Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:791

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
24/3527 en 24/3528
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 173 DWUArt. 174 DWUArt. 148 Gedelegeerde verordening DWUArt. 51 Uitvoeringsverordening DWUArt. 3:60 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vertegenwoordigingsbevoegdheid en tariefcontingent bij douaneaangifte

Belanghebbende [X BV] stelde in hoger beroep dat [A BV] niet bevoegd was om namens haar een douaneaangifte te doen, omdat de volmacht van de gemachtigde [persoon 1] beperkt was tot transacties onder €100.000. Het hof oordeelde dat deze beperkte volmacht niet toereikend was voor de aangifte, maar dat de inspecteur op grond van gedragingen en verklaringen van belanghebbende redelijkerwijs mocht aannemen dat [A BV] bevoegd was. Hierdoor kwam het risico van onbevoegdheid voor rekening van belanghebbende.

Verder werd geoordeeld dat de inspecteur de goederen niet onzorgvuldig had vrijgegeven en dat het risico van een uitgeput tariefcontingent inherent was aan de douaneregelgeving. Verzoeken tot wijziging en ongeldigmaking van de aangifte werden afgewezen omdat de aangifte niet per vergissing was gedaan en de wettelijke bepalingen een beperkte wijzigingsmogelijkheid bieden.

Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van onvoorziene gevolgen. Ook was er geen beschikking van de inspecteur over terugbetaling of kwijtschelding, zodat daarover niet kon worden geoordeeld. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 24/3527 en 24/3528
20 januari 2026
uitspraak van de meervoudige douanekamer
op het hoger beroep van
[X BV], gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(advocaat: mr. ing. B.J.B. Boersma)
tegen de uitspraak van 17 september 2024 in de zaak met kenmerken HAA 22/2385 en HAA 22/5174 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de
inspecteur van de Douane, de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op twee beroepen van belanghebbende, over (i) een afgewezen verzoek om intrekking van de vrijgave van goederen en een afgewezen verzoek om ongeldig making dan wel wijziging van de aangifte (kenmerk 24/3527, rechtbankkenmerk HAA 22/2385), en (ii) een aan haar opgelegde uitnodiging tot betaling (hierna: de utb; kenmerk 24/3528):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak 22/2385 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak 22/5174 niet-ontvankelijk voor zover het een verzoek als bedoeld in de artikelen 119 en 120 van het DWU betreft en voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiseres van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75;
- draagt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht van in totaal € 730 (2 x € 365) aan eiseres te vergoeden.”
1.2.
Na het instellen van hoger beroep op naam van belanghebbende hebben partijen de volgende stukken ingediend:
  • een verweerschrift door de inspecteur;
  • een nader stuk met een aanvullende grond door belanghebbende;
  • een nader stuk met een reactie op de aanvullende grond door de inspecteur.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
Op 9 augustus 2021 heeft [A BV] via het elektronische aangiftesysteem (hierna: AGS) een douaneaangifte ingediend met een nummer eindigend op PGWD57 (hierna: de aangifte). In de aangifte is vermeld dat [A BV] de aangifte als direct vertegenwoordiger van belanghebbende indient.
2.2.
De aangifte is gedaan om 500 coils “COLD ROLLED ANNEALED COILS MATTE FINISH DOS-A OILED AND SKINPASSED”, met een nettogewicht van 16.101.380 kilogram, een douanewaarde van € 11.933.676,64 en als land van oorsprong India (hierna: de goederen), in het vrije verkeer te brengen. Door het vermelden van preferentiecode 120 en contingentnummer 098801 is toepassing van een niet-preferentieel tariefcontingent verzocht. De rollen staal waren eigendom van belanghebbende.
2.3.
