Belanghebbende, een autohandelaar die gebruikte auto's voornamelijk aan buitenlandse kopers verkoopt, kreeg een naheffingsaanslag BPM opgelegd wegens het gebruik van zogenaamde Duitse brieven, waarbij auto's kortstondig op naam van een Duits bedrijf werden geregistreerd zonder dat dit bedrijf eigenaar was. Tevens werden boetebeschikkingen opgelegd wegens opzettelijk handelen en grove schuld.
Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, waarbij de boetes werden verminderd wegens termijnoverschrijding, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de bevestiging van de naheffingsaanslag en boetes. Hij voerde onder meer aan dat hij de naheffingsaanslag niet had ontvangen, dat hij mocht vertrouwen op de goedkeuring van zijn werkwijze door een medewerker van de Belastingtelefoon, en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat andere autohandelaren vergelijkbare handelswijzen toepasten zonder naheffing.
Het hof oordeelde dat de naheffingsaanslag rechtsgeldig bekend is gemaakt, dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen bewijs is geleverd van toezeggingen door de Belastingtelefoon en dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden gezien het toezicht en de handhaving door de inspecteur. De boetebeschikkingen zijn passend geacht, waarbij 50% boete geldt voor gevallen van opzet en 25% voor grove schuld. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.