ECLI:NL:GHARL:2026:864

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
24/58 t/m 24/60
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 7:658 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM over afschrijving en bezwaarkostenvergoeding

Belanghebbende was het niet eens met een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de Inspecteur en maakte bezwaar. De Inspecteur verminderde de aanslag enigszins, maar belanghebbende ging in beroep bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en een aanvullende bezwaarkostenvergoeding toekende. De Inspecteur ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het geschil betrof met name de waardebepaling van drie personenauto’s, waarbij belanghebbende stelde dat de handelsinkoopwaarde verder verminderd moest worden wegens meer dan normale gebruiksschade en dat de afschrijving op basis van een hogere CO2-uitstoot anders moest worden berekend. Ook was er discussie over de hoogte van de bezwaarkostenvergoeding.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat er meer schade was dan reeds in aanmerking was genomen en dat de hogere CO2-uitstoot een waardeverhogende invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, waardoor het afschrijvingspercentage niet wijzigt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel faalden eveneens. Wel werd het hoger beroep gegrond verklaard omdat de rechtbank ten onrechte was uitgegaan van een lage puntwaarde voor de bezwaarkostenvergoeding. Het Hof vernietigde dit deel van de uitspraak en kende een hogere vergoeding toe, inclusief griffierecht en proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de bezwaarkostenvergoeding wordt verhoogd, met toekenning van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/58 tot en met 24/60
uitspraakdatum: 10 februari 2026
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 30 november 2023, nummers LEE 22/1689 tot en met 22/1691, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 3.773.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 25 februari 2022 de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 3.662 en een bezwaarkostenvergoeding toegekend van € 265 (voor indienen bezwaarschrift).
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, een (aanvullende) bezwaarkostenvergoeding van € 296 voor de hoorzitting toegekend, en vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade toegekend van respectievelijk € 1.674, € 365 en € 500.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Namens belanghebbende is mr. S.M. Bothof verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam1] en mr. [naam2] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor drie personenauto’s (hierna: de auto’s) op aangifte bedragen aan BPM voldaan. Bij de aangiften zijn taxatierapporten gevoegd waarin herstelkosten zijn gecalculeerd. Deze herstelkosten zijn (deels) als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarden die zijn gebaseerd op koerslijsten.
2.2.
De Inspecteur heeft voor de auto’s een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van deze onderzoeken zijn rapporten opgemaakt. Naar aanleiding van de bevindingen in deze rapporten heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van in totaal € 3.773. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Auto 1
( [kenteken1] )
Auto 2
( [kenteken2] )
Auto 3
( [kenteken3] )
Merk en type
Audi A4
Renault Kadjar
VW Arteon
Catalogusprijs
€ 54.272
€ 27.953
€ 42.623
BPM
10.435
(NEDC CO2 120 gr/km)
5.908
(WLTP CO2 148 gr/km)
8.865
(WLTP CO2 168 gr/km)
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
64.707
33.861
51.488
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd)
€ 34.216
€ 16.802
€ 28.198
Schade
-/- 974
-/- 1.392
-/- 816
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
33.242
15.41
27.382
Afschrijving
48,63%
55,49%
46,82%
Historische BPM
€ 11.080
(WLTP 157 gr/km)
€ 6.650
(WLTP CO2 154 gr/km)
€ 9.609
(WLTP CO2 177 gr/km)
Afschrijving
-/- 5.388
-/- 3.624
-/- 4.499
= Verschuldigde BPM
5.692
3.026
5.11
Extra leeftijdskorting
-/- 284
-/- 205
Betaald op aangifte
-/- 3.939
-/- 1.637
-/- 3.990
= Naheffingsaanslag
€ 1.469
€ 1.389
€ 915
2.3.
De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffing voor auto 3 verminderd tot € 804. De naheffingsaanslag wordt daardoor verminderd tot een totaalbedrag van € 3.773 minus (€ 915 minus € 804), ofwel € 3.662.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
(i) dat de handelsinkoopwaarde van de auto’s 1 tot en met 3 verder moet worden verminderd wegens meer dan normale gebruiksschade;
(ii) dat voor het berekenen van de afschrijving van de auto’s 1 en 2 de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het (hogere) bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een hogere CO2-uitstoot) is verschuldigd, en niet aan de hand van de (lagere) BPM die voor de referentieauto’s (met een lagere CO2-uitstoot) is verschuldigd; en
(iii) dat de Rechtbank voor de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan de ‘lage’ puntwaarde.
3.3.
Belanghebbende heeft ter zitting haar stelling dat de naheffingsaanslag op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moet worden vernietigd, ingetrokken.
3.4.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Taxatiemethode; waardevermindering in verband met schade (auto’s 1 tot en met 3)
4.1.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van de taxatierapporten en foto’s meer schade in aanmerking moet worden genomen dan waarvan de Inspecteur en de Rechtbank zijn uitgegaan. Aangezien belanghebbende in hoger beroep haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank.
