Uitspraak
1.[huurder1]
[huurder2]
[huurder3]
[huurder4]
[huurder5]
[huurder6]
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
3.Het oordeel van het hof
Er wordt dit jaar, uiterlijk eerste helft 2019 door de rechter een bindende uitspraak gedaan inzake de onverdeelde grond tussen [geintimeerde] en [appellant] waaruit een uiteindelijke verdeling wordt opgemaakt.
5.13. [appellant] heeft in zijn memorie van grieven onder grief 13 nader toegelicht dat de door de rechtbank toegewezen bedragen (vanaf 3 maart 2021) de geïndexeerde gebruiksvergoedingen tot en met het jaar 2021 zijn (waarbij in 2021 het gemiddelde CPI-percentage van 1,62% over de laatste 10 jaar is gehanteerd, zie daarvoor ook productie 11 bij dagvaarding van 17 maart 2021). [appellant] heeft de indexeringen opnieuw berekend en vordert in hoger beroep andere bedragen vanaf 3 maart 2021 tot en met 31 december 2024, alsmede nieuwe geïndexeerde bedragen per 1 januari 2024.
van zo wezenlijke betekenis zijn dat de overeenkomst zonder dit beding niet tot stand zou zijn gekomen of zonder dit beding niet van wilsovereenstemming omtrent het wezen van de overeenkomst sprake zou zijn.” [7] In de huurovereenkomst is een (aanvangs)huurprijs afgesproken en deze overeenkomst kan (voort)bestaan zonder het indexatiebeding. Het indexatiebeding is een aanpassingsmechanisme van de kosten van de aan de consument (de huurders) te verstrekken diensten (het huurgenot) en vormt aldus geen kernbeding in de zin van artikel 4 lid 2 Richtlijn 93/13 [8] . Het feit dat partijen voorafgaand aan deze procedure geen uitvoering hebben gegeven aan de clausules, bevestigt overigens ook dat deze clausules niet van zo wezenlijke betekenis zijn dat de huurovereenkomsten zonder deze clausules niet tot stand zouden zijn gekomen. Het hof ziet geen aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen om zich eerst uit te laten alvorens terug te komen op zijn eerdere beslissing. Partijen hebben zich namelijk in hun nadere aktes al uitgelaten over zowel de vraag of sprake is van een kernbeding als over een inhoudelijke toets van de clausules op oneerlijkheid. [9] Het hof komt tot de conclusie dat de clausules geen oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn 93/12 dan wel onredelijk bezwarende bedingen in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW zijn. Ter toelichting dient het volgende.
prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie” staat vermeld, terwijl deze term niet bestaat en onduidelijk is waar deze reeks naar verwijst. In de betreffende huurovereenkomsten wordt gesproken over ‘
prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie, reeks CPI’.Het is een feit van algemene bekendheid dat de term ‘prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie’ op enig moment is vervangen door de term ‘consumentenprijsindex’ (CPI). Er worden dus in de clausules weliswaar twee verschillende termen gebruikt, maar deze hebben dezelfde betekenis. Hoewel de redactie van de clausules in die zin eenduidiger had gekund, moet het volgens het hof voor de huurders duidelijk geweest zijn dat hun huurprijzen zouden worden verhoogd op basis van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex (CPI) alle huishoudens. Verder stellen de huurders dat voor de berekening meer informatie nodig is, namelijk of uit wordt gegaan van een jaargemiddelde of een maandcijfer van de CPI en dat er een basisjaar moet worden bepaald. Zowel indexering op basis van een maandcijfer als indexering op basis van een jaarcijfer is naar het oordeel van het hof een adequate en eerlijke manier om geldontwaarding te compenseren. Weliswaar kunnen zich tijdelijk verschillen voordoen, maar in de loop der jaren effenen deze zich uit. De huurders hebben ook niet gesteld dat de verschillen tussen beide berekeningsmethoden tot substantieel verschillende uitkomsten leiden. Dat contractueel geen keuze is vastgelegd, maakt dus niet dat huurders dientengevolge geconfronteerd zijn met huurprijsverhogingen waarop ze niet bedacht hoefden te zijn. Hetzelfde geldt ten aanzien van het basisjaar. Als de verhuurder eenmaal een keuze heeft gemaakt, moet daarop wel voortgebouwd worden teneinde een consistente reeks van indexeringen te verkrijgen. Uit de stellingen van [appellant] volgt dat hij dat ook heeft gedaan. Hij heeft voor de indexeringen aansluiting gezocht bij de standaard ROZ formule die luidt: “
de gewijzigde huurprijs is gelijk aan de geldende huurprijs op wijzigingsdatum, vermenigvuldigd met het indexcijfer van de vierde kalendermaand die ligt voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast, gedeeld door het indexcijfer van de zestiende maand die ligt voor de kalendermaand waarin de huurprijs wordt aangepast.” (zie randnummer 118 en noot 26, in samenhang met producties 68 en 69 (bij) memorie van grieven [appellant] ).
verhalen(bijvoorbeeld op grond van onrechtmatige daad) op een derde die niet in die procedure was betrokken, moet niet worden beantwoord aan de hand van de hiervoor vermelde strikte maatstaf. Voor beantwoording van die vraag gelden de algemene regels betreffende aansprakelijkheid en schadevergoeding. Van die algemene regels kunnen in het bijzonder die betreffende het causaal verband (artikel 6:98 BW) van belang zijn, alsmede de in artikel 6:96 lid 2 BW besloten liggende zogenoemde dubbele redelijkheidstoets. [13]
E. Een ligplaats voor een pleziervaartuig ten westen gelegen van de woonark en bij de huurprijs inbegrepen”
F. een ligplaats voor een pleziervaartuig met de maatvoering 8 meter bij 3 meter”.
Verhuurder verstrekt aan de huurder de volgende rechten en garanties: