ECLI:NL:GHARL:2026:235

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/3 t/m 24/6
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19a lid 3 Wet BPMBesluit proceskosten bestuursrechtHR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslagen BPM en bezwaarkostenvergoeding

Belanghebbende is geconfronteerd met naheffingsaanslagen BPM voor vier personenauto’s, waarbij de Inspecteur de aanslagen heeft gehandhaafd na bezwaar. De Rechtbank verklaarde de beroepen voor twee auto’s gegrond en voor twee ongegrond, en paste de naheffingsaanslagen aan. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

In hoger beroep betoogde belanghebbende onder meer dat de naheffingsaanslagen op basis van de herleidingsmethode vernietigd moesten worden, dat de afschrijving op basis van de historische nieuwprijs met hogere BPM voor de te registreren auto’s moest worden berekend, dat een geringe afwijking in CO2-uitstoot geen verhoging van de handelsinkoopwaarde rechtvaardigt, en dat de bezwaarkostenvergoeding te laag was vastgesteld. Tevens vorderde belanghebbende een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het Hof verwierp het betoog over de herleidingsmethode en oordeelde dat een hogere CO2-uitstoot in het algemeen een waardeverhogende invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, waarbij de bewijslast bij belanghebbende ligt om het tegendeel aannemelijk te maken. Belanghebbende slaagde hier niet in. Het Hof verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot een intern e-mailbericht van de Belastingdienst.

Het Hof verklaarde het hoger beroep gegrond vanwege de te lage bezwaarkostenvergoeding en paste deze aan op basis van de hoge puntwaarde. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De overige onderdelen van de uitspraak van de Rechtbank werden bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard vanwege te lage bezwaarkostenvergoeding en overschrijding redelijke termijn, overige onderdelen bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/3 tot en met 24/6
uitspraakdatum: 13 januari 2026
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 27 oktober 2023, nummers ARN 22/2679, 22/2808, 22/3547 en 22/5253, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van respectievelijk € 2.140 (auto 1), € 2.980 (auto 2), € 2.908 (auto 3) en € 10.310 (auto 4).
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen BPM gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen voor de auto’s 3 en 4 ongegrond verklaard, voor de auto’s 1 en 2 gegrond verklaard, de naheffingsaanslagen voor de auto’s 1 en 2 verminderd tot respectievelijk € 2.101 en € 988, en vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 4.532 en € 730.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor vier personenauto’s (hierna: de auto’s) op aangifte bedragen aan BPM voldaan. Bij de aangiften zijn taxatierapporten gevoegd waarin herstelkosten zijn gecalculeerd. Deze herstelkosten zijn (deels) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarden die zijn gebaseerd op koerslijsten.
2.2.
De Inspecteur heeft voor de auto’s een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van deze onderzoeken zijn rapporten opgemaakt. Naar aanleiding van de bevindingen in deze rapporten heeft de Inspecteur aan belanghebbende naheffingsaanslagen opgelegd. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslagen voor de auto’s 1 en 2 verminderd. De naheffingsaanslagen zijn, na beroep, als volgt berekend:
Auto 1
( [kenteken1] )
Auto 2
( [kenteken2] )
Auto 3
( [kenteken3] )
Auto 4
( [kenteken4] )
Merk en type
Range Rover Sport 3.0
Mercedes-Benz 400d 4 MATIC
Audi A3
Audi RS Q7
Catalogusprijs
€ 114.510
€ 113.782
€ 73.143
€ 198.723
BPM
33.787
(CO2 185 gr/km)
38.07
(CO2 187 gr/km)
23.44
(CO2 189 gr/km)
66.734
(CO2 300 gr/km)
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
148.297
151.852
96.583
265.457
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd)
€ 37.068
€ 79.275
€ 32.800
€ 146.889
Dealer- en marktsituatie
-/- 10.408
Schade
-/- 185
-/- 1.173
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
36.883
67.694
32.8
146.889
Afschrijving
75,13%
55,42%
66,04%
44,67%
Historische BPM
€ 31.942
(CO2 185 gr/km)
€ 48.860
(CO2 208 gr/km)
€ 24.865
(CO2 192 gr/km)
€ 68.462
(CO2 304 gr/km)
Afschrijving
-/- 23.999
-/- 27.079
-/- 16.421
-/- 30.583
= Verschuldigde BPM
7.943
21.781
8.444
37.879
Extra leeftijdskorting
-/- 892
-/- 991
Betaald op aangifte
-/- 5.842
-/- 19.901
-/- 4.545
-/- 27.569
= Naheffingsaanslag
€ 2.101
€ 988
€ 2.908
€ 10.310

