zij niet in de koerslijst zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn. [6] De Hoge Raad oordeelde in deze zaak, waarin de gebruikte koerslijst niet de variabele “ex-rental” kende, dat het verhuurverleden van de auto in kwestie een waardedrukkend effect had waarmee de taxateur bij het bepalen van de afschrijving van de personenauto rekening mocht houden.
4.11.
Het hof is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op Hoge Raad 17 november 2023 haar niet kan baten. Weliswaar kan wanneer een koerslijst niet de variabele ex-rental kent onder omstandigheden inderdaad rekening worden gehouden met het waardedrukkende aspect van een ex-rental, maar dat ontslaat belanghebbende niet van de verplichting om aannemelijk te maken dat de betreffende auto een ex-rental is, dat die eigenschap in casu de waarde vermindert en voorts hoe groot die waardedaling concreet is.
Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het bij de onderhavige auto inderdaad om een ex-rental gaat, rechtvaardigt het enkele gegeven dat een gebruikte auto een verhuurverleden heeft, mede gelet op de betwisting door de inspecteur, niet zonder meer de conclusie dat er dan sprake is van meer dan normale gebruiksschade. [7] Dit klemt temeer daar de auto circa vijf maanden oud was en een lage kilometerstand (circa 10.000 km) had. Belanghebbende heeft niet met facturen of andere bescheiden onderbouwd dat het gestelde huurverleden van de auto bij in- of verkoop heeft geleid tot een waardevermindering, hetgeen wel op zijn weg had gelegen.
Belanghebbende stelt voorts dat de taxateur een bedrag van € 1.182 als schadevermindering wegens het zijn van een ex-rental auto in aanmerking heeft genomen en verwijst daarvoor naar de vermelding in het schaderapport van de post “afl. klaar maken ex-huurauto”. Het hof kan belanghebbende hierin niet volgen. De post “afl. klaar maken ex-huurauto” met specificatie van arbeidstijd en materiaalkosten ziet op afleverkosten van de auto en staat op de schadecalculatie. Deze post kan naar het oordeel van het hof niet dienen ter bepaling van de waardevermindering van een ex-rental. De waardevermindering van een ex-rental dient te worden berekend door de actuele handelswaarde te vergelijken met een soortgelijk voertuig dat door een particulier is gereden en dus niet diende voor verhuur. Het taxatierapport vermeldt daar echter niets over. Gelet hierop is de gestelde waardevermindering niet aannemelijk gemaakt.
4.12.
De stelling van belanghebbende ten slotte dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij een huurauto altijd sprake is van een waardevermindering, is door de inspecteur gemotiveerd betwist. Belanghebbende heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Het hof is van oordeel dat het geen feit van algemene bekendheid is dat het hebben van een huurverleden per definitie leidt tot waardevermindering van de auto. Dat betekent dat de bewijslast bij belanghebbende blijft liggen.
4.13.
De conclusie is dat belanghebbende onvoldoende heeft onderbouwd dat het huurverleden van de auto leidt tot waardevermindering. Deze grief slaagt dus niet.
Tussenconclusie
4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J.C.E. Ackermans-Wijn, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers J.C.E. Ackermans-Wijn
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2822.
2.Vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
5.Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1499.
6.Hoge Raad 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3 en Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
7.Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022, 640.