Belanghebbende en haar echtgenoot voerden jarenlang procedures tegen meerdere aanslagen en verliesvaststellingsbeschikkingen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over diverse jaren. Zij vroegen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep.
De Rechtbank kende een schadevergoeding van €20.000 toe, verdeeld over belanghebbende en haar echtgenoot, en matigde dit bedrag vanwege samenhang van de zaken en het geringe financiële belang bij veel aanslagen. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de hoogte van de vergoeding en het ontbreken van een mondelinge behandeling in de ISV-procedure.
Het Hof oordeelde dat de uitgebreide schriftelijke en mondelinge behandeling bij het Hof voldoende was en dat terugwijzing naar de Rechtbank niet nodig was. Het bevestigde de Rechtbankuitspraak, waarbij rekening werd gehouden met de lange duur van de procedures (tot bijna 20 jaar overschrijding), de matigende omstandigheden zoals het geringe financiële belang en de gezamenlijke procedurevoering.
De Hoge Raad-jurisprudentie over redelijke termijn en vergoeding van immateriële schade werd toegepast. Het Hof achtte de matiging van de vergoeding gerechtvaardigd en wees de overige bezwaren af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd op 25 juni 2019 in het openbaar uitgesproken.