Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Limburg van de rijksbelastingdienst(hierna: de Inspecteur),
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende verzocht om herziening van een uitspraak van 14 augustus 2009 betreffende navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen over de jaren 1999 tot en met 2002. Het verzoek was mede gebaseerd op een arrest van de strafkamer van het Hof van 7 juni 2013, waarin een ontnemingsvordering op grond van artikel 36e Sr werd afgewezen.
Het Hof oordeelde dat het verzoek ontvankelijk was, mede vanwege onderhandelingen met de Inspecteur die het indienen van het verzoek hadden vertraagd. Echter, inhoudelijk kon het verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) bevatten die voor de uitspraak van 2009 niet bekend waren en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.
Het Hof benadrukte dat het verschil in bewijsrechtelijke waardering tussen strafrechter en belastingrechter niet als novum kan gelden. Ook het arrest van de strafkamer, dat na de uitspraak van 2009 is gewezen, vormt geen grond voor herziening. Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen. Het griffierecht werd niet terugbetaald en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.