Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:3420

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
24/534 t/m 24/536
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 7:2 lid 1 AwbArt. 25 AWRArt. 20 AWRArt. 6 lid 2 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake BPM-heffing en hoorplicht in hoger beroep

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de heffing van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel voor drie gebruikte kampeerauto’s die eerder in een andere EU-lidstaat waren geregistreerd. De Inspecteur verklaarde de bezwaren ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep in eerste aanleg deels gegrond en wees de zaak terug naar de Inspecteur. Na nieuwe uitspraken op bezwaar verklaarde de rechtbank het beroep in tweede aanleg ongegrond. Belanghebbende stelde hiertegen hoger beroep in bij het hof.

In hoger beroep stelde belanghebbende onder meer dat de BPM-heffing in strijd is met het Unierecht, dat de nationale rechter onbevoegd is tot uitleg van het Unierecht, dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden, en dat er sprake is van verschillende heffingsmodaliteiten. Het hof oordeelde dat de forfaitaire afschrijvingstabel niet in strijd is met artikel 110 VWEU Pro en dat de nationale rechter bevoegd is het Unierecht toe te passen. Het hof zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De hoorplicht was niet geschonden omdat belanghebbende of zijn gemachtigde niet is verschenen op het hoorgesprek waarvoor zij waren uitgenodigd.

Verder verwierp het hof de stellingen over naheffing en het niet overleggen van koerslijsten, en bevestigde het dat de rechtbank terecht geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekende, mede vanwege bijzondere omstandigheden en vertragingstactieken van belanghebbende. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/534, 24/535 en 24/536
uitspraakdatum: 27 mei 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 januari 2024, nummers LEE 22/1812, 22/1817 en 22/1820, ECLI:NL:RBNNE:2024:128, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen(hierna: de Inspecteur).

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
Belanghebbende heeft op 25 juli, 24 augustus en 18 oktober 2018 bedragen aan Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan. Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.
1.2
Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar deze bezwaren ongegrond verklaard.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 april 2021, zaaknummers LEE 19/3891, 19/3893 en 19/3894, gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de Inspecteur opgedragen binnen zes weken nadat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van haar uitspraak, de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000, de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van totaal € 522 (3 maal € 174) aan belanghebbende te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.658.
1.4
Belanghebbende is tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gekomen.
1.5
Op 18 maart 2022 heeft de Inspecteur opnieuw uitspraken op bezwaar gedaan waarbij de bezwaren ongegrond verklaard zijn.
1.6
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 25 januari 2024 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.
1.7
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.8
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.9
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.1
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A.F.M.J. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur.
1.11
De gemachtigde van belanghebbende heeft voor de zitting twee pleitnota’s verstrekt aan het Hof en de wederpartij, welke geacht worden te zijn voorgelezen.
1.12
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.De vaststaande feiten

2.1
Belanghebbende heeft op 19 juli, 20 augustus en 16 oktober 2018 aangifte bpm gedaan ter zake van de registratie van drie kampeerauto’s van het merk Fiat Ducato, gekentekend respectievelijk [kenteken 1] (zaaknummer BK-ARN 24/534), [kenteken 2] (zaaknummer BK-ARN 24/535) en [kenteken 3] (zaaknummer BK-ARN 24/536) en de uit dien hoofde verschuldigde bedragen voldaan. Alle bedoelde kampeerauto’s zijn gebruikt en eerder in een andere lidstaat van de Europese Unie geregistreerd.
2.2
De bedragen aan bpm in de aangiften zijn berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.
2.3
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voormelde voldoeningen op aangifte. De Inspecteur heeft op 30 oktober 2019 uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.4
Op 16 april 2021 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan in de bovengenoemde zaken en op verzoek van belanghebbende de zaken teruggewezen naar de Inspecteur om te horen.
2.5
De Inspecteur heeft vervolgens een hoorgesprek gepland op 19 juli 2021. Omdat het dossier niet compleet was, is besloten het dossier opnieuw ter inzage aan te bieden en een nieuw hoorgesprek te plannen.
