Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
- de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
- een akte uitlating producties van de Gemeente
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op
2.De kern van de zaak
In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd in een arrest van
De vorderingen van SZK zijn door de voorzieningenrechter afgewezen in het vonnis van 6 december 2024. Van dat vonnis is SZK in hoger beroep gekomen op 3 januari 2025. Dat betreft dit hoger beroep.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
Volgens het hof ging het daarbij om essentiële punten waarover partijen het niet eens waren.
Dat doet afbreuk aan de stelling van SZK dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat wel overeenstemming zou worden bereikt.
De gemeente kan het erfpachtsrecht tijdens de duur daarvan alleen opzeggen, indien de gemeente om stedebouwkundige en/of planologische redenen over de grond moet beschikken (…)”.Daarin was dus voorzien dat de Gemeente de grond nodig zou kunnen hebben voor stedebouwkundig gebruik. Volgens de Gemeente zou ook al bij het meedelen van het voornemen tot opzegging van de erfpachtovereenkomst op 17 november 2010 door de toenmalige wethouder zijn gezegd dat de overeenkomst moest worden beëindigd vanwege plannen voor woningbouw. Dat is weliswaar betwist door SZK, maar in ieder geval biedt het concept van de erfpachtakte er wel steun voor dat in die periode al sprake was van (mogelijke) woningbouwplannen. In de opzeggingsbrief van 27 december 2010, die onder meer de bespreking van 17 november 2010 bevestigt, wordt ook wordt gerefereerd aan een voortzetting op een andere locatie in Zwolle.
Overigens maken die bouwplannen maken ook inzichtelijk dat en waarom voor de Gemeente (en mogelijk ook voor SZK) de kwestie van de vergoedingsregeling niet alleen van theoretische betekenis was.
3.17 Tenslotte heeft Van Vilsteren tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat de Gemeente na 2015 alleen nog maar wilde spreken over de mogelijkheid van verlenging voor een (veel) kortere termijn dan tot 2038, wat ook blijkt uit eerdere berichten van de Gemeente uit 2012. Dat was voor SZK echter niet bespreekbaar. Ook dat maakt dat van een gerechtvaardigd vertrouwen in de totstandkoming van een verlengingsafspraak geen sprake (meer) kon zijn.
e conclusie
Onder de proceskosten vallen wel de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [6]