ECLI:NL:GHSHE:2025:3453

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
23/1883 tot en met 23/1889
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die op 15 december 2023 een beroep gegrond verklaarde tegen een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd door de inspecteur van de Belastingdienst. De inspecteur had een naheffingsaanslag opgelegd en een belastingrente in rekening gebracht, waarop belanghebbende bezwaar maakte. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag te hoog was en dat belanghebbende recht had op een hogere vergoeding voor de kosten van bezwaar. In hoger beroep heeft het hof de zaak behandeld, waarbij belanghebbende stelde dat de naheffingsaanslag onterecht was en dat er meer rekening gehouden moest worden met schade aan de auto’s. Het hof heeft de taxatierapporten van zowel belanghebbende als de inspecteur beoordeeld en geconcludeerd dat de door belanghebbende gepresenteerde schade als normale gebruiksschade moet worden aangemerkt. Het hof heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd, maar enkel voor wat betreft de beslissing over de kosten van bezwaar, en heeft de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vastgesteld. Het hof heeft de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het geding bij het hof en het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1883 tot en met 23/1889
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 december 2023, nummers BRE 22/1484 tot en met BRE 22/1490, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna BPM) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op verschillende data aangifte gedaan ter zake van de registratie in het kentekenregister van onderstaande auto’s (hierna: de auto’s):
Nummer
Merk
Model
VIN eindigend op
Kenteken
1
Ford
Focus
[VIN-nummer 1]
[kenteken 1]
2
Mercedes-Benz
C-klasse
[VIN-nummer 2]
[kenteken 2]
3
Audi
A6
[VIN-nummer 3]
[kenteken 3]
4
Audi
Q7
[VIN-nummer 4]
[kenteken 4]
5
Audi
Q7
[VIN-nummer 5]
[kenteken 5]
6
Audi
SQ5
[VIN-nummer 6]
[kenteken 6]
7
Audi
Q7
[VIN-nummer 7]
[kenteken 7]
2.2.
De verschuldigde BPM is telkens berekend op basis van de taxatiemethode waarbij 72% van de getaxeerde schade in mindering is gebracht. Alle taxaties zijn uitgevoerd door [A BV]
2.3.
De inspecteur heeft de auto’s geselecteerd voor een controle door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Auto 1 tot en met 6 zijn door belanghebbende ter hertaxatie aangeboden bij DRZ. Auto 7 is niet ter hertaxatie aangeboden.
2.4.
De naheffingsaanslag is (na bezwaar) als volgt berekend:
2.5.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij beschikking van 22 februari 2022 met betrekking tot auto’s 4 en 5 verminderd in verband met toepassing van artikel 16a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Wet BPM). De rechtbank heeft met betrekking tot auto 7 geoordeeld dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dan er meer schade op de auto aanwezig was dan waar de inspecteur vanuit was gegaan. De naheffingsaanslag is na de uitspraak van de rechtbank als volgt opgebouwd:
Auto 1
€ 763
Auto 2
€ 294
Auto 3
€ 888
Auto 4
€ 173
Auto 5
€ 345
Auto 6
€ 1.309
Auto 7:
€ 825
Totaal:
€ 4.597
2.6.
op 24 maart 2022 heeft de inspecteur een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 538.
2.7.
De rechtbank heeft een vergoeding van immateriële schade toegekend van € 500, waarvan 2/6e deel ten laste van de inspecteur komt en 4/6e deel ten laste van de Minister van Justitie en Veiligheid. Tevens heeft de rechtbank de inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden en de inspecteur veroordeeld in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 1.674.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? Meer in het bijzonder:
a. Heeft de inspecteur voldoende rekening gehouden met een waardevermindering in verband met schade?
b. Is de historische nieuwprijs voor auto 7 op het juiste bedrag vastgesteld?
c. Kan de verschuldigde BPM herleid worden vanuit de herrekende bruto BPM van eerder ingevoerde referentievoertuigen?
II. Zijn de kostenvergoedingen in de bezwaar- en beroepsfase naar een te laag bedrag vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de naheffingsaanslag en toekenning van een hogere proceskostenvergoeding voor bezwaar en beroep. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Waardevermindering in verband met schade
4.1.
Het hof stelt voorop dat de verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. [1] Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. [2] De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van BPM ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. [3]
4.2.
Belanghebbende heeft voor het bepalen van de reële waardedalingen gebruik gemaakt van taxatierapporten. Daarbij wordt in eerste instantie een waarde vastgesteld aan de hand van een koerslijst en vervolgens wordt daarop een bedrag aan waardevermindering als gevolg van schade in aftrek gebracht. Dit systeem is toegestaan. [4]
4.3.
Het ligt op de weg van belanghebbende om feiten te stellen en - bij betwisting - aannemelijk te maken dat en in hoeverre schade een waardedaling tot gevolg heeft ten opzichte van de handelsinkoopwaarde die volgt uit de gehanteerde koerslijst. [5] Hierbij geldt dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden. Artikel 2, aanhef en letter c, Wet BPM verstaat onder normale gebruiksschade: slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan de motor en de banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.4.
Voordat het hof toekomt aan een beoordeling van de gestelde waardedaling als gevolg van schade aan de auto, overweegt het hof het volgende. Zowel belanghebbende als de inspecteur hebben zich over en weer beklaagd over formele en/of materiële gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende (standpunt inspecteur) en het rapport van hertaxatie van DRZ (standpunt belanghebbende). Het hof heeft in een eerdere uitspraak reeds geoordeeld dat het hof geen reden ziet te twijfelen aan de deskundigheid en zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ en dat de kennelijke werkwijze van DRZ dat niet anders maakt. Dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, de taxateur van belanghebbende de fysieke opname in slechts 15 minuten heeft gedaan en in de disclaimer heeft opgenomen dat aan het taxatierapport geen rechten kunnen worden ontleend, heeft naar het oordeel van het hof evenmin tot gevolg dat aan dat rapport geen waarde kan worden gehecht. Het hof verwerpt daarom de stellingen van belanghebbende en de inspecteur over de formele en/of materiële gebreken aan de taxatierapporten. [6]
4.5.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd, omdat ten onrechte niet of nauwelijks rekening is gehouden met de door zijn taxateur geconstateerde schades aan de auto’s. Belanghebbende wijst op binnen de branche ontwikkeld beleid met betrekking tot het onderscheid tussen normale gebruikssporen en échte schade. Daarnaast wijst belanghebbende per auto op schades die naar zijn mening ten onrechte niet zijn meegenomen in de calculatie van DRZ. Dit betreft de volgende niet-limitatieve opsomming:
Auto 1: Achterbumper en achterklep;
Auto 2: scherm linksvoor, velg linksachter, achter- en voorbumper;
Auto 3: scherm linksachter, voor deze auto is er zelfs een reparatienota;
Auto 4: spiegelkap en bekleding kofferruimte;
Auto 5: achterbumper, velg rechtsachter en scherm rechtsachter;
Auto 6: velg linksvoor, spiegelkap links en achterbumper;
Auto 7: portier linksachter, achter- en voorbumper.
4.6.
De inspecteur wijst ter onderbouwing van de naheffingsaanslag naar de taxatierapporten van DRZ en de door belanghebbende voor de auto’s betaalde inkoopprijs. De taxateur van DRZ heeft zes auto’s beoordeeld en komt bij die auto’s tot een lager bedrag aan geconstateerde schade (auto’s 1, 3, 4 en 5) of constateert helemaal geen schade (auto 2 en 6) Auto 7 is niet aangeboden ter hertaxatie. De inspecteur heeft voor auto’s 1, 3, 4 en 5 de calculatie van DRZ gevolgd maar wel rekening gehouden met een extra schadepost in verband met het ontbreken van Nederlandse software en/of een Nederlandstalig boekenpakket. Voor auto 7 heeft de inspecteur het taxatierapport van belanghebbende beoordeeld. Waar de inspecteur schade aannemelijk vond, heeft de inspecteur het voor die schade in het taxatierapport van belanghebbende opgenomen bedrag aan schade overgenomen. De rechtbank heeft in beroep voor auto 7 een extra schadepost toegekend van € 295 in verband met een beschadiging aan het linker achterportier.
4.7.
Het hof heeft alle taxatierapporten, en de daarin opgenomen foto’s en schadecalculaties, uitgebreid bestudeerd en daarbij extra gelet op de door belanghebbende aangedragen punten (zie 4.5). Ook heeft het hof gekeken naar de door belanghebbende betaalde aanschafprijs (zie tabel hieronder). In alle gevallen lag de aanschafprijs vermeerderd met de BTW en, voorzichtigheidshalve de in de aangifte berekende BPM, (ver) boven de door de taxateurs van belanghebbende, de door DRZ berekende en de bij naheffing gebruikte handelsinkoopwaarde.
Nummer
Aanschafprijs excl. BTW en BPM
Incl. BTW en aangegeven BPM
HIW taxatie belanghebbende
HIW naheffing
1
€ 26.300
€ 34.931
€ 13.908
€ 19.910
2
€ 35.882
€ 49.603
€ 36.858
€ 47.254
3
€ 32.428
€ 43.671
€ 23.934
€ 31.465
4
€ 37.800
€ 49.442
€ 30.091
€ 40.049
5
€ 37.966
€ 48.469
€ 26.882
€ 37.735
6
€ 47.478
€ 65.651
€ 45.240
€ 57.103
7
€ 38.151
€ 49.447
€ 26.548
€ 36.542
4.8.
