Belanghebbende heeft BPM betaald voor zeven gebruikte geïmporteerde auto’s en bezwaar gemaakt tegen de hoogte van deze belasting. De Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep gegrond voor één auto (auto 2) en ongegrond voor de overige. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het Hof onderzocht onder meer de hoorplicht, de verplichting van de Inspecteur tot het overleggen van kenteken- en tenaamstellingsgegevens, en de toepassing van het Unierecht op de BPM-heffing. Het Hof oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden en dat de Inspecteur de relevante gegevens tijdig had ingebracht. Het systeem van BPM-heffing waarbij betaling voorafgaat aan tenaamstelling is niet in strijd met het Unierecht.
Voor auto 5 werd vastgesteld dat de BPM verminderd moest worden vanwege een extra leeftijdskorting, waardoor het hoger beroep voor die auto gegrond werd verklaard. Voor de overige auto’s werd het beroep ongegrond verklaard. Verder wees het Hof het beroep af dat de Inspecteur ongelijk zou behandelen ten opzichte van artikel-achtvergunninghouders.
Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan belanghebbende en wees een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Het Hof zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het HvJ en bevestigde de geldende bewijslastverdeling.