ECLI:NL:GHAMS:2026:14

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
200.346.181
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vorderingen tot inzage en verstrekking van informatie in kort geding tussen twee ondernemers met internationale aspecten

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Amsterdam diende, zijn twee ondernemers verwikkeld in een juridisch geschil over vorderingen tot inzage en verstrekking van informatie. De appellant, een ondernemer uit Qatar, heeft in hoger beroep beroep aangetekend tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam, waarin zijn vorderingen in kort geding werden afgewezen. De appellant vorderde inzage in documenten en informatie van de geïntimeerde, een ondernemer uit Zwitserland, in verband met een samenwerking die in 2015 was aangegaan en die later tot een geschil leidde. De appellant stelt dat de geïntimeerde betrokken was bij een lastercampagne tegen hem, wat zijn zakelijke belangen heeft geschaad. De geïntimeerde heeft op zijn beurt vorderingen ingesteld tot het verstrekken van informatie over de financiële situatie van de appellant, aangezien hij een aanzienlijke lening aan de appellant had verstrekt. Het hof heeft de vorderingen van de geïntimeerde toegewezen, waarbij het hof oordeelde dat de appellant verplicht is om informatie te verstrekken over zijn inkomen en vermogen, en dat hij ook inzage moet geven in bepaalde documenten die verband houden met een strafrechtelijk onderzoek. De appellant werd veroordeeld tot het betalen van proceskosten en dwangsommen bij niet-nakoming van de veroordelingen. Het hof heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter bevestigd, gezien de internationale aspecten van de zaak en de betrokkenheid van beide partijen in Nederland.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.346.181/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/751762 / KG ZA 24-471
arrest in kort geding van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 januari 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats 1] , Qatar,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaten: mrs. D.C. Roessingh, J.W.M.K. Meijer, M. Gerrits en F.J.L. Kaptein te Amsterdam,
tegen
[geintimeerde] ,
wonend te [plaats 2] , Zwitserland,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaten: mrs. E.E.U. Vroom, I. Koudstaal en J.M. Schepel te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geintimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Dit kort geding ziet op over en weer door partijen ingestelde vorderingen tot inzage ex artikel 843a (oud) Rv en op een door [geintimeerde] ingestelde vordering tot het verstrekken van informatie onder meer ex artikelen 475g Rv en 475aa Rv.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellant] is bij dagvaarding van [nummer] september 2024 in hoger beroep
gekomen van het vonnis in kort geding van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2024 voor zover in conventie gewezen, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geintimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens eiswijziging, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.
2.3.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 26 maart 2025 laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten. De advocaten van [appellant] en [geintimeerde] hebben daartoe spreekaantekeningen overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [appellant] twee akten met producties in het geding gebracht en heeft [geintimeerde] één akte met producties in het geding gebracht.
2.4.
Na afloop van de mondelinge behandeling is uitspraak bepaald.

3.Feiten

3.1.
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere voldoende aannemelijk geworden feiten, komen deze feiten neer op het volgende.
3.2.
[appellant] is sinds 2010 actief in de import en bewerking van natuursteen. Hij
heeft daartoe in 2011 de [groep 1] (hierna: [groep 1] ) opgericht.
3.3.
[geintimeerde] is ondernemer. Hij is oprichter en grootaandeelhouder van een
beursgenoteerde onderneming genaamd [groep 2] .
3.4.
In 2015 zijn [appellant] en [geintimeerde] een samenwerking aangegaan, nadat zij
met elkaar in contact waren gebracht door hun beider toenmalig advocaat, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [geintimeerde] heeft in het kader van die samenwerking in totaal € 75.349.430,00 geleend aan [appellant] om te investeren in natuursteengroeven in Iran.
3.5.
In 2016 hebben [geintimeerde] en [appellant] met bemiddeling van [naam 1] tevergeefs getracht de samenwerking tussen hen te formaliseren. In april 2017 heeft [appellant] laten weten dat hij de samenwerking met [geintimeerde] niet langer wilde voortzetten.
3.6.
Op 29 augustus 2017 is de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) een strafrechtelijk onderzoek gestart naar [appellant] op verdenking van witwassen. Aanleiding daartoe was een signaal van de Financial Intelligence Unit Nederland (hierna: FIU) betreffende tientallen meldingen van verdachte transacties verricht tussen april 2013 en juli 2017 door [appellant] .
3.7.
Op 11 november 2017 heeft [geintimeerde] een kort geding aanhangig gemaakt tegen [appellant] . De vorderingen richtten zich op overdracht van de licenties van de steengroeven aan een aan [geintimeerde] gelieerde vennootschap, het overhandigen van bewijsstukken met betrekking tot de aankoop van de steengroeven en het
dooronderhandelen over voortzetting van de samenwerking. Bij vonnis van 29 november 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:8885) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de vorderingen van [geintimeerde] afgewezen. De voorzieningenrechter heeft in dat verband overwogen dat sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk waardoor verdere samenwerking niet in de rede ligt, dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat er voor [geintimeerde] zicht moet zijn op een termijn waarbinnen terugbetaling zal plaatsvinden en dat partijen daarover nadere afspraken zullen moeten maken.