Afschrijving; invloed van hogereCO2
-uitstoot (auto’s 1 en 2)
4.2.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. [1] Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De handelsinkoopwaarden zijn blijkens de aangiften gebaseerd op auto’s met een lagere CO2-uitstoot dan die van de te registreren auto.
4.4.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig. [2] Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben.
4.5.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen. [3] Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken. [4] Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.6.
Belanghebbende is niet in haar bewijslast geslaagd. Zij heeft op generlei wijze zijn stelling onderbouwd dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, bijvoorbeeld met een koerslijst of deskundigenonderzoek waaruit dit blijkt. De bij de aangiften gevoegde taxatierapporten voldoen niet, omdat daarin nu juist auto’s met een lagere CO2-uitstoot zijn getaxeerd. Dat wat betreft auto 1 in de koerslijst Xray sprake zou zijn van een referentieauto met een NEDC2-uitstoot van 120 gr/km, die overeenstemt met de CO2-uitstoot van auto 1, blijkt niet uit de gegevens van deze koerslijst en is ook anderszins niet aannemelijk geworden. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt. Het gelijk is in zoverre aan de Inspecteur.
Gelijkheidsbeginsel (auto 1)
4.7.
Belanghebbende heeft ter zitting met een beroep op het gelijkheidsbeginsel gesteld dat bij de Belastingdienst sprake is van niet-gepubliceerd begunstigend beleid, waarvan in haar geval zou zijn afgeweken. Dit beleid zou inhouden dat als ter bepaling van de historische nieuwprijs het hogere bedrag aan BPM van de te registreren auto in aanmerking wordt genomen, dit niet leidt tot een navenante bijstelling van de handelsinkoopwaarde naar boven.
4.8.
Ter ondersteuning van dit beroep dient belanghebbende te wijzen op gevallen waarin andere belastingplichtigen een gunstiger behandeling ten deel is gevallen dan zij zelf ondervindt. Vervolgens ligt het op de weg van de Inspecteur die ongelijke behandeling te verklaren en aannemelijk te maken dat die niet voortvloeit uit een door hem gevoerd of op een hoger niveau gecoördineerd beleid. [5]
4.9.
De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat in bepaalde individuele gevallen een correctie van de historische nieuwprijs inderdaad niet heeft geleid tot een navenante bijtelling van de handelsinkoopwaarde, maar dat deze behandeling geenszins voortvloeit uit een op hoger niveau gecoördineerd beleid. Met deze plausibele verklaring acht het Hof aannemelijk dat de Inspecteur geen begunstigend beleid voert ten aanzien van met belanghebbende vergelijkbare belastingplichtigen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan daarom niet slagen.
Vertrouwensbeginsel (auto 2)
4.10.
Verder heeft belanghebbende ter zitting gewezen op een intern e-mailbericht van de Belastingdienst van 15 april 2024, met als onderwerp ‘Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten’. Daarin is onder meer het volgende vermeld: “Vanzelfsprekend is het wel van belang om goed te blijven beoordelen of de koerslijst daadwerkelijk overeenkomt met het voertuig uit de aangifte en of er sprake is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot (dergelijke kleine verschillen verhinderen toepassing van de koerslijst immers niet). In eerdere gesprekken gaven koerslijstproviders ook aan dat verschillen vaak zijn terug te voeren op onjuist gebruik van de koerslijsten door gebruikers daarvan.” Volgens belanghebbende betreft deze mededeling beleid waaraan het vertrouwen kan worden ontleend dat een geringe afwijking in CO2-uitstoot – zoals in het onderhavige geval bij auto 2 – niet in de weg staat aan toepassing van een koerslijst, zodat in die gevallen geen aanleiding bestaat de handelsinkoopwaarde te verhogen bij een hogere CO2-uitstoot.
4.11.
Anders dan belanghebbende betoogt, kan aan dit intern e-mailbericht geen vertrouwen worden ontleend. Nu dit bericht niet is gepubliceerd, komt aan het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geen rol toe. [6]
Proceskostenvergoeding bezwaarfase: waarde per punt
4.12.
De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten. Bij de vaststelling van de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase heeft de Rechtbank rekening gehouden met de ‘lage’ waarde per punt van € 296 uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4.13.
Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 dient te worden uitgegaan van de ‘hoge’ puntwaarde in bezwaar. Berekend naar het tarief van 2026 beloopt de vergoeding van de bezwaarkosten € 1.332 (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 666). De voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding van € 1.674 is niet in geschil.
Slotsom
Gelet op het overwogene in 4.13 is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548.
5.2.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend is vernietigd wegens het toekennen van een te lage bezwaarkostenvergoeding, ziet het Hof aanleiding een wegingsfactor 0,25 aan deze zaak toe te kennen.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend wat betreft de toegekende bezwaarkostenvergoeding;
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
  • vernietigt de uitspraak van de Inspecteur uitsluitend wat betreft de toegekende bezwaarkostenvergoeding;
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de bezwaarkosten van € 1.332;
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep van € 467; en
  • draagt de Inspecteur op de door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
De griffier, De raadsheer,
(K. de Jong-Braaksma) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.4.
2.Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.
3.HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
5.HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8260, HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2434.
6.Vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1235.