ECLI:NL:GHARL:2024:2172

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
27 maart 2024
Zaaknummer
23/142
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake waardevaststelling onroerende zaak en vergoeding immateriële schade

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 26 maart 2024 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht. De zaak betreft de waardevaststelling van een tuincentrum op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 4.465.000 per waardepeildatum 1 januari 2019, wat leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2020. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt, maar de heffingsambtenaar handhaafde zijn beschikking. De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar kende wel een vergoeding van immateriële schade toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

In hoger beroep heeft belanghebbende zijn grieven ingetrokken en zich beperkt tot de vraag of de waarde te hoog is vastgesteld. Het Hof oordeelt dat de heffingsambtenaar erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede op basis van vergelijkingsobjecten. Het Hof heeft ook de vraag van de immateriële schadevergoeding beoordeeld en oordeelt dat de rechtbank terecht een schadevergoeding heeft toegekend, maar dat de heffingsambtenaar niet aansprakelijk is voor het griffierecht in deze procedure. Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht ten laste van de heffingsambtenaar, en veroordeelt de heffingsambtenaar tot een proceskostenvergoeding van € 218,75 aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/142
uitspraakdatum: 26 maart 2024
Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
en het incidentele hoger beroep van
de
heffingsambtenaarvan de
Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht(hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 november 2022, nummer UTR 21/2172, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [vestigingsplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 4.465.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar en de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (heffingsambtenaar € 833,33, de Staat € 166,67), proceskosten (ieder € 379,50) en griffierecht (ieder € 180).
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur, en [naam3] .

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een in 1975 en 1997 gebouwd tuincentrum. Het tuincentrum heeft een vloeroppervlakte van 8.321 m2. De oppervlakte van het perceel bedraagt 11.078 m2.

