Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 4 oktober 2023
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 21/7855 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 21/3622 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2017 (zaaknummer SGR 21/3622);
- draagt verweerder op de aanslag IB/PVV 2017 vast stellen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.536 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen dat correspondeert met een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 51 over dat belastbaar inkomen uit sparen en beleggen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 2.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 105,20;
- draagt verweerder op het in de zaak met nummer SGR 21/3622 betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden.”
Feiten
“Artikel 6. Overdracht van de Certificaten
Artikel 7.
“9.2. Overdracht door Certificaathouders
Oordeel van de Rechtbank
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de rentebeschikking gematigd moet worden omdat verweerder voor de uitspraak op bezwaar IB/PVV 2017 een te lange behandeltermijn heeft gehanteerd. Verweerder heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de bijbehorende rentebeschikking binnen de daarvoor geldende termijn van vijf jaar zoals vermeld in artikel 16, derde lid, van de Algemene wet rijksbelastingen (Awr) opgelegd. Dat verweerder ten aanzien van de uitspraak op bezwaar IB/PVV 2017 de redelijke termijn heeft overschreden (zie hierna onder rechtsoverweging 26) betekent niet dat om die reden de rentebeschikking met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 gematigd moet worden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank bovendien voortvarend gehandeld door binnen twee maanden na de uitspraak op bezwaar IB/PVV 2017 de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 op te leggen.
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Beoordeling van het hoger beroep
-
50
159
-
50
5.012
Proceskosten en griffierecht
Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens voor zover die ziet op de vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2016;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.522 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.645 en vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2017;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.536 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 62;
- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende voor het beroep in zaaknummer SGR 21/7855 betaalde griffierecht van € 49 en het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 136 te vergoeden.