De hoeveelheden in het kader van de tariefcontingenten worden niet eerder toegewezen dan op de tweede werkdag na aanvaarding van de douaneaangifte waarin om toepassing van het tariefcontingent is verzocht (artikel 51, lid 2, Uitvoeringsverordening DWU). De beschikbare hoeveelheid van het tariefcontingent 098801, met een omvang van aanvankelijk 150.937,31 ton netto, was in augustus 2021 als volgt (in kilogrammen):
10-8-2021 0.000
9-8-2021 14.618.688.997
6-8-2021 20.539.139.000
5-8-2021 24.785.174.000
4-8-2021 34.681.479.000
3-8-2021 48.822.826.000
2-8-2021 49.537.736.000
2.4.
De aangifte is op de dag van indiening, op 9 augustus 2021 om 10:21 uur, aanvaard in AGS. Na die aanvaarding zijn in AGS mededelingen naar [A BV] verstuurd, inhoudende dat geen douanerechten zijn verschuldigd en dat de betrokken goederen zijn vrijgegeven.
2.5.
Direct op 9 augustus 2021 is de aanvraag conform de aangifte voor het tariefcontingent doorgeleid naar het aanvraagsysteem DTC/Quota van de inspecteur en vervolgens ingediend bij de Europese Commissie.
2.6.
Op 11 augustus 2021, de dag waarop aanvragen van 9 augustus 2021 voor toewijzing van het tariefcontingent werden behandeld, bleek het tariefcontingent te zijn uitgeput. De aanvraag tot toepassing van het tariefcontingent is daarom niet gehonoreerd.
2.7.
In AGS is daarop, op 11 augustus 2021, automatisch geconcludeerd dat 25 percent aan aanvullende rechten (of, juister: vrijwaringsrechten) is verschuldigd voor de in de aangifte vermelde goederen. Omdat de doorlopende zekerheid van [A BV] niet toereikend was om het verschuldigde bedrag van € 2.983.419,16 te voldoen, is [A BV] op 11 augustus 2021 verzocht een contante betaling te doen of maandkrediet bij te storten. Op 13 augustus 2021 is [A BV] via AGS over het verlopen van de betalingstermijn geïnformeerd.
2.8.
De advocaat van belanghebbende (hierna: de advocaat) heeft op 7 september 2021 een brief aan de Douane gestuurd betreffende de aangifte. In die brief is onder meer vermeld:
“Ik deel u mede dat ik door [belanghebbende] verzocht ben om in deze als haar vertegenwoordiger op te treden. Dat betekent tevens dat [A BV] niet meer zal optreden als (direct) vertegenwoordiger van [belanghebbende], althans niet voor de onderhavige aangifte.
(…) Ik begrijp dat [A BV] hierover ook al heeft gecommuniceerd, maar doe bij deze een formeel verzoek om over te gaan tot ongeldigmaking van de aangifte overeenkomstig artikel 174 DWU Pro. Voorts verzoek ik – zo nodig – om over te gaan tot wijziging van de aangifte overeenkomstig artikel 173 DWU Pro.”
2.9.
Na het verstrekken van nadere informatie door de advocaat aan de behandelaar van de verzoeken die zijn gedaan in de in 2.8 bedoelde brief, en na correspondentie tussen de advocaat en de behandelaar van het verzoek over het voornemen van de inspecteur om de verzoeken af te wijzen, heeft de inspecteur bij brief aan de advocaat van 16 november 2021 zijn besluit tot afwijzing van de verzoeken bekendgemaakt.
2.10.
Op 17 november 2021 heeft de advocaat namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek tot ongeldigmaking dan wel wijziging van de aangifte. Dat bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 22 februari 2022 afgewezen. Daarop heeft de advocaat op 29 maart 2022 namens belanghebbende beroep ingesteld (kenmerk 24/3527).
2.11.
Met dagtekening 11 maart 2022 heeft de inspecteur een uitnodiging tot betaling aan belanghebbende uitgereikt voor naar aanleiding van de aangifte ontstane douaneschuld van € 2.983.419,16. Daartegen heeft de advocaat namens belanghebbende op 29 maart 2022 tevergeefs bezwaar gemaakt. Daarop heeft hij op 14 september 2022 een tweede beroep namens belanghebbende ingesteld (kenmerk 24/3528).
2.12.
Op 27 oktober 2025 heeft belanghebbende een document “Overeenkomst/machtiging voor het optreden als direct vertegenwoordiger” overgelegd waarin zij wordt opgevoerd als “Opdrachtgever / direct vertegenwoordigde” en [A BV] als “Expeditie onderneming / Direct Vertegenwoordiger”. Namens belanghebbende is het document op 16 december 2020 ondertekend, mede met een bedrijfsstempel, door [persoon 1] , onder vermelding van de functie “Puchasing Manager” (hierna: [persoon 1] ).
2.13.
Ten tijde van het indienen van de aangifte in 2021 was [persoon 1] in het handelsregister ingeschreven als gevolmachtigde van belanghebbende onder vermelding van de volgende bevoegdheid:
“to perform trade transactions relating to the purchase of raw materials, goods and services for the purposes of the Industrial Containers Business Unit, provided that each transaction separately does not exceed the amount of EUR 100,000.”
2.14.
Verder was in het handelsregister vermeld dat beide bestuurders van belanghebbende alleen/zelfstandig bevoegd waren belanghebbende te vertegenwoordigen. Daarnaast waren twee gevolmachtigden ingeschreven met een volledige volmacht: de Finance Manager/SBU Controller en [persoon 2] , de (toenmalige) bedrijfsjurist.

3.Geschil in hoger beroep

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de verzoeken om intrekking van de vrijgave en ongeldig making dan wel wijziging van de aangifte terecht zijn afgewezen en of de utb terecht is opgelegd.

4.Beoordeling

Vertegenwoordigingsbevoegdheid [A BV]
4.1.
Aanleiding bestaat om eerst de aanvullende grond van het hoger beroep te beoordelen die belanghebbende in haar nader stuk van 27 oktober 2025 heeft aangevoerd en die inhoudt dat [A BV] niet bevoegd was om de aangifte namens haar in te dienen. Volgens belanghebbende vloeit die onbevoegdheid voort uit de onbevoegdheid van [persoon 1] om [A BV] namens haar volmacht tot directe vertegenwoordiging te geven. Zij heeft gewezen op de beperkte volmacht van [persoon 1] die in het handelsregister was ingeschreven (zie 2.13), welke zij ontoereikend acht. Indien [A BV] inderdaad onbevoegd was, moet [A BV] worden geacht de aangifte in eigen naam en voor eigen rekening te hebben ingediend (artikel 19 van Pro het DWU), is de utb onterecht aan belanghebbende uitgereikt en heeft belanghebbende geen belang bij het verzoek tot ongeldigmaking of wijziging van de aangifte.
4.2.
Het primaire verweer van de inspecteur is dat [persoon 1] wel bevoegd was om [A BV] te machtigen om voor de aangifte op te treden als direct vertegenwoordiger van belanghebbende. Het verlenen van die volmacht is onlosmakelijk verbonden met de logistieke dienstverlening die [persoon 1] uit naam van belanghebbende mocht inkopen, omdat de kosten ervan niet meer dan € 100.000 zouden belopen, aldus de inspecteur. En anders zou het afgeven van de volmacht onlosmakelijk verbonden zijn met de inkoop van de partij staalproducten. Subsidiair heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat hij mocht afgegaan op de schijn van bevoegdheid van [A BV] . In dat verband heeft hij gewezen op:
de functie van [persoon 1] (inkoopmanager);
de indiening van het verzoek de aangifte ongeldig te maken (zie 2.8);
het maken van bezwaar tegen de afwijzing van dat verzoek (zie 2.10);
het maken van bezwaar tegen de utb die is uitgereikt na de afwijzing van het onder iii vermelde bezwaar (zie 2.11);
het instellen van het beroep tegen beide uitspraken op bezwaar en vervolgens het instellen van hoger beroep;
het pas op 27 oktober 2025 voor het eerst aan de orde stellen van de volmacht (zie 2.12), en
de omstandigheid dat [A BV] in 2021 nog diverse andere douaneaangiften voor belanghebbende heeft gedaan, eveneens voor goederen met een inkoopwaarde van veel meer dan € 100.000.