3.8.
Half november/begin december 2017 is een lastercampagne op gang gekomen tegen [appellant] . In berichten, waaronder e-mails aan werknemers van [appellant] , en publicaties van een fictieve organisatie genaamd [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] )) werden [appellant] en zijn ondernemingen in verband gebracht met fraude, oplichting (van [geintimeerde] ), witwassen en het hebben van nauwe banden met de corrupte Iraanse overheid. Ook werd door GABME vermeld dat [appellant] zijn investeerders niet terugbetaalde en dat hij er een exorbitant luxe levensstijl op na hield.
3.9.
Op 2 december 2017 heeft [geintimeerde] een ontmoeting met een voormalig werknemer van (een van de ondernemingen van) [appellant] , de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ).
3.10.
Op 4 december 2017 heeft het tijdschrift Quote een eerste artikel gepubliceerd over het geschil tussen [geintimeerde] en [appellant] .
3.11.
Bij e-mail van 6 december 2017 heeft [naam 1] aan [appellant] te kennen gegeven:
“ [geintimeerde] heeft een bandje en daaruit zou blijken wie achter de mails zit Hij kreeg nu bezoek en belt mij zo terug Ik krijg het bandje ook denk ik Bel je straks”.
3.12.
Op 18 december 2017 heeft [geintimeerde] wederom een ontmoeting met [naam 2] .
3.13.
Op 12 januari 2018 hebben [geintimeerde] en [appellant] , wederom na bemiddeling door [naam 1] , een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten (hierna: vso). De vso strekt tot beëindiging van de samenwerking, terugbetaling van de leningen en het tegengaan van effecten van de lastercampagne. In de vso staat dat de afspraken nader uitgewerkt zullen worden met bijstand van een notaris.
3.14.
[geintimeerde] en [appellant] hebben onderhandeld over de uitwerking van de afspraken in de vso. In november 2018 heeft de notaris de opdracht tot het nader uitwerken van deze afspraken teruggegeven.
3.15.
Op 20 december 2018 is [geintimeerde] door de FIOD uitgenodigd voor een oriënterend gesprek. Aanleiding daarvoor was dat uit het onderzoek van de FIOD het vermoeden was gerezen dat [appellant] het geld van [geintimeerde] niet (geheel) had aangewend voor de aankoop en exploitatie van steengroeven in Iran, maar voor diverse privédoeleinden.
3.16.
In 2019 heeft [appellant] alle aandelen in [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) (op één na) aan zijn broer (althans aan een aan hem gelieerde
rechtspersoon) overgedragen, die van die vennootschap sinds 2018 reeds CEO is.
3.17.
Op 27 september 2019 heeft [geintimeerde] bij de FIOD aangifte gedaan tegen
[appellant] van strafbare feiten die mogelijk door [appellant] zijn gepleegd.
3.18.
Op de onder 3.4 genoemde leningen van [geintimeerde] aan [appellant] is niets
afgelost, ook niet de eerste termijn van € 15.000.000,00 die volgens de vso op 30 juni
2020 betaald had moeten worden.
3.19.
[appellant] en een aantal aan hem gelieerde rechtspersonen hebben aangifte
van (uitlokking dan wel medeplegen van) valsheid in geschrifte, laster, bedreiging.
belaging, afpersing en deelname aan een criminele organisatie gedaan tegen
[geintimeerde] . Het Openbaar Ministerie heeft van vervolging afgezien, waartegen [appellant]
ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) beklag heeft gedaan. Bij beschikking van 12 april 2022 (na een tussenbeschikking van 27 juli 2021) heeft het hof het beklag afgewezen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
3.20.
Bij vonnis van 13 april 2022 heeft de rechtbank Amsterdam op vordering van [appellant] voor recht verklaard dat een andere voormalig werknemer van (een van de ondernemingen van) [appellant] , de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), jegens [appellant] aansprakelijk is voor de schade die door [appellant] is geleden als gevolg van de lastercampagne.
3.21.
Op 21 juli 2023 heeft de rechtbank Amsterdam [geintimeerde] als getuige gehoord in een procedure van een onderneming van [appellant] tegen [naam 2] . Tijdens dit getuigenverhoor heeft [geintimeerde] verklaard dat hij van de gesprekken met [naam 2] op 4 en 18 december 2017 geluidsopnames (hierna: de geluidsopnames) heeft gemaakt.
3.22.