Het hof is van oordeel dat de door belanghebbende gepresenteerde schade is aan te merken als normale gebruikssporen. Belanghebbende heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, buiten de schade die de inspecteur en de rechtbank al in aanmerking hebben genomen. Het hof heeft in dat kader ook belang gehecht aan de hoogte van de door belanghebbende betaalde prijs voor de auto en, in het bijzonder, het veelal significante verschil tussen de aanschafprijzen inclusief BTW en aangegeven BPM enerzijds en de door belanghebbende in de aangifte gebruikte handelsinkoopwaardes.
Historische nieuwprijs
4.9.
Belanghebbende stelt dat de historische nieuwprijs voor auto 7 vastgesteld moet worden op € 123.073. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is de inspecteur reeds uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 123.073 (zie afbeelding hieronder). Belanghebbende heeft, gelet op het voorgaande, in afwijking van hetgeen partijen stellen derhalve geen belang bij een oordeel over de historische nieuwprijs voor auto 7.
4.10.
Het hof is van oordeel dat de verschuldigde BPM voor auto 7, zoals door de rechtbank verlaagd tot het bedrag van € 825, niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld.
Kentekenregistermethode
4.11.
Belanghebbende stelt dat de verschuldigde BPM moet worden bepaald op basis van de kentekenregistermethode. Deze methode houdt in dat de verschuldigde BPM wordt herleid uit de herrekende bruto BPM van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s. Belanghebbende is op de hoogte van het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [7] maar verzoekt het hof om vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.12.
De inspecteur heeft verwezen naar het wettelijke systeem vervat in de artikelen 9 en 10 Wet BPM. De wetgever biedt voor de berekening van de bij invoer van een gebruikte auto verschuldigde BPM drie methoden aan. De waardevermindering kan worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, aan de hand van een koerslijst en, in bepaalde gevallen, door middel van een taxatierapport. De herleidingsmethode dan wel kentekenregistratiemethode van belanghebbende behoort daar niet toe.
4.13.
Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. Voor zover belanghebbende met de kentekenregistermethode iets anders heeft bedoeld dan met de herleidingsmethode heeft belanghebbende het verschil onvoldoende toegelicht. In hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd heeft het hof geen aanleiding gezien tot het stellen van prejudiciële vragen. Dit oordeel hoeft niet nader te worden gemotiveerd.
Kostenvergoeding in bezwaar en beroep
4.14.
Belanghebbende heeft betoogd dat de inspecteur bij de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte het lage tarief van € 269 per punt heeft gehanteerd.
4.15.
Deze klacht is gegrond. De inspecteur heeft de vergoeding voor de kosten van bezwaar vastgesteld op (2 punten [8] x € 269 x wegingsfactor 1 is) € 538. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 [9] heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het verschil in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom de vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen op (2 punten [10] x € 647 x wegingsfactor 1 is) € 1.294.
4.16.
Zowel de inspecteur als de rechtbank zijn bij het vaststellen van de kostenvergoeding uitgegaan van wegingsfactor 1 (gemiddeld). Belanghebbende verzoekt het hof de wegingsfactor in bezwaar en (hoger) beroep vast te stellen op 2 zeer zwaar omdat de naheffingsaanslag betrekking heeft op 7 auto’s waardoor het dossier omvangrijker is.
4.17.
Het hof ziet geen aanleiding om de wegingsfactor op 2 te stellen. Naar het oordeel van het hof zijn de inspecteur en de rechtbank terecht uitgegaan van wegingsfactor 1.
4.18.
Belanghebbende heeft tot slot verzocht om toekenning van een extra procespunt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Ter zitting heeft belanghebbende dit verzoek zonder voorbehoud ingetrokken.
Tussenconclusie
4.19.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.20.
Het hof ziet aanleiding om het griffierecht van € 274 te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.21.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.22.
Gelet op hetgeen onder 4.15 is overwogen stelt het hof de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vast op € 1.294.
4.23.
Het hof stelt de tegemoetkoming in hoger beroep op 2 (punten) [11] x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) [12] is € 453,50.
4.24.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de kosten van bezwaar;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij het hof van € 274 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.294, onder verrekening van het reeds uitbetaalde bedrag;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 453,50.
De uitspraak is gedaan door, J. Wessels voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.C.E. Ackermans-Wijn, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 1, Wet BPM.
2.Artikel 10, lid 2, Wet BPM.
3.Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2.
4.Hoge Raad 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2822.
5.Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
6.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:601, r.o. 4.4.
7.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
8.1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, zie Bpb.
9.Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
10.1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, zie Bpb.
11.1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
12.Zie de bijlage bij de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onderdeel 1.2.