4.3.
Het Hof volgt de inspecteur niet in zijn primaire verweer dat enkel uit de vermelding in het handelsregister kan worden afgeleid dat [persoon 1] bevoegd was om [A BV] te machtigen de aangifte in te dienen als direct vertegenwoordiger van belanghebbende. De volmacht tot het inkopen van goederen en diensten tot maximaal € 100.000 per transactie heeft in redelijkheid niet de bevoegdheid omvat om [A BV] te machtigen de aangifte in te dienen waaruit, gelet op het toepasselijke vrijwaringsrecht van 25 percent en de waarde van de betrokken goederen, een betalingsverplichting voor belanghebbende van een veelvoud van € 100.000 kon voortvloeien.
4.4.
Ook overigens kan op grond van de in 2.12 bedoelde “Overeenkomst/machtiging voor het optreden als direct vertegenwoordiger” niet worden aangenomen dat aan [A BV] toereikende volmacht is verleend, in de zin van artikel 3:60 van Pro het BW, om uit naam van belanghebbende de aangifte in te dienen. Zo heeft de inspecteur niet gesteld dat [persoon 1] dat document heeft ondertekend op basis van een (andere) volmacht die niet uit het handelsregister blijkt dan wel met instemming van een persoon die wel bevoegd was [A BV] te machtigen. De inspecteur heeft evenmin aangeboden of verzocht daarnaar nader onderzoek te doen, al dan niet door nadere bewijsverrichtingen in deze procedure, zoals het horen van getuigen. De omstandigheid dat belanghebbende, ook na daarnaar ter zitting te zijn gevraagd, geen inzicht heeft verschaft in hoe het verlenen van de opdracht aan [A BV] is verlopen (bv. hoe [persoon 1] is aangestuurd) en in hoe en door wie de instructies voor de aangifte aan [A BV] zijn gegeven, kan de inspecteur, op wie de bewijslast rust, daarom niet baten. Voorts heeft de inspecteur zich niet beroepen op bekrachtiging (vgl. HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1314, r.o. 2.3.3).
4.5.
Bij die stand van het geding rijst de vraag of de inspecteur op grond van de door hem gestelde gedragingen of althans verklaringen van belanghebbende redelijkerwijs mocht aannemen dat belanghebbende aan [A BV] volmacht heeft verleend om de aangifte als haar direct vertegenwoordiger te doen. Op grond van het bepaalde in artikel 3:61, lid 2, van het BW kan belanghebbende bij een bevestigend antwoord op die vraag geen beroep doen op de onjuistheid van de veronderstelling van de inspecteur. De externe bevoegdheid van [A BV] reikte in dat geval verder dan haar interne bevoegdheid. Die bevinding volstaat voor de conclusie dat [A BV] belanghebbende bevoegd heeft vertegenwoordigd in de zin van artikel 19 van Pro het DWU (vgl. HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1314, r.o. 2.4.3). Bij de uit te voeren beoordeling kunnen ook verklaringen en gedragingen die hebben plaatsgevonden na de onbevoegde vertegenwoordiging van belang zijn (HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1119, r.o. 3.4.2), alsmede een niet-doen (HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429, r.o. 3.4, en HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1456, r.o. 3.2).
4.6.1.
Het subsidiaire verweer van de inspecteur slaagt wel. Hij mocht op grond van de in 4.2 onder ii tot en met vi vermelde gedragingen onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze aannemen dat aan [A BV] een toereikende volmacht was verleend. In de kern komt het erop neer dat de inspecteur erop heeft vertrouwd dat de aangifte, die in naam van belanghebbende is gedaan voor goederen van belanghebbende, inderdaad de aangifte van belanghebbende is, nadat hij uitgebreid overleg had gevoerd met belanghebbende, bijgestaan door een gespecialiseerde advocaat, over een door belanghebbende gedaan verzoek tot ongeldigmaking of wijziging van de aangifte, welk verzoek slechts kan worden gedaan door degene van wie de aangifte is. Mede met inachtneming van het navolgende, komt de op deze plaats aan te nemen onjuistheid van die veronderstelling naar verkeersopvattingen voor risico van belanghebbende.