2.6
In oktober 2021 hebben de Inspecteur en gemachtigde een mailwisseling gevoerd over de aanpak van de hoorgesprekken. Daarbij is afgesproken dat vanaf 25 oktober 2021 de hoorgesprekken door [naam3] , een werknemer van de gemachtigde van belanghebbende, zouden worden gevoerd, waarbij de scans van de dossiers door de Inspecteur per filetransfer steeds een week voorafgaand aan het hoorgesprek zouden worden toegestuurd.
2.7
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 7 december 2021 uitgenodigd voor een digitaal hoorgesprek op 25 januari 2022 via WebEx.
2.8
Op 17 januari 2022 heeft de Inspecteur gesproken met [naam3] . Op 18 januari 2022 zijn de dossierscans per filetransfer aan de gemachtigde verzonden.
2.9
Op het hoorgesprek van 25 januari 2022 is namens belanghebbende niemand digitaal verschenen.

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1
In geschil is het antwoord op de volgende vragen:
- Zijn de nationale bepalingen inzake de bpm onverbindend wegens strijd met het Unierecht?
- Is de heffing van bpm door middel van de forfaitaire tabel in strijd met het Unierecht?
- Is de nationale rechter onbevoegd het Unierecht uit te leggen?
- Moet het Hof prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de EU?
- Is de hoorplicht in de bezwaarfase geschonden?
- Is bij de heffing van BPM in strijd met het Unierecht sprake van verschillende heffingsmodaliteiten?
- Is het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017 in strijd met het Unierecht?
- Heeft de Inspecteur ten onrechte geen koerslijsten overgelegd van soortgelijke binnenlandse bestelauto’s?
- Is de naheffing van bpm na het belastbare feit in strijd met het Unierecht?
- Heeft de Inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geschonden?
- Is teveel bpm op aangifte voldaan?
- Heeft de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling in strijd met het Unierecht ten onrechte achterwege gelaten?
- Heeft de Rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend?
- Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling in de hogerberoepsfase?
3.2
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de op aangifte voldane bpm.
3.3
De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4
De door belanghebbende opgeworpen gronden tegen de door de Inspecteur dan wel de Rechtbank toegekende (proces)kostenvergoedingen missen in de onderhavige procedure feitelijke grondslag, aangezien deze niet zijn toegekend. Het Hof zal aan die gronden dan ook voorbij gaan. Datzelfde geldt ten aanzien een aantal overige grieven die belanghebbende heeft opgeworpen, maar in de onderhavige zaken niet aan de orde kunnen zijn.
3.5
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.
3.6
Belanghebbende heeft een deskundigenrapport van [bedrijfsnaam] aangekondigd. Dit rapport heeft hij echter niet ingebracht.

4.Beoordeling van het geschil

Vooraf en voor eerst
4.1
Belanghebbende heeft in hoger beroep ook grieven geuit tegen de (eerste) uitspraak van de Rechtbank van 16 april 2021. Tegen deze uitspraak heeft hij evenwel geen hoger beroep ingesteld. Deze grieven kunnen in het onderhavige hoger beroep tegen de (tweede) uitspraak van de Rechtbank van 25 januari 2024 derhalve niet in behandeling worden genomen.
4.2
Het Hof zal onderstaand de grieven van belanghebbende tegen de (tweede) uitspraak van de Rechtbank van 25 januari 2024 bespreken. Daarbij wordt niet steeds de volgorde aangehouden van de hiervoor – onder 3.1 – opgesomde geschilpunten.
Zijn de nationale bepalingen inzake de bpm onverbindend wegens strijd met het Unierecht?