Bij vonnis van 26 juli 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:4716) heeft de rechtbank
Amsterdam op vordering van [geintimeerde] de vso met onmiddellijke ingang ontbonden en [appellant] veroordeeld om aan [geintimeerde] te betalen € 75.349.430,00, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente. [appellant] heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend en heeft een deel van zijn thans voorliggende exhibitievordering ex artikel 843a Rv ook in die procedure ingesteld. In die procedure (hierna ook: de bodemprocedure (dossiernummer 200.334.293/01)) wordt eveneens vandaag uitspraak gedaan.
3.23.
Op verzoek van [geintimeerde] heeft de deurwaarder bij exploot van 21 augustus 2023 [appellant] aangezegd dat hij verplicht is inlichtingen te verstrekken over zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen ex artikel 475g Rv en heeft de deurwaarder [appellant] hiertoe gesommeerd.
3.24.
Bij e-mail van 4 september 2023 heeft [appellant] aan de deurwaarder
meegedeeld dat hij geen bronnen van inkomsten heeft als bedoeld in artikel 475g Rv
en dat er
“Voor het overige (…) geen plicht”bestaat
“u te informeren over de vijf
categorieën en breed omschreven (en dus niet gespecificeerde)
vermogensbestanddelen genoemd in uw aanzegging[aanspraken jegens banken, kasstromen, debiteuren, intellectuele eigendomsrechten en overige activa; toevoeging hof]
, temeer nu ik niet woon in Nederland maar in Qatar”.
3.25.
Begin september 2023 heeft [appellant] conservatoir bewijsbeslag gelegd
onder [naam 3] en [naam 2] en conservatoir derdenbewijsbeslag onder de Staat der Nederlanden op strafvorderlijk in beslag genomen gegevensdragers. Vervolgens heeft [appellant] inzage in de bij [naam 3] en [naam 2] in beslag genomen gegevens gevorderd in een kort geding tegen hen bij de rechtbank Overijssel.
3.26.
Bij vonnis van 17 november 2023 (ECLI:NL:RBOVE:2023:4698) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel de inzagevordering van [appellant] toegewezen. Ook heeft de voorzieningenrechter [naam 3] bevolen om de naam en functie van de persoon bekend te maken van wie [naam 3] direct en/of indirect opdracht heeft ontvangen tot de uitvoering van (delen van) de lastercampagne tegen [appellant] en alle bescheiden die [naam 3] in dat verband tot zijn beschikking heeft of kan krijgen aan [appellant] te verstrekken.
3.27.
Naar aanleiding van dit vonnis heeft [naam 3] op 23 november 2023 een
uitgebreide schriftelijke verklaring ondertekend, waarin staat dat niemand hem
direct of indirect opdracht heeft gegeven voor het voeren van enige lastercampagne
jegens [appellant] en dat een op 4 februari 2020 opgenomen gesprek tussen hem en [appellant] een
“toneelstukje”was tegen betaling door [appellant] .
3.28.
Bij arrest van 19 december 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:10752) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een verstek-arrest van 4 oktober 2022 bekrachtigd waarin is geoordeeld dat [naam 2] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [appellant] als gevolg van de lastercampagne geleden schade.
3.29.
Bij arrest van 9 januari 2024 heeft het hof het vonnis van 13 april 2022 (rov. 3.20), waarin voor recht is verklaard dat [naam 3] jegens [appellant] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de lastercampagne, bekrachtigd.
3.30.
Het Openbaar Ministerie heeft tot 13 mei 2024 dertig beslagen gegevensdragers van [naam 3] en [naam 2] aan de advocaten van [appellant] vrijgegeven.
3.31.
[geintimeerde] heeft ter executie van het vonnis van 26 juli 2023 in de
bodemprocedure (rov. 3.22) beslag gelegd op het ene aandeel dat [appellant] nog heeft in [bedrijf 2] . Bij beschikking van 28 maart 2024 heeft de rechtbank Amsterdam op verzoek van [geintimeerde] bepaald dat het beslagen aandeel kan worden verkocht. [bedrijf 2] en de broer van [appellant] (als belanghebbende) zijn tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan en hebben om schorsing van de tenuitvoerlegging van die beschikking verzocht. Het hof heeft bij beschikking van 16 juli 2024 de tenuitvoerlegging geschorst totdat de eindbeschikking in het hoger beroep is gegeven.
Die eindbeschikking wordt vandaag gegeven (dossiernummer 200.339.897/01).
3.32.
Bij brief van 22 november 2024 heeft de advocaat van [geintimeerde] aan de advocaat van [appellant] te kennen gegeven dat de deurwaarder
“vandaag opnieuw een sommatie en bevel tot het verschaffen van inlichtingen omtrent de inkomens- en vermogenspositie van en voor verhaal vatbare goederen aan [appellant] betekend”heeft en [appellant] gesommeerd om
“het volledige uitgeleende bedrag inclusief verbeurde rente en kosten te voldoen”en bij gebreke daarvan
“dit keer wel aan het bevel van de deurwaarder te voldoen.”