4.6.2.
Ten eerste zijn alle betrokken gedragingen toe te rekenen aan belanghebbende, ook voor zover in feite verricht door haar advocaat. De advocaat heeft immers kenbaar gemaakt dat hij namens belanghebbende optrad, hetgeen zij ook nooit heeft bestreden. Integendeel zelfs: ter zitting bij het Hof is nog uitdrukkelijk verklaard dat de advocaat opdracht heeft gekregen van [persoon 2] , de toenmalige bedrijfsjurist van belanghebbende, voor wie destijds een algemene volmacht was ingeschreven in het handelsregister (zie 2.14). In elk geval komen de gedragingen naar verkeersopvattingen voor risico van belanghebbende.
4.6.3.
Ten tweede heeft (de advocaat namens) belanghebbende in het tot de inspecteur gerichte verzoek om de aangifte ongeldig te maken of te wijzigen geschreven dat [A BV] “niet meer zal optreden als (direct) vertegenwoordiger van [belanghebbende], althans niet voor de (…) aangifte” (zie 2.8). Die woordkeuze draagt bij aan het vertrouwen dat de inspecteur ten tijde van de behandeling van het verzoek en het latere uitreiken van de utb mocht koesteren dat [A BV] de aangifte bevoegd als haar direct vertegenwoordiger heeft gedaan, zelfs als de bevoegdheid van [A BV] in de (interne) verhouding tot belanghebbende minder ver reikte.
4.6.4.
Ten derde is het niet voorstelbaar dat de bestuurders van belanghebbende niet al snel op de hoogte zijn geraakt van de aangifte, nadat belanghebbende voor een betalingsverplichting van bijna drie miljoen euro dreigde te worden aangesproken. Daarbij mag worden verwacht dat die bestuurders wisten wie bevoegd was om namens belanghebbende douaneaangiften te doen. En voorts dat zij direct zouden (doen) protesteren over een onbevoegde indiening. Dat nalaten, gedurende de periode van ruim zes maanden tot de uitreiking van de litigieuze utb en zelfs tot ver in de procedure in hoger beroep, versterkt het vertrouwen dat de inspecteur redelijkerwijs mocht hebben in de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A BV] .
4.6.5.
Daartegenover staat weliswaar een interne instructie binnen de douane dat de inspecteur voor een utb naar aanleiding van een controle na de invoer onderzoek moet doen naar de bevoegdheid van een eventuele vertegenwoordiger die de aangifte heeft gedaan, maar die is van onvoldoende gewicht om anders te oordelen. Hoewel dergelijk onderzoek in beginsel inderdaad van de inspecteur mag worden verwacht, is het in het licht van wat in dezen aan het uitreiken van de utb is voorafgegaan (zie hiervoor), niet onzorgvuldig dat de inspecteur niet nader heeft onderzocht of de aangifte echt van belanghebbende is.
4.7.
Daarom leidt de aanvullende grond niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep.
Vrijgave van de goederen en verificatie
4.8.
In eerste aanleg is reeds in geschil geweest of de utb moet worden vernietigd wegens een zorgvuldigheidsgebrek van de inspecteur bij de vrijgave van de goederen dan wel het nalaten van een adequate verificatie van de aangifte. Indien de inspecteur gedaan had wat hij volgens belanghebbende had moeten doen, waren de goederen later vrijgegeven en had belanghebbende voor de vrijgave kunnen ontdekken dat het contingent op 9 augustus 2021 kritiek was geworden en op 10 augustus 2021 was uitgeput. Zij had dan nog ongeldigmaking van de aangifte kunnen verzoeken. De rechtbank heeft dienaangaande geoordeeld dat de inspecteur de goederen niet ten onrechte (het Hof leest: onzorgvuldig) heeft vrijgegeven en evenmin een verdergaande verificatie had moeten uitvoeren dan de systeemcontrole in het aangiftesysteem.