4.3
Artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) bepaalt dat bij de registratie van uit een andere lidstaat afkomstig voertuig niet meer bpm geheven mag worden dan nog rust op het reeds hier te lande geregistreerd gelijksoortig voertuig qua merk, type uitvoering enzovoorts. Nu de afschrijving van de bpm in de onderhavige zaken is vastgesteld op basis van de forfaitaire tabel kan er geen verschil bestaan met een reeds hier te lande geregistreerd voertuig. De wetgever biedt de mogelijkheid om de afschrijving op de bruto bpm vast te stellen op basis van de werkelijke inkoopwaarde (koerslijst of taxatie) en forfaitaire afschrijvingstabel, waarvan in de onderhavige evenwel geen gebruik is gemaakt. Er is derhalve geen strijdigheid met de Europese regelgeving.
4.4
Hetgeen hiervoor – onder. 4.3 – is overwogen geldt mutatis mutandis eveneens voor de stelling dat de heffing van bpm door middel van de forfaitaire tabel in strijd is met het Unierecht.
Bevoegdheid nationale rechter
4.5
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
4.6
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen (vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687). Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van Pro het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
Prejudiciële vragen
4.7
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU Pro niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:936, r.o. 4.2).
Hoorplicht in de bezwaarfase
4.8
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de gemachtigde is uitgenodigd voor een hoorgesprek en dat hij zonder opgaaf van redenen niet is verschenen, zodat de hoorplicht niet is geschonden.
4.9
Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op verzoek te horen (artikel 7:2, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 25 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (AWR)). De wettelijke regeling over het horen van degene die bezwaar maakt, staat de inspecteur toe voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht een tijdstip en een locatie te kiezen. De vrijheid die de inspecteur in dit verband heeft, wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die beginselen brengen mee dat rekening moet worden gehouden met de redelijke belangen van de betrokkene(n) en van de inspecteur. De inspecteur moet die belangen tegen elkaar afwegen. Uitgangspunt daarbij is (a) dat het aan de inspecteur is om tijd en plaats van het hoorgesprek te bepalen, en (b) dat geen regel of beginsel meebrengt dat een hoorgesprek alleen kan worden gehouden op een plaats en tijdstip die de belanghebbende en diens gemachtigde uitkomen, bijvoorbeeld in verband met andere verplichtingen (HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1739, r.o. 4.1.2).
4.1
De Inspecteur heeft met de gemachtigde overleg gevoerd en een hoorgesprek gepland waarvoor door de gemachtigde niet om uitstel is verzocht. Dit brengt mee dat de Inspecteur de gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld over de bezwaren te worden gehoord en hij bij het plannen van een hoorgesprek de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet heeft geschonden. Dat de gemachtigde vervolgens ervoor heeft gekozen niet te verschijnen, brengt dan niet mee dat de Inspecteur de hoorplicht niet is nagekomen (vgl. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1728, r.o. 2.3.2).
4.11
Belanghebbende heeft in hoger beroep nog betwist de uitnodigingsbrieven voor het hoorgesprek te hebben ontvangen. Gelet op hetgeen hiervoor – onder 2.5 tot en met 2.9 – feitelijk is vastgesteld, heeft belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, met zijn blote stelling de ontvangst van deze brieven onvoldoende weersproken.
Verschillende heffingsmodaliteiten
4.12
Belanghebbende heeft gesteld dat de uitleg van de Hoge Raad in zijn uitspraak van 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, dat kan worden nageheven van uit andere lidstaten afkomstige, gebruikte voertuigen nadat deze zijn geregistreerd in het nationaal kentekenregister onjuist is. Het Hof stelt vast dat in de onderhavige zaken geen sprake is van naheffing, zodat deze stelling feitelijke grondslag mist.
4.13
Indien en voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat bij de voldoening op aangifte in strijd met het Unierecht sprake is van verschillende heffingsmodaliteiten, overweegt het Hof als volgt. De heffing van bpm vindt plaats door middel van voldoening op aangifte. Indien deze bpm is verschuldigd ter zake van de registratie van een motorrijtuig, moet deze worden betaald voordat het motorrijtuig te naam is gesteld in het kentekenregister en moet de aangifte gelijktijdig met de betaling worden gedaan. Deze verplichting tot vooruitbetaling van bpm op aangifte is niet beperkt tot motorrijtuigen die buiten Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht.
