ECLI:NL:GHSHE:2025:3547

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
24/1593 tot en met 24/1596
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslagen loonheffingen en verzoeken om schadevergoeding door belanghebbende

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 10 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van belanghebbende B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2024. De rechtbank had eerder de beroepen van belanghebbende gegrond verklaard met betrekking tot naheffingsaanslagen loonheffingen over oktober en november 2020, maar het hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen en de daaropvolgende rentebeschikkingen en boetebeschikkingen. De inspecteur had de naheffingsaanslagen ambtshalve verminderd tot nihil, maar belanghebbende stelde dat zij schade had geleden door het onrechtmatig handelen van de Belastingdienst. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd voor haar schadeclaim en dat het beroep op betalingsonmacht niet gehonoreerd kon worden. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. De zitting vond plaats op 23 oktober 2025, waarbij belanghebbende niet aanwezig was, en het hof motiveerde de afwijzing van het uitstelverzoek. De beslissing is openbaar uitgesproken en afschriften zijn op dezelfde datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1593 tot en met 24/1596
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 september 2024, nummers BRE 22/1201, 22/1205, 22/5351 en 22/5352, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de ontvanger van de Belastingdienst,
hierna: de ontvanger.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft naheffingsaanslagen loonheffingen over de maanden oktober 2020 en november 2020 opgelegd (hierna: de naheffingsaanslagen). Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikkingen) en zijn bij beschikkingen verzuimboeten opgelegd (hierna: de boetebeschikkingen). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen ambtshalve verminderd tot nihil.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het uitblijven van een beslissing van de inspecteur op het bezwaar tegen de boetebeschikkingen.
1.4.
De ontvanger heeft aanmaningskosten in rekening gebracht en tevens vervolgingskosten in verband met het betekenen van het dwangbevel tot betaling van de boetebeschikkingen en de aanmaningskosten. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.5.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het uitblijven van een beslissing van de ontvanger op het bezwaar tegen de aanmaningskosten en (direct) beroep tegen de vervolgingskosten.
1.6.
De ontvanger heeft lopende de beroepsprocedure uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. Tevens is aan belanghebbende een dwangsom toegekend.
1.7.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.
1.8.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur en de ontvanger hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.
1.9.
De zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 3] , en, namens zowel de inspecteur als de ontvanger, [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is niemand verschenen. Op deze zitting zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1590, 24/1591, 24/1592, 24/1597 en 24/1598 tot en met 24/1605.
1.10.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.11.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de beslissing van de ontvanger waarbij de aanmaningskosten zijn verminderd naar nihil gehandhaafd, de boetebeschikkingen verminderd naar nihil, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bepaald dat de ontvanger het griffierecht van € 365 aan belanghebbende dient te vergoeden.
2.2.
Belanghebbende heeft op 30 november 2024 verzocht om ontheffing van betaling van het griffierecht in de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24/1590, 24/1591, 24/1592, 24/1597 en 24/1598 tot en met 24/1605. Bij brief van 29 januari 2025 is dit verzoek bij voorlopige beslissing van het hof afgewezen.
2.3.
Belanghebbende heeft bij bericht van 21 augustus 2025 verzocht om uitstel van de zitting van 23 oktober 2025. Dit uitstelverzoek is bij bericht van 10 september 2025 afgewezen. In dat bericht is vermeld dat de afwijzing ter zitting en/of in de uitspraak zal worden gemotiveerd.
2.4.
Belanghebbende heeft op 12 oktober 2025 een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer van het hof heeft dit wrakingsverzoek bij beslissing van 16 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van belanghebbende niet in behandeling wordt genomen.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft de rechtbank mogen beslissen om de behandeling van de zaken ter zitting van 12 juli 2024, in afwezigheid van belanghebbende, te laten plaatsvinden en, zo nee, zijn de daarmee samenhangende uitspraken daardoor ongeldig?
Heeft de rechtbank voldoende gelegenheid geboden aan belanghebbende om het beroep op betalingsonmacht te onderbouwen en, zo nee, dient het hof die tekortkoming te herstellen?
Heeft belanghebbende een (proces)belang bij haar stelling dat zij (alsnog) per 1 januari 2007 moet worden afgevoerd voor de loonbelasting?
Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de Belastingdienst bij het opleggen van alle naheffingsaanslagen loonheffingen in de jaren 2020 en 2021?
Heeft de rechtbank ten onrechte niet (ambtshalve) een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep toegekend, onder vergoeding van het griffierecht en te vermeerderen met rente en kosten?
Heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten om (ambtshalve) vast te stellen het aan belanghebbende toekomende recht op betaling van de dwangsommen wegens het niet (tijdig) doen van uitspraken op bezwaar en de inspecteur/ontvanger te veroordelen tot betaling daarvan en, zo ja, dient het hof dat in hoger beroep (alsnog) te doen, onder vergoeding van het griffierecht en te vermeerderen met rente en kosten?
Heeft belanghebbende recht op toekenning van een proceskostenvergoeding wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en voor overige kosten (verletkosten, reiskosten, afdruk- en kopieerkosten en andere kantoorkosten), te vermeerderen met de wettelijke rente voor de procedure bij de rechtbank?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot – naar het hof begrijpt – toekenning van een (immateriële) schadevergoeding, vaststelling van dwangsommen, vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht, toekenning van een proceskostenvergoeding wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, toekenning van een proceskostenvergoeding voor overige kosten (verletkosten, reiskosten, afdruk- en kopieerkosten en andere kantoorkosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
De inspecteur en de ontvanger concluderen primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
Afwijzing van het beroep op betalingsonmacht
4.1.
Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan met betrekking tot het voor de hoger beroepsprocedure verschuldigde griffierecht. De griffier van het hof heeft hierin geen aanleiding gezien van heffing van het griffierecht af te zien. Vervolgens heeft belanghebbende het griffierecht betaald.
4.2.
De omstandigheid dat het griffierecht is betaald staat niet in de weg aan de beoordeling van het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht. [1]
4.3.
Het beroep op betalingsonmacht wordt gehonoreerd als de vereiste actuele gegevens en bewijsstukken en eventuele nadere informatie binnen de daartoe gestelde termijn zijn ontvangen en op grond daarvan aannemelijk is dat sprake is van betalingsonmacht doordat (i) het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan (vanaf 1 januari 2021) 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, ongeacht de gezinssamenstelling van de rechtzoekende, en verder (ii) dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij dienen het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. Het gaat hier om het inkomen en vermogen in de periode tussen het moment dat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en het einde van de voor de betaling ervan gestelde termijn. [2]
4.4.
Op grond van de door belanghebbende overgelegde documenten acht het hof niet aannemelijk dat belanghebbende en zijn fiscale partner niet beschikken over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Het hof is wijst daarom het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht af.
Afwijzing van het uitstelverzoek
4.5.
Bij de onder 2.3. vermelde brief heeft belanghebbende verzocht om uitstel van de zitting van 23 oktober 2025. Aangezien belanghebbende niet ter zitting is verschenen, zal het hof in de uitspraak motiveren waarom het uitstelverzoek is afgewezen. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat om gewichtige redenen om uitstel is verzocht. Belanghebbende heeft ook niet voldaan aan het verzoek om aan te geven op welke data hij wel beschikbaar is voor een zitting. Integendeel, belanghebbende heeft juist verzocht om uitstel voor onbepaalde tijd. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het belang van de voortgang van de zaken en het belang van de wederpartij (het algemene belang van een doelmatige rechtsgang) zwaarder wegen dan belanghebbes belang om op zitting te worden gehoord en heeft het verzoek om de zitting te verdagen dan ook afgewezen. Ook in hetgeen in het wrakingsverzoek staat heeft het hof geen aanleiding gezien om de zitting alsnog uit te stellen. Van massale behandeling van zaken is geen sprake, omdat, zoals op 7 mei 2025 is medegedeeld aan belanghebbende, voor het merendeel van de zaken slechts de ontvankelijkheid aan de orde komt, en slechts de onderhavige zaken en de zaak 24/1592 inhoudelijk zullen worden behandeld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
4.6.
Het hof ziet zich – gelet op het primaire standpunt van de inspecteur en de ontvanger – allereerst voor de vraag gesteld of er nog procesbelang bij de voorliggende procedure in hoger beroep bestaat. Met het op nihil stellen van de naheffingsaanslagen, rente- en boetebeschikkingen en de aanmanings- en vervolgingskosten is immers volledig aan belanghebbendes bezwaren tegemoetgekomen. Dit betekent dat de hoger beroepen, ongeacht de gronden waarop het steunt, belanghebbende niet (meer) in een betere positie kunnen brengen met betrekking tot de bestreden besluiten. [3] De belastingrechter dient dan in beginsel over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring. Het hiervoor overwogene lijdt echter uitzondering indien een belang bij een oordeel van de rechter over de gegrondheid van het hoger beroep blijft bestaan met het oog op een vordering tot schadevergoeding. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de belanghebbende stelt dat hij als gevolg van de bestreden besluiten ook afgezien van de proceskosten schade heeft geleden. [4] Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij schade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van de Belastingdienst bij het opleggen van de naheffingsaanslagen. Het hof begrijpt dat belanghebbende het niet eens is met het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.5. van de uitspraak waarin niet aannemelijk wordt geacht dat en tot welk bedrag schade is geleden door belanghebbende door de handelwijze van de Belastingdienst met betrekking tot (onder meer) de naheffingsaanslagen. Dit betekent dat belanghebbende een procesbelang heeft en dat niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep achterwege dient te blijven.