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
( i) dat alle naheffingsaanslagen op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moeten worden vernietigd;
(ii) dat voor het berekenen van de afschrijving van de auto’s 2 tot en met 4 de historische nieuwprijs moet worden gebaseerd op het (hogere) bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto (met een hogere CO2-uitstoot) is verschuldigd, en niet aan de hand van de (lagere) BPM die voor de referentieauto’s (met een lagere CO2-uitstoot) is verschuldigd;
(iii) dat op grond van intern beleid van de Belastingdienst een geringe afwijking in CO2-uitstoot niet in de weg staat aan toepassing van een koerslijst, waardoor voor de auto’s 3 en 4 geen aanleiding bestaat de handelsinkoopwaarde te verhogen bij een hogere CO2-uitstoot;
(iv) dat de Rechtbank een te lage bezwaarkostenvergoeding heeft toegekend; en
( v) dat wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep een schadevergoeding moet worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslagen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Herleidingsmethode (auto’s 1 tot en met 4)
4.1.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn door de Rechtbank verworpen betoog dat de naheffingsaanslagen op basis van de zogenoemde herleidingsmethode moeten worden vernietigd. Gelet op HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134, faalt dit betoog.
Afschrijving; invloed van hogere CO2-uitstoot (auto’s 2 tot en met 4)
4.2.
Ter bepaling van de historische nieuwprijs moet in aanmerking worden genomen het bedrag aan BPM dat voor de te registreren auto verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop deze voor het eerst in gebruik werd genomen. [1] Om de werkelijke waarde(daling) van de te registreren auto zo goed mogelijk te benaderen, moet volgens de Inspecteur in dat geval ook de handelsinkoopwaarde naar boven worden bijgesteld. De handelsinkoopwaarden zijn blijkens de aangiften gebaseerd op auto’s met een CO2-uitstoot van respectievelijk 187, 189 en 300 gr/km, terwijl de te registreren auto’s een CO2-uitstoot hebben van 208, 192 en 304 gr/km
4.3.
Naar het oordeel van het Hof is, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, een afwijkende CO2-uitstoot een verschil dat in aanmerking moet worden genomen ten opzichte van de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig. [2] Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een hogere CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed op de handelsinkoopwaarde zal hebben.
4.4.
Indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur gemotiveerd de door de belastingplichtige verdedigde vermindering (afschrijving) betwist, ligt het op de weg van de belastingplichtige om de feiten aannemelijk te maken die deze vermindering meebrengen. [3] Naar het oordeel van het Hof brengt deze bewijsregel mee dat de belastingplichtige – in geval van betwisting – het bewijs dient te leveren dat een afwijkende CO2-uitstoot niet leidt tot een hogere handelsinkoopwaarde en dus een lager afschrijvingspercentage van de te registreren auto. Een dergelijke verdeling van de bewijslast ligt te meer voor de hand nu als uitgangspunt heeft te gelden dat een afwijkende CO2-uitstoot in zijn algemeenheid een waardeverhogende invloed zal hebben op de handelsinkoopwaarde. De partij die stelt dat dit uitgangspunt niet opgaat, zoals belanghebbende doet, dient de daarvoor relevante feiten en omstandigheden aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken. [4] Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.
4.5.
Belanghebbende is niet in zijn bewijslast geslaagd. Hij heeft op generlei wijze zijn stelling onderbouwd dat de afwijkende CO2-uitstoot geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde, bijvoorbeeld met een koerslijst of deskundigenonderzoek waaruit dit blijkt. De bij de aangiften gevoegde taxatierapporten – welke taxaties zijn gebaseerd op de koerslijst van Xray – voldoen niet, omdat daarin nu juist auto’s met een lagere CO2-uitstoot zijn is getaxeerd. Dit betekent dat het Hof ervan uitgaat dat de hogere CO2-uitstoot van de te registreren auto een zodanige invloed heeft op de handelsinkoopwaarde dat ondanks de hogere historische nieuwprijs het afschrijvingspercentage daardoor niet wijzigt. Het gelijk is in zoverre aan de Inspecteur.
Vertrouwensbeginsel (auto’s 3 en 4)
4.6.
