Deze zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam over navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd aan belanghebbende, een rechtspersoon, en de directeur-grootaandeelhouder (dga). Het geschil draait om de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.
Het Hof kende een schadevergoeding toe aan zowel belanghebbende als de dga, gebaseerd op het normbedrag van € 500 per halfjaar, voor gezamenlijk behandelde zaken die inhoudelijk sterk verwant zijn en betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex over vijf jaren. De Staatssecretaris stelde dat slechts één vergoeding aan de dga toereikend zou zijn, omdat de spanning en frustratie van de rechtspersoon feitelijk door de dga wordt ondervonden.
De Hoge Raad oordeelt dat iedere belanghebbende, ook een rechtspersoon, een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft. Bij gezamenlijk behandelde zaken die in hoofdzaak op hetzelfde feitencomplex betrekking hebben, kan worden volstaan met toekenning van een vergoeding in één of enkele zaken, maar het achterwege laten van vergoeding aan de rechtspersoon is onjuist. De middelen van beide partijen worden ongegrond verklaard en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.