Ten aanzien van het geschil
4.7.
Het hof overweegt met betrekking tot de door belanghebbende aangevoerde stellingen als volgt.
4.7.1.
Ten aanzien van vraag a, de omstandigheid dat de rechtbank de zaken van belanghebbende in haar afwezigheid heeft behandeld, merkt het hof het volgende op. De gemachtigde van belanghebbende heeft in zijn brief aan de rechtbank van 9 juli 2024 aangegeven dat hij niet in staat is om deel te nemen aan de mondelinge behandeling ter zitting van de rechtbank. Dit is ook de reden dat in diezelfde brief om aanhouding van de zaken (voor onbepaalde tijd) wordt verzocht. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen en in rechtsoverweging 2. tot en met 2.3. van de uitspraak gemotiveerd waarom het uitstelverzoek is afgewezen. Die motivering komt erop neer dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er tijdig en om gewichtige redenen om uitstel is verzocht. Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om aanhouding voor onbepaalde tijd, hetgeen in de weg staat aan een doelmatige procesgang. Hieruit blijkt dat de rechtbank een afweging heeft gemaakt van het belang van (de gemachtigde van) belanghebbende persoonlijk aanwezig te zijn en de redenen waarom dat niet mogelijk is tegenover het algemeen belang van een doelmatige procesgang. De rechtbank heeft daarbij het belang van een doelmatige procesgang terecht zwaarder laten wegen. Het hof is van oordeel dat de rechtbank het juiste beoordelingskader heeft toegepast en de afwijzing van het verzoek om aanhouding toereikend heeft gemotiveerd.
4.7.2.
.Ten aanzien van vraag b stelt het hof vast dat het beroep op betalingsonmacht door de rechtbank is afgewezen en dat het griffierecht bij de rechtbank tijdig door belanghebbende is betaald. Het hof vindt in het dossier geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van enige tekortkoming van de zijde van de rechtbank bij de beoordeling van het beroep op betalingsonmacht.
4.7.3.
Ten aanzien van vraag c is niet toegelicht door belanghebbende wat het belang is van het met terugwerkende kracht tot 1 januari 2007 afvoeren van belanghebbende voor de loonbelasting en welke gevolgen belanghebbende aan deze stelling verbindt voor de onderhavige zaak in hoger beroep. Aangezien het hof procesbelang aanwezig acht (zie onder 4.6.), ziet het hof niet in wat het belang is van belanghebbende bij deze stelling. De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof terecht geen aanleiding gezien de inspecteur te gebieden belanghebbende per 1 januari 2007 af te voeren voor de loonbelasting.
4.7.4.
Ten aanzien van vraag d stelt het hof vast dat belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur alle opgelegde (naheffings)aanslagen loonheffingen over de jaren 2020 en 2021 diende te overleggen. Deze behoren volgens belanghebbende tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan belanghebbende en aan de rechter dient over te leggen. Het hof is van oordeel dat belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de door haar genoemde stukken van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. [5] Dit betekent dat het betoog van belanghebbende dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, wordt verworpen.
4.7.5.
De rechtbank heeft ten aanzien van vraag e het volgende overwogen:

Schadevergoeding wegens onrechtmatige daad
4.4.
Belanghebbende heeft gesteld dat zij reeds vanaf 2007 nihilaangiften voor de loonbelasting heeft gedaan omdat zij vanaf dat moment geen personeel meer in dienst had. Hierover heeft zij in 2010 vragen beantwoord. Desondanks bleef de Belastingdienst belanghebbende ook daarna lastigvallen met de verplichting tot het doen van aangifte loonbelasting. Vanaf januari 2020 ging de Belastingdienst er bovendien toe over om iedere maand voor astronomische bedragen naheffingsaanslagen loonbelasting op te leggen en over de maanden oktober en november 2020 ook boetes en vervolgingsmaatregelen. Door deze onrechtmatige gedragingen van de Belastingdienst is belanghebbende geschaad en zij verzoekt de rechtbank om de aansprakelijkheid van de Belastingdienst voor die schade vast te stellen. De rechtbank overweegt als volgt.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet louter een aansprakelijkheid voor schade kan uitspreken. Wel kan zij op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, indien het beroep gegrond wordt verklaard en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. De rechtbank zal het verzoek van belanghebbende aanmerken als een verzoek om schadevergoeding in de zin van artikel 8:73 van de Awb. In dit geval is sprake van gegronde beroepen zodat recht kan bestaan op een schadevergoeding. Dat recht bestaat echter alleen, indien en voor zover belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat er schade is geleden en bewijs heeft geleverd van de hoogte van de schade. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat en tot welk bedrag er schade is geleden door de handelwijze van de Belastingdienst met betrekking tot de boeten en de aanmaningskosten over de maanden oktober en november 2020. De rechtbank merkt daarbij op dat slechts over die zaken wordt geprocedeerd, zodat ook slechts over daarop betrekking hebbende schade geoordeeld kan worden. Het verzoek van belanghebbende wordt afgewezen.”
Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne. Dat wat in hoger beroep door belanghebbende is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, omdat belanghebbende in hoger beroep evenmin heeft toegelicht welke schade zij als gevolg van de bestreden besluiten heeft geleden. Hierbij merkt het hof op dat het niet aan het hof is om aan belanghebbende mede te delen welke gegevens dienen te worden verstrekt ter onderbouwing van haar verzoek om schadevergoeding. Het is aan belanghebbende, als meest gerede partij daartoe, om dit te onderbouwen.
4.7.6.
Ten aanzien van vraag f merkt het hof op dat uiterlijk op de zitting om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden verzocht. [6] Deze regel lijdt slechts uitzondering indien de redelijke termijn ten tijde van de zitting nog niet was verstreken en eerst verstrijkt na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak. [7] Het hof stelt vast dat belanghebbende niet uiterlijk ter zitting van de rechtbank heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade. De situatie waarin de redelijke termijn ten tijde van de zitting nog niet was verstreken en eerst verstrijkt na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak, heeft zich in deze zaak niet voorgedaan. Gelet hierop heeft de rechtbank reeds hierom terecht geen vergoeding van immateriële schade toegekend en was daar ook niet ambtshalve toe gehouden. Overigens was de redelijke termijn ten tijde van de uitspraak van de rechtbank nog niet overschreden.
4.7.7.
Ten aanzien van vraag g stelt het hof vast dat de ontvanger aan belanghebbende kennelijk de maximale dwangsom van € 1.442 heeft toegekend. Dit is door de rechtbank ook vastgesteld in rechtsoverweging 4.1. van de uitspraak. De verschuldigdheid van een dwangsom wordt gelet op artikel 4:18 Awb bij beschikking vastgesteld. Voor zover belanghebbende de (hoogte van de) dwangsom betwist, stelt het hof vast dat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen de dwangsombeschikking – die zich overigens ook niet in het dossier bevindt – en evenmin in eerste aanleg gronden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat het beroep zich mede richt tegen de dwangsombeschikking. Toepassing van 4:19 Awb vereist dat het dwangsombesluit (expliciet) wordt betwist. [8] Voor zover belanghebbende pas voor het eerst in hoger beroep de dwangsombeschikking betwist, is belanghebbende naar het oordeel van het hof niet-ontvankelijk. [9] Het hof ziet ook geen aanleiding om vast te stellen dat aan belanghebbende een recht op betaling van die dwangsom toekomt, dan wel dat dit zou moeten leiden tot vergoeding van het griffierecht en/of het vergoeden van (wettelijke) rente. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de ontvanger zijn betalingsverplichting ter zake van deze dwangsom niet is nagekomen, dient belanghebbende zich te wenden tot de civiele rechter.
4.7.8.
Ten aanzien van vraag h merkt het hof op dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is (geweest) van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ten aanzien van de overige kosten, merkt het hof op dat niet uiterlijk op de zitting van de rechtbank is verzocht om vergoeding daarvan en ook overigens niet is onderbouwd welke kosten redelijkerwijs zouden zijn gemaakt. Het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding, acht het hof daarom juist.
4.8.
Alles afwegende kan hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd niet leiden tot een gegrond hoger beroep.
Tussenconclusie
4.9.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.10.
Er is geen reden voor een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb omdat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard. Voor een vergoeding van immateriële schade is evenmin reden, omdat de redelijke termijn voor berechting van de zaak in hoger beroep niet is overschreden.
Ten aanzien van het griffierecht
4.11.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.12.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A.S. van Middelkoop L.B.M. Klein Tank
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, r.o. 2.3.1.
2.Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, r.o. 2.2.4.
3.Vgl. Hoge Raad van 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.
4.Hoge Raad 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988, r.o. 3.5.4 en Hoge Raad 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0655, r.o. 3.3.
5.Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823.
6.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.1 en 3.13.2.
7.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2.
8.Zie o.a. de uitspraken ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290 en ABRvS 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:247.
9.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1210.