3.33.
Bij brief van 6 december 2024 heeft de advocaat van [appellant] aan de advocaat van [geintimeerde] medegedeeld dat er geen grond bestaat voor de ruime en algemene sommatie tot het verstrekken van informatie, dat de bronnen van inkomsten van [appellant] ongewijzigd zijn gebleven sinds 4 september 2023 en dat [appellant] voornemens is een aanvang te maken met terugbetaling.

4.Beoordeling

De procedure in eerste aanleg
4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg (conventie) gevorderd [geintimeerde] te bevelen afschriften te verstrekken van i) alle geluidsopnames van [geintimeerde] gesprekken met [naam 2] , ii) alle communicatie van [geintimeerde] , daaronder begrepen communicatie via [geintimeerde] werknemers of vennootschappen, via welk medium ook, met [naam 2] en [naam 3] , iii) alle communicatie van [geintimeerde] , daaronder begrepen communicatie via [geintimeerde] werknemers of vennootschappen, met wie dan ook, via welk medium dan ook, die betrekking heeft op de lastercampagne tegen [appellant] , op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.2.
[geintimeerde] heeft een tegenvordering (reconventie) ingesteld. Hij heeft gevorderd [appellant] te veroordelen afschrift te verstrekken van i)
primair: een opgave van de omvang, samenstelling en allocatie van zijn volledige binnenlandse en buitenlandse inkomen en vermogen, waaronder uitdrukkelijk begrepen alle deelnemingen in Nederlandse en buitenlandse vennootschappen, een en ander voorzien van een goedkeurende verklaring van een Nederlandse registeraccountant, ii)
subsidiair: inlichtingen te verschaffen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en
omtrent voor verhaal vatbare goederen, overeenkomstig de door [geintimeerde] bij zijn vordering weergegeven opsomming. Ook heeft [geintimeerde] gevorderd [appellant] te veroordelen om afschrift te verstrekken van bescheiden die onderdeel uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek onder de naam
“Princess”en/of in het strafdossier met de door [geintimeerde] bij zijn vordering opgesomde coderingen aangeduid. Een en ander telkens
primair: op straffe van lijfsdwang,
subsidiair: op straffe van verbeurte van dwangsommen en indien het maximum aan dwangsommen is bereikt op straffe van lijfsdwang en
meer subsidiair: op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.3.
In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter zowel in conventie als in reconventie de gevraagde voorzieningen geweigerd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in conventie en met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten in reconventie.
De procedure in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep
vorderingen
4.4.
[appellant] concludeert in principaal hoger beroep het bestreden vonnis voor
zover in conventie gewezen te vernietigen en heeft zijn eis in hoger beroep deels gewijzigd. [appellant] vordert in hoger beroep:
4.5.
a) [geintimeerde] te bevelen om binnen zeven dagen na arrest aan [appellant] afschriften te verstrekken van:
i. i) de geluidsopnames van [geintimeerde] gesprekken met [naam 2] op 2 en 18 december 2017;
ii) alle communicatie van [geintimeerde] via welk medium dan ook, daaronder begrepen communicatie via a) [geintimeerde] familie, b) zijn vennootschappen, waaronder in ieder geval i) alle entiteiten die deel uitmaken van de [groep 2] , ii) alle entiteiten die in een groep verbonden zijn met Sarabel B.V. en iii) de beoogde joint venture vennootschappen [bedrijf] , [naam 4] en [naam 5] , of c) de werknemers van één van zijn vennootschappen, waaronder in ieder geval de heren i) [naam 6] (zowel in persoon als via zijn vennootschap [bedrijf 3] ), ii) [naam 7] , iii) [naam 8] , iv) [naam 9] , v) [geintimeerde] (in hoedanigheid van werknemer) en vi) zijn woordvoerder(s), dan wel via enig ander kanaal, met [naam 2] , [naam 3] en (de voormalig personal assistent van [appellant] ) [naam 10] (hierna: [naam 10] );
iii) alle communicatie van [geintimeerde] via welk medium dan ook, daaronder begrepen communicatie via [geintimeerde] familie, vennootschappen of werknemers, waaronder in ieder geval de hiervoor onder a)ii) genoemde vennootschappen en werknemers, dan wel via enig ander kanaal, die betrekking heeft op de lastercampagne tegen [appellant] , met wie dan ook, maar in ieder geval met de heren i) [naam 6] , ii) [naam 7] , iii) [naam 8] , iv) [naam 9] , v) [geintimeerde] zoons, vi) [naam 11] , vi) [geintimeerde]
woordvoerder(s), vii) [naam 3] , viii) [naam 2] , ix) [naam 10] , x) [naam 12] , xi) [naam 13] van Quote