Belanghebbende stelde op 9 februari 2017 een personenauto op haar naam met een Nederlands kenteken. De auto werd op 10 februari 2017 uit Nederland uitgeschreven en op 13 februari 2017 in Duitsland geregistreerd. Vervolgens verkocht een aan belanghebbende gelieerde vennootschap de auto op 14 februari 2017 aan een persoon woonachtig in Albanië, die de auto rechtstreeks vanuit Nederland naar Albanië bracht.
Belanghebbende verzocht om teruggaaf van belasting personenauto’s en motorrijwielen (BPM) op grond van artikel 14a, eerste lid, Wet BPM 1992. De Inspecteur wees dit verzoek af, wat door de rechtbank werd bevestigd. De rechtbank oordeelde dat de teruggaafregeling vereist dat het voertuig daadwerkelijk naar een EU/EER-lidstaat wordt vervoerd, wat hier niet het geval was.
Het Gerechtshof Den Haag bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. Het hof stelde dat de tekst en bedoeling van de teruggaafregeling duidelijk maken dat de auto in het kader van de registratie naar een andere lidstaat van de EU of een EER-staat moet worden vervoerd. Omdat de auto rechtstreeks naar Albanië werd geëxporteerd, ontbrak aan deze voorwaarde en was teruggaaf niet mogelijk.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het hof veroordeelde geen partij in de proceskosten. Het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.