Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 20.000 over 2018, die zij betwistte wegens schending van het verdedigingsbeginsel en onzorgvuldigheid. De Inspecteur vernietigde de aanslag bij uitspraak op bezwaar, maar weigerde een integrale kostenvergoeding toe te kennen. De Rechtbank oordeelde dat de Inspecteur het verdedigingsbeginsel had geschonden en onzorgvuldig had gehandeld door de naheffingsaanslag niet goed te onderbouwen en belanghebbende niet vooraf te horen, en kende een gedeeltelijke integrale kostenvergoeding toe voor de bezwaarfase.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof dat sprake was van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel en vergaande onzorgvuldigheid, mede doordat de Inspecteur de naheffingsaanslag oplegde zonder voldoende bewijs en pas na bezwaar de aanslag vernietigde. Het Hof oordeelde dat dit bijzondere omstandigheden zijn die recht geven op een integrale vergoeding van de kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand in de bezwaarfase.
Het Hof wees echter af dat een integrale vergoeding voor de beroeps- en hogerberoepsfase toekomt, omdat de Inspecteur na vernietiging van de aanslag niet meer onzorgvuldig handelde. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van in totaal € 12.774 aan proceskosten en griffierechten. Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur werd ongegrond verklaard.