4.14
Alleen houders van een vergunning als bedoeld in artikel 8 Wet Pro op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) zijn uitgezonderd van de hiervoor bedoelde verplichting tot vooruitbetaling. Zij kunnen de bpm achteraf per tijdvak (en dus niet vooraf per motorrijtuig) voldoen. Deze mogelijkheid om bpm pas na de tenaamstelling te betalen staat onder dezelfde voorwaarden open voor gebruikte motorrijtuigen die zijn geproduceerd of aangekocht buiten Nederland.
4.15
Bij de wijze van heffing en betaling van bpm wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen motorrijtuigen die in Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht en motorrijtuigen die buiten Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht. Van strijdigheid met artikel 110 VWEU Pro is derhalve geen sprake (HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, r.o. 3.4.6). Het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel verzet zich evenmin tegen deze wijze van heffing en betaling van bpm.
Naheffing na het belastbaar feit
4.16
Belanghebbende betoogt dat te weinig geheven bpm niet op grond van artikel 20 AWR Pro kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorrijtuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Het Hof stelt vast dat in de onderhavige zaken geen sprake is van naheffing, zodat deze stelling feitelijke grondslag mist.
Heeft de Inspecteur het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geschonden?
4.17
Belanghebbende heeft gesteld dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, nu belanghebbende onvoldoende in de gelegenheid is gesteld de eigen standpunten toe te lichten.
4.18
Belanghebbende heeft de verschuldigde bpm berekend, die bpm op aangifte voldaan en daartegen vervolgens bezwaar gemaakt. In verband met dat bezwaar is belanghebbende uitgenodigd voor een hoorgesprek. Verder heeft de Inspecteur voorafgaand aan het doen van de uitspraak op bezwaar een voornemen gezonden waarbij hij belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk te reageren. Gelet op het voorgaande is het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet geschonden (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 18 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:321).
Te veel bpm voldaan?
4.19
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat te veel bpm op aangifte is voldaan. Hij voert daartoe aan dat voor de restant bpm bij een binnenlandse kampeerauto wordt aangesloten bij de restantwaarde van de bestelauto waarop deze is gebaseerd. Door voor te importeren voertuigen een andere grondslag of heffingsmodaliteit te gebruiken, wordt inbreuk gemaakt op artikel 110 VWEU Pro.
4.2
Belanghebbendes grief is gericht tegen de omstandigheid dat de afschrijving is bepaald aan de hand van de waardedaling van een kampeerauto, inclusief het recreatieve gedeelte. Belanghebbendes hiertegen gerichte hogerberoepsgrond stuit af op de gronden zoals weergegeven in het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847, nog daargelaten dat belanghebbende in de onderhavige zaken bpm op aangifte heeft voldaan aan de hand van de forfaitaire tabel.
4.21
Ook overigens is niet gebleken van redenen waarom de door belanghebbende op aangifte voldane bpm geheel of gedeeltelijk zou moeten worden teruggegeven.
Heeft de Inspecteur ten onrechte geen koerslijsten overgelegd?
4.22
Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur ten onrechte geen koerslijsten heeft overgelegd.