Belanghebbende heeft ter zitting gewezen op een intern e-mailbericht van de Belastingdienst van 15 april 2024, met als onderwerp ‘Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten’. Daarin is onder meer het volgende vermeld: “Vanzelfsprekend is het wel van belang om goed te blijven beoordelen of de koerslijst daadwerkelijk overeenkomt met het voertuig uit de aangifte en of er sprake is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot (dergelijke kleine verschillen verhinderen toepassing van de koerslijst immers niet). In eerdere gesprekken gaven koerslijstproviders ook aan dat verschillen vaak zijn terug te voeren op onjuist gebruik van de koerslijsten door gebruikers daarvan.” Volgens belanghebbende betreft deze mededeling beleid waaraan het vertrouwen kan worden ontleend dat een geringe afwijking in CO2-uitstoot – zoals in het onderhavige geval bij de auto’s 3 en 4 – niet in de weg staat aan toepassing van een koerslijst, zodat in die gevallen geen aanleiding bestaat de handelsinkoopwaarde te verhogen bij een hogere CO2-uitstoot.
4.7.
Anders dan belanghebbende betoogt, kan aan dit intern e-mailbericht geen vertrouwen worden ontleend. Nu dit bericht niet is gepubliceerd, komt aan het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geen rol toe. [5]
Proceskostenvergoeding bezwaarfase: waarde per punt
4.8.
De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten. Bij de vaststelling van de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase heeft de Rechtbank rekening gehouden met de ‘lage’ waarde per punt van € 296 uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4.9.
Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 dient te worden uitgegaan van de ‘hoge’ puntwaarde in bezwaar. Berekend naar het tarief van 2026 beloopt de vergoeding van de bezwaarkosten € 1.332 (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 666). De voor de beroepsfase toegekende proceskostenvergoeding van € 1.674 is niet in geschil.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn hoger beroep
4.10.
De procedure in hoger beroep is op 28 november 2023 aangevangen. De hogerberoepsfase is afgesloten met onderhavige uitspraak op 13 januari 2026. De behandeling van het hoger beroep heeft derhalve in totaal meer dan twee jaar geduurd. De redelijke termijn van twee jaar is daarom overschreden. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriële schadevergoeding te worden berekend op € 500. [6] De Staat zal daartoe worden veroordeeld.
Slotsom
Gelet op het overwogene in 4.9 wordt het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548.
5.2.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 467 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 934). In de omstandigheid dat de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend is vernietigd wegens het toekennen van een te lage bezwaarkostenvergoeding, ziet het Hof aanleiding een wegingsfactor 0,25 aan deze zaak toe te kennen. Voor het in hoger beroep gedane verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt geen aanvullend punt toegekend. [7]

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend voor wat betreft de toegekende bezwaarkostenvergoeding;
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de bezwaarkosten van € 1.332
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep van € 467;
  • draagt de Inspecteur op de door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden; en
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase tot een bedrag van € 500.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.4.
2.Vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3.
3.HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.5.3.
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1852 en 1858; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3914; Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876.
5.Vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1235.
6.Weliswaar is artikel 19a lid 3 Wet BPM (vergoeding van € 50 per half jaar) op 1 januari 2024 in werking getreden, maar deze bepaling vindt voor het eerst toepassing op vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn na 1 januari 2024 is aangevangen (artikel IV, aanhef en letter b Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507). In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu het hogerberoepschrift op 28 november 2023 is ingediend.
7.Vgl. HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:860, waarin de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond heeft verklaard en tevens een vergoeding voor immateriële schade heeft toegekend. De staatssecretaris is veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie tot een bedrag van € 3.628, te weten vier punten (cassatieberoepschrift en repliek) x € 907 x gewichtsfactor 1. Daarbij is de Staat niet veroordeeld in de proceskosten voor het ingediende schadeverzoek.