3.Geschil

3.1.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn algemeen geformuleerde grieven uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken en het geschil daarmee beperkt tot de vraag of de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.
3.2.
Het incidentele hoger beroep ziet op de vraag of de Rechtbank de heffingsambtenaar terecht en tot juiste bedragen heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De waarde als bedoeld in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44). De bewijslast met betrekking tot deze waarde rust op de heffingsambtenaar. Voor het antwoord op de vraag of hij daarin slaagt, zijn niet alleen de bewijsmiddelen die de heffingsambtenaar daartoe aandraagt van belang, maar moet ook rekening worden gehouden met de stukken en stellingen die belanghebbende ter betwisting daarvan aandraagt. Slechts indien de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of de belanghebbende de (eventueel) door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter zelf tot een vaststelling in goede justitie van de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
4.2.
In hoger beroep bepleit belanghebbende voor de onroerende zaak gemotiveerd een lagere waarde. In dat geval rust op de heffingsambtenaar de last feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is.
4.3.
Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op de in beroep ingebrachte taxatiematrix van taxateur [naam4] van 6 september 2021 waarin drie bedrijfspanden als vergelijkingsobject zijn gebruikt ter bepaling van de waarde per 1 januari 2019. In deze matrix zijn onderstaande vergelijkingsobjecten weergegeven:
Object
Oppervlakte
Huur/m2
Huurwaarde
Factor
Waarde
Huurprijs
[adres1]
[vestigingsplaats]
(tuincentrum)
Verkoopkas 4.790 m2
Winkelruimte 1.738 m2
Opslag 1.700 m2
Berging 93 m2
Totaal 8.321 m2
€ 57/m2
€ 85/m2
€ 38/m2
-
€ 58/m2
€ 273.030
147.73
64.6
1
€ 485.361
9,2
€ 4.465.313
(01-01-19)
€ 543/m2
Nvt
Koopsom
Huurprijs
[adres2]
[plaats1]
(bouwmarkt met tuincentrum)
Winkelruimte 5.500 m2
Winkelruimte 6.630 m2
Kantoor 275 m2
Laad/losruimte 185 m2
Totaal 12.590 m2
€ 83/m2
€ 65/m2
€ 90/m2
€ 45/m2
€ 73/m2
€ 456.500
430.95
24.75
8.325
€ 920.525
14,2
€ 14.500.000
(21-12-20)
Gecorr.:
€ 13.070.000€ 1.038/m2
Nvt
[adres3]
[plaats2]
(bouwmarkt)
Winkelruimte 4.119 m2
€ 85/m2
€ 350.115
12,1
€ 4.000.000
(06-12-16)
Gecorr.:
€ 4.249.000
€ 1.032/m2
Nvt
[adres4]
[vestigingsplaats]
(kantoor-/bedrijfspand)
Opslag 330 m2
Opslag 1.584 m2
Tech. Ruimte 36 m2
Kantoor 2.627 m2
Werkplaats 2.280 m2
Kantoor 336 m2
Kantoor 160 m2
Werkplaats 775 m2
Rijwielstalling 37 m2
Totaal 8.165 m2
€ 35/m2
€ 40/m2
-
€ 84/m2
€ 50/m2
€ 70/m2
€ 80/m2
€ 40/m2
€ 23/m2
€ 59/m2
€ 11.550
63.36
220.668
114
23.52
12.8
31
851
€ 477.749
9,6
€ 4.550.000
(16-11-18)
Gecorr.:
€ 4.567.000
€ 559/m2
Nvt
4.4.
Het Hof is van oordeel dat in het licht van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, de heffingsambtenaar aan de hand van de vergelijkingsmethode erin is geslaagd aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2019 ten bedrage van € 4.465.000 niet te hoog heeft vastgesteld. In dat verband hecht het Hof waarde aan de in de markt gerealiseerde verkoopprijzen voor de vergelijkingsobjecten [adres2] en [adres3] . Dat de verkoopdata van deze twee vergelijkingsobjecten meer dan een jaar van de waardepeildatum zijn gelegen, is - bij gebrek aan beter - geen reden om deze verkoopcijfers buiten beschouwing te laten.
4.5.
Het vergelijkingsobject [adres3] is slechts de helft zo groot (8.321 m2 vs. 4.119 m2) en heeft in de markt (naar de waardepeildatum gecorrigeerd) € 1.032 per m2 opgebracht. Het object [adres2] is de helft groter (8.321 m2 vs. 12.590 m2) en heeft – ondanks het afnemend grensnut – ook (naar de waardepeildatum gecorrigeerd) nog € 1.038 per m2 opgebracht. Met het verschil in kwaliteit en onderhoudstoestand heeft de heffingsambtenaar in voldoende mate rekening gehouden door bij de onroerende zaak een aanmerkelijk lagere waarde per m2 in aanmerking te nemen. Gelet daarop acht het Hof aannemelijk dat de waarde van de onroerende zaak ten bedrage van € 4.465.000 – waarbij is uitgegaan van € 543 per m2 – niet te hoog is vastgesteld.
4.6.
Verder merkt het Hof nog op dat, anders dan belanghebbende meent, niet kan worden gezegd dat de uitbraak van COVID-19 in maart 2020 een waardebepalende factor was ten tijde van de waardepeildatum (1 januari 2019). Ook het verbod om vuurwerk te verkopen in december 2020 en 2021 kan reeds daarom geen effect hebben gehad ten tijde van de waardepeildatum.
Immateriëleschadevergoeding
4.7.
De Rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn in eerste aanleg met 7 maanden is overschreden, welke overschrijding deels toerekenbaar is aan de bezwaarfase en deels aan de beroepsfase.
4.8.
In hoger beroep betoogt de heffingsambtenaar dat het procedeergedrag van gemachtigde Bartels (diens gebruikelijke werkwijze) een bijzondere omstandigheid vormt die een verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt met een jaar. De heffingsambtenaar wijst in dit verband op een recente uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221 waarin de rechtbank in die zin heeft geoordeeld. Van een overschrijding van de redelijke termijn is dan geen sprake meer, aldus de heffingsambtenaar.
4.9.
Het Hof is met de heffingsambtenaar van oordeel dat onder omstandigheden het uitzonderlijke geval zich kan voordoen dat de algemene proceshouding van een professionele rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt van de redelijke termijn. Daarbij kan dan ook worden betrokken hetgeen buiten het verband van de desbetreffende procedure bekend is over het gedrag van deze gemachtigde (vgl. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1730, r.o. 2.2.5; HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1370, r.o. 4.6.8).
4.10.
In de omstandigheden van het geval ziet het Hof daartoe echter geen aanleiding. Het rechtbankdossier biedt onvoldoende feitelijke aanknopingspunten dat het procedeergedrag van gemachtigde Bartels in de weg heeft gestaan aan het doen van uitspraak binnen de termijn van twee jaar die volgens de uitgangspunten van het overzichtsarrest als redelijk moet worden beschouwd. Voor zover de heffingsambtenaar bedoelt te stellen dat gemachtigde Bartels door zijn gebruikelijke werkwijze in staat is grote aantallen bezwaar- en beroepsprocedures te entameren, waardoor bestuursorganen en de belastingrechtspraak in het hele land dreigen vast te lopen, overweegt het Hof nog dat het Rechtbankdossier geen concrete aanknopingspunten bevat dat de berechting van deze zaak hierdoor is vertraagd. De behandelende rechters in eerste aanleg hebben daar kennelijk evenmin aanleiding voor gezien, terwijl die bij uitstek zicht hebben op wat zich in eerste aanleg heeft afgespeeld.