4.23
Zoals de Rechtbank met juistheid heeft overwogen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de belastingplichtige, die stelt recht te hebben op een (hogere) vermindering van bpm, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. De belastingplichtige moet wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.). Om de reële waardedaling van een gebruikte kampeerauto aannemelijk te maken heeft de wet- en regelgever voorzien in drie manieren waaruit kan worden gekozen, namelijk: i) de afschrijvingstabel, ii) de koerslijst of iii) een taxatierapport. Met dit wettelijke systeem wordt het in artikel 110 VWEU Pro neergelegde discriminatieverbod geëerbiedigd (vgl. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4. en 3.2.5.). De heffing van bpm, als bedoeld in artikel 6, lid 2, aanhef en letter a, onder 1º, en letter b, van de Wet BPM, geldt onder dezelfde voorwaarden voor nog niet in het Nederlandse kentekenregister geregistreerde kampeerauto’s, ongeacht of deze nieuw dan wel gebruikt zijn, en ongeacht of deze in Nederland dan wel daarbuiten zijn geproduceerd of aangekocht. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de inspecteur gehouden zou zijn een koerslijst in te brengen om eventueel tot een hogere afschrijving te komen dan de afschrijving volgens de door belanghebbende ingediende aangifte, wijst het Hof deze stelling op grond van het voorgaande af. Bovendien heeft belanghebbende voor de onderhavige kampeerauto’s aangifte gedaan aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel en niet op basis van een koerslijst of een taxatierapport.
Heeft de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling in strijd met het Unierecht ten onrechte achterwege gelaten?
4.24
Belanghebbende stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden en dat er dus een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend overeenkomstig de maatstaven van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). In dit geval zou dat een schadevergoeding betekenen van € 10.500, aldus belanghebbende.
4.25
Volgens vaste jurisprudentie geldt - in het kader van vergoeding van immateriële schade - voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Als de redelijke termijn is overschreden, dan moet de rechtbank beoordelen in hoeverre die overschrijding is toe te rekenen aan de inspecteur en in hoeverre aan de rechtbank. Daarbij heeft te gelden dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar mag duren en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar. De vergoeding van immateriële schade bedraagt forfaitair € 500 per half jaar (of deel daarvan) van overschrijding (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Anders dan belanghebbende betoogt, is de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
4.26
De Rechtbank heeft in haar uitspraak, waarvan hoger beroep, met betrekking tot de immateriële schadevergoeding het volgende overwogen (daarbij wordt met “eiser” belanghebbende bedoeld):

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 16 april 2021 reeds ISV toegekend in de procedures voor terugwijzing. De zaken zijn toen op verzoek van belanghebbende teruggewezen teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het hoorgesprek is bedoeld om materiële geschilpunten te bespreken, in het bijzonder de voor de materiële geschilpunten relevante feiten en/of de waardering daarvan. Belanghebbende heeft echter in bezwaar en in beroep geen standpunten ingenomen waarvoor feiten van belang zijn waarover belanghebbende en de inspecteur van mening verschillen. Namens belanghebbende is daarnaast niemand op het – op de juiste wijze geplande – hoorgesprek verschenen (...). In die omstandigheden en de omstandigheid dat belanghebbende nu opnieuw verzoekt om terugwijzing, terwijl hij ter zitting ten aanzien van de heffing van bpm slechts beroepsgronden heeft gehandhaafd waarvoor het houden van een hoorgesprek niets toe zou voegen, ziet de rechtbank voldoende aanwijzing dat het belanghebbende wat betreft het horen vooral te doen is om de procedure zo lang mogelijk te laten duren met als doel een (hogere) ISV te kunnen incasseren. De rechtbank beoordeelt deze proceshouding van belanghebbende als een vertragingstactiek en een bijzondere omstandigheid[noot: Als bedoeld in Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.1.]
die een langere duur van de berechting in eerste aanleg rechtvaardigt. Dit maakt dat de redelijke termijn niet is overschreden, omdat de rechtbank bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden de volledige periode vanaf het moment dat de rechtbank op 16 april 2021 heeft besloten de zaak terug te wijzen naar de inspecteur, tot de datum van deze uitspraak buiten beschouwing laat. De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding een (aanvullende) ISV toe te kennen voor de duur van de behandeling in eerste aanleg. De rechtbank wijst daarom het verzoek af.
4.27
In het overzichtsarrest (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252) heeft de Hoge Raad in r.o. 3.5.1. overwogen:
“De hiervoor in 3.4.2 tot en met 3.4.6 bedoelde termijnen van een en twee jaar, die gehanteerd moeten worden als uitgangspunt, gelden behoudens bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest BNB 2005/337 (onderdeel 4.5). Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van meerbedoelde termijnen, worden onder meer gerekend:
a. de ingewikkeldheid van de zaak, die bijvoorbeeld kan zijn gelegen in de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede in de verknochtheid van de zaak met andere zaken betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n); en
b. de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.”
4.28
Naar het oordeel van het Hof, leiden de door de Rechtbank in haar hiervoor – onder 4.26 – aangehaalde overweging geschetste omstandigheden tot de conclusie dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als hiervoor – onder 4.27 onder b. – bedoeld.
4.29
Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank dan ook met haar hiervoor – onder 4.26 – aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende dienaangaande in hoger beroep nog heeft aangevoerd, maakt het vorenoverwogene niet anders.
Heeft de Rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend?
4.3
Nu de Rechtbank in haar bestreden uitspraak het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding terecht heeft afgewezen, bestond er in eerste aanleg geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Immateriële schadevergoeding in de hogerberoepsfase
4.31
Belanghebbende heeft in zijn pleitnota van 5 maart 2026 voor het eerst verzocht om een vergoeding van immateriële schade in de hogerberoepsfase. Het hoger beroep is ingesteld op 4 maart 2024. Aangezien deze uitspraak heden is gedaan, is sprake van overschrijding van de redelijke behandelingstermijn met minder dan 12 maanden.
4.32
In het onderhavige geval is echter sprake van een bijzondere omstandigheid, nu de procedure over een zeer gering financieel belang gaat. Daarbij geldt het uitgangspunt dat zich een bijzondere omstandigheid, op grond waarvan geen spanning en frustratie kan worden voorondersteld, maar aannemelijk gemaakt moet worden, voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure, minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. HR 14 juni 2024, 22/04592, ECLI:NL:HR:2024:853). Bij wijze van overgangsrecht heeft de Hoge Raad beslist dat de wijziging van de bagatelgrens van € 15 naar € 1.000 niet geldt voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest, 14 juni 2024, is overschreden. Nu het onderhavige verzoek voor de hogerberoepfase voor het eerst is gedaan bij schrijven van 5 maart 2026, geldt dit overgangsrecht voor deze zaak niet in hoger beroep. Anders dan belanghebbende meent, is deze bagatelgrens, naar het oordeel van het Hof, niet in strijd met het Unierecht.
4.33
Het financiële belang kan alleen betrekking hebben op een of meer belastingaanslagen en/of voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 26, leden 1 en 2, AWR waarover de belastingplichtige een procedure voert (fiscale beschikkingen). Bij de vaststelling van dat financiële belang wordt daarom geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters met betrekking tot zo’n procedure, dat wil zeggen beslissingen die verband houden met het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures. Dat betreft bijvoorbeeld beslissingen over vergoeding van proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade, en beslissingen over de verschuldigdheid van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen (vgl. HR 14 juni 2024, 22/04592, ECLI:NL:HR:2024:853).
4.34
Belanghebbende concludeert tot (gedeeltelijke) teruggaaf van op aangifte voldane bpm. Zijn stelling dat voor de restant bpm bij een binnenlandse kampeerauto wordt aangesloten bij de restantwaarde van de bestelauto waarop deze is gebaseerd is evenwel tegen beter weten ingenomen (vgl. HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:847). Datzelfde geldt mutatis mutandis voor de stelling dat bij de voldoening op aangifte in strijd met het Unierecht sprake is van verschillende heffingsmodaliteiten (vgl. HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277). De zaak heeft derhalve geen enkel financieel belang als hiervoor bedoeld, zodat sprake is van een bijzondere omstandigheid die in dit geval meebrengt dat in hoger beroep geen sprake (meer) is van spanning en frustratie. Het Hof volstaat met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
4.35
Voor de vergoeding van wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling bestaan in de onderhavige zaken geen termen.
Overige grieven
4.36
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong)
(P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.