Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Ontstaan en loop van het geding
2.De vaststaande feiten
2.Vervolg stappen
- [H] B.V. is opgericht op 9 december 2003 (…)
- Als adres is bekend [ ]
- (…)
- [H] B.V. is beschreven vanaf 1 juli 2004 voor de omzetbelasting. De omzetbelastingaangiften over het jaar 2004 waren nihil.
- Als enig aandeelhouder staat geregistreerd [J] B.V (…)
- Als enig aandeelhouder van [J] B.V. staat [X] geregistreerd met fiscaal-nummer [ ], dit is tevens het dossiernummer bij de Belastingdienst.
- De heer [X] is geboren [in] 1953 en staat ingeschreven op hetzelfde adres als zijn B.V.; (…).
- (…)
Fi base: (…) Over de heer [X] staan over de jaren 2000 tot en met 2004 geen inkomensgegevens geregistreerd (…)’
HSB systeem: (…) Op naam van [J] B.V. staat een Mercedes-Benz geregistreerd (…). De auto is nieuw op 10 september 2004 gekocht. Daarvoor stond een op 18 september 2003 nieuw gekochte Mercedes-Benz (…) op zijn naam. (…)
2.Algemeen
3.Winstberekening
4.Privé kosten welke zakelijk zijn geboekt
6.Overzicht correcties
3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
4.Beoordeling van het geschil
.De behandeling van het hoger beroep heeft derhalve vier jaar en tien maanden en dertien dagen geduurd, hetgeen volgens het in 4.36 vermelde uitgangspunt een overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil meebrengt van ruim twee jaar en tien maanden. Er is evenwel een bijzondere omstandigheid die een langere behandelduur van de zaak in hoger beroep dan genoemde twee jaar rechtvaardigt. De onderhavige zaak is namelijk tezamen met de zaken betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting (onder meer over 2003) aangehouden in afwachting van de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zogenoemde Kamino-zaak. Dit is schriftelijk aan partijen medegedeeld. Genoemd arrest is gewezen op 3 juli 2014 (nr. C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041). Gelet hierop, acht het Hof het redelijk de behandelduur van twee jaar te verlengen met de periode die is verstreken tussen 10 september 2013 (de datum van de aankondiging van de aanhouding) en 3 juli 2014 (de datum van het arrest in de Kamino-zaak), derhalve met 10 maanden. Mitsdien is de redelijke termijn in appèl overschreden met ruim twee jaar.
5.Kosten
6.Beslissing
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de navorderingsaanslag IB/PVV 2003, de daarbij behorende boetebeschikking, beschikking inzake de heffingsrente en de toegekende proceskostenvergoeding;
- verklaart het beroep tegen de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2003, de daarbij behorende boetebeschikking en beschikking heffingsrente gegrond;
- vernietigt die uitspraken op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2003 tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 359.654 ;
- vermindert de daarbij behorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
- vermindert de vergrijpboete tot € 40.000;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.726, en
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade ten bedrage van € 3.500.