4.11.
De Rechtbank heeft overeenkomstig het overzichtsarrest geoordeeld dat de door belanghebbende geleden immateriële schade moet worden berekend op € 1.000 (twee maal € 500 per halfjaar overschrijding) en dat de heffingsambtenaar hiervan € 833,33 moet vergoeden. Ondanks de actuele ontwikkelingen bij de rechtbanken onderschrijft de Hoge Raad de uitgangspunten van het overzichtsarrest – waaronder een standaardvergoeding van € 500 per half jaar overschrijding (vgl. HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1370, r.o. 4.9.2) – nog steeds. Het Hof volgt daarom niet het betoog van de heffingsambtenaar dat in gevallen als het onderhavige de vergoeding van immateriële schade beperkt moet blijven tot € 50 per half jaar overschrijding overeenkomstig de recente rechtspraak van met name Rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RMNE:2022:5547 en ECLI:NL:RBMNE:2023:4481).
4.12.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden bij overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang. Wel kan een uitzondering worden gemaakt voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. In een dergelijk geval bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaakt. Bij het ontbreken van zodanige spanning en frustratie kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1361, r.o. 3.3.2).
4.13.
Indien het belang van een procedure uitsluitend is gelegen in de vaststelling van een of meer door of aan een bestuursorgaan te betalen bedragen, moet worden aangenomen dat de procedure betrekking heeft op een zeer gering financieel belang, indien de som van die bedragen niet meer beloopt dan € 15 (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, r.o. 2.3).
4.14.
Het financieel belang in onderhavige procedure beloopt meer dan € 15, zodat op basis van de heersende jurisprudentie van de Hoge Raad geen aanleiding bestaat om vanwege die reden geen spanning en frustratie aan te nemen.
4.15.
Evenals de Rechtbank ziet het Hof in de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding om af te wijken van de uitgangspunten die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn overzichtsarrest HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Anders dan de heffingsambtenaar betoogt, staat aan toekenning van een immateriëleschadevergoeding niet in de weg dat aan belanghebbende bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’ en evenmin dat belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald (HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3). Naar het oordeel van het Hof heeft de Hoge Raad daarbij het oog gehad op een geval als het onderhavige, waarin de schadevergoeding niet alleen aan de rechtsbijstandverlener moet worden uitbetaald maar dat deze de vergoeding op grond van gemaakte afspraken ook mag behouden (als beloning voor de verleende rechtsbijstand). In zoverre slaagt het incidentele hoger beroep niet.
4.16.
De Rechtbank heeft het beroep op zichzelf beschouwd ongegrond geacht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend. De Rechtbank heeft hierin terecht aanleiding gezien een proceskostenveroordeling uit te spreken (overzichtsarrest r.o. 3.14.1). De proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft de Rechtbank overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op € 759, met toepassing van gewichtsfactor 0,5 (licht). Met de heffingsambtenaar is het Hof van oordeel dat in dit geval toepassing van gewichtsfactor 0,25 (zeer licht) op zijn plaats is (HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2).
4.17.
De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase dient derhalve te worden berekend op € 437,50 (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 875). Hiervan komt € 218,75 (de helft) voor rekening van de heffingsambtenaar. Dit is minder dan de proceskostenveroordeling die de Rechtbank ten laste van de heffingsambtenaar heeft uitgesproken (€ 379,50), zodat het incidentele hoger beroep in zoverre slaagt.
Griffierecht
4.18.
Vanwege het toekennen van een immateriëleschadevergoeding, heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar opgedragen de helft van het in eerste aanleg betaalde griffierecht (€ 180) aan belanghebbende te vergoeden.
4.19.
In een geval als het onderhavige, waarin het beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, het verzoek tot vergoeding van immateriële schade is gedaan gedurende het beroep, en op het verzoek titel 8.4 van de Awb (‘Schadevergoeding’) van toepassing is, bestaat geen recht op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. Op grond van artikel 8:94, lid 2, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, lid 1, van de Awb, zoals hier aan de orde, namelijk geen griffierecht verschuldigd. Het toekennen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn leidt in dit geval dus niet tot vergoeding van het griffierecht (vergelijk CRvB 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:102, ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1160 en gerechtshof Amsterdam 12 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3068). Ook in zoverre slaagt het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar.
4.20.
De Staat heeft geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld tegen de te zijnen laste uitgesproken nevenbeslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, zodat het Hof die beslissingen in stand laat.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht ten laste van de heffingsambtenaar,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 218,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. C.M.R. Bouwman als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
De griffier, De voorzitter,
(C.M.R. Bouwman) (V.F.R. Woeltjes)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 27 maart 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.