4.9.
Het Hof stelt voorop dat een douaneaangifte in beginsel mag worden geacht de wil van de aangever te weerspiegelen. Daarnaast volgt uit artikel 51 van Pro de Uitvoeringsverordening DWU dat de Europese Commissie hoeveelheden in het kader van tariefcontingenten op zijn vroegst toewijst twee werkdagen na de dag van de aanvaarding van de douaneaangifte met een verzoek tot toepassing van een contingent. Ten tijde van het doen van de douaneaangifte bestaat daarom inherent geen zekerheid dat het tariefcontingent voor de verzochte hoeveelheid uiteindelijk zal kunnen worden toegepast.
4.10.
De in 4.8 bedoelde klachten van belanghebbende falen mede tegen de achtergrond van de vooropstellingen in 4.9. Die klachten houden namelijk in wezen in dat het risico van een (onverhoopt) uitgeput tariefcontingent zich heeft gemanifesteerd. Dat kan belanghebbende de inspecteur niet verwijten en rechtvaardigt evenmin een vernietiging van de utb. De inspecteur heeft gedaan waar belanghebbende in de aangifte om heeft verzocht: de betrokken goederen plaatsen onder de douaneregeling “in het vrije verkeer brengen” en deze vrijgeven. Er bestaat geen regel dat de inspecteur de vrijgave van goederen moest aanhouden tot het kritiek worden van het tariefcontingent, toewijzing van de verzochte hoeveelheid dan wel het verstrijken van een zekere tijd na (gedeeltelijke) afwijzing van het in de aangifte gedane verzoek. Verificatie strekt daarnaast niet tot bescherming van het belang van de aangever die een douaneaangifte achteraf bezien liever niet of anders had gedaan, maar van het algemene belang van een juiste vaststelling en inning van de verschuldigde rechten. Voor het overige onderschrijft het Hof rechtsoverweging 20 van de bestreden uitspraak.
Wijziging en ongeldigmaking van de aangifte
4.11.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de inspecteur de verzoeken tot wijziging en ongeldigmaking van de aangifte terecht heeft afgewezen. Wat betreft het verzoek tot wijziging van de aangifte heeft zij overwogen artikel 173, lid 3, van het DWU een beperktere strekking heeft dan artikel 78 van Pro het CDW en dat op grond daarvan de douaneregeling niet kan worden gewijzigd. De andersluidende visie van de Customs Expert Group in het “Guidance Document on Customs Formalities on Entry and Import into the European Union” (hierna: het Guidance Document) is niet bindend. Ongeldigmaking van de aangifte heeft de rechtbank niet mogelijk geacht, omdat de goederen niet per vergissing voor het vrije verkeer zijn aangegeven.
4.12.1.
De klachten van belanghebbende over de in 4.11 bedoelde oordelen van de rechtbank falen eveneens.
4.12.2.
Ten eerste heeft de inspecteur de goederen niet onrechtmatig vrijgegeven (zie 4.10). Daarom bestaat geen reden om artikel 173 en Pro 174 van het DWU toe te passen als zouden de goederen niet vrijgegeven zijn geweest.
4.12.3.
Ten tweede voorziet artikel 173, lid 3, van het DWU in een mogelijkheid tot wijzigen van een douaneaangifte na vrijgave van de goederen, “zodat de aangever zijn verplichtingen inzake het plaatsen van goederen onder de desbetreffende regeling kan nakomen”, maar is deze mogelijkheid beperkter geformuleerd dan de mogelijkheid van herziening van de aangifte in artikel 78 van Pro het CDW. Artikel 173, lid 3, van het DWU vormt een uitzondering op artikel 173, lid 2, aanhef en onder c, waarin is bepaald dat een aangifte na vrijgave van de goederen niet meer mag worden gewijzigd. In het arrest van 8 juni 2023, SC Zes Zollner Electronic SRL, C‑640/21, ECLI:EU:C:2023:457, heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat die uitzondering strikt moet worden uitgelegd, overeenkomstig de wil van de Uniewetgever. Met inachtneming van die strikte uitleg hoefde de inspecteur de door belanghebbende gewenste wijziging van de aangifte niet toe te staan. Voor naleving van verplichtingen in de hiervoor bedoelde zin is die wijziging immers niet nodig. Het Guidance Document leidt niet tot een ander oordeel, omdat het niet bindend is.
4.12.4.
Ten derde moet, gegeven de vrijgave van de goederen voordat het verzoek daartoe werd gedaan, voor ongeldigmaking van de aangifte sprake zijn van een vergissing (artikel 174, lid 2, van het DWU, gelezen in samenhang met artikel 148 van Pro de Gedelegeerde verordening DWU). Van een vergissing is geen sprake voor zover een douaneaangifte op bewuste keuzes berust (vgl. HvJ 15 december 1987, Deutsche Babcock Handel, 328/85, ECLI:EU:C:1987:548, punt 18), terwijl in dit geval van een bewuste keuze moet worden uitgegaan. Belanghebbende heeft namelijk niet (voldoende gesubstantieerd) gesteld dat zij ten tijde van het doen van de aangifte (op 9 augustus 2021 in de ochtend) niet de bedoeling had om de goederen in het vrije verkeer te brengen.
Evenredigheid en terugbetaling
4.13.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat een beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag en dat zij over terugbetaling (of kwijtschelding) niet kan oordelen bij ontsteltenis van een (voor bezwaar vatbare) beschikking van de inspecteur op een relevant verzoek.
4.14.
De klachten van belanghebbende over de in 4.13 bedoelde oordelen van de rechtbank falen eveneens. Aan het beroep op het evenredigheidsbeginsel heeft belanghebbende ten grondslag gelegd (i) dat sprake is van een onjuiste of onvolledige informatieverstrekking over de stand van het tariefcontingent en (ii) “de opeenstapeling van meerdere fouten aan de zijde van de autoriteiten en de buitenproportionele gevolgen”. Echter, de onjuiste of onvolledige verstrekking van informatie heeft zij onvoldoende gesubstantieerd. Die kan in elk geval niet inhouden dat in de ochtend van 9 augustus 2021 nog niet de beschikbare hoeveelheid van het tariefcontingent bekend was gemaakt van na de allocatie die later die dag zou plaatsvinden, laat staan van na de allocatie op 10 augustus 2021. Evenmin ziet het Hof een opeenstapeling van fouten, dan wel vergissingen, van de autoriteiten (zie 4.10). Voorts is geen sprake van gevolgen die belanghebbende in redelijkheid niet had kunnen voorzien. Zij kon immers weten dat zij een verzoek om toepassing van het tariefcontingent deed voor het grootste deel (ruim 16.101 ton) van de beschikbare hoeveelheid die bij het doen van de aangifte bekend was (ruim 20.539 ton of, als de informatievoorziening een dag achter zou hebben gelopen, ruim 24.785 ton). Daarbij kon zij weten dat andere verzoeken om toepassing van het tariefcontingent eerst aan de beurt zouden kunnen komen en dat, bij uitputting van het tariefcontingent, het vrijwaringsrecht 25 percent zou bedragen. Wat betreft het verzoek tot terugbetaling heeft belanghebbende in hoger beroep niet het oordeel van de rechtbank bestreden dat geen beschikking van de inspecteur op een verzoek tot terugbetaling (of kwijtschelding) voor ligt. Onder die omstandigheden is voor een inhoudelijk beoordeling van een recht op terugbetaling in deze procedure geen plaats (vgl. ook HvJ 15 september 2011, DP Grup, C138/10, ECLI:EU:C:2011:587, punten 44 en 45).
Slotsom
4.15.
Gelet op het hiervoor overwogene bestaat geen grond om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen. Het hoger beroep is daarom ongegrond.

5.Kosten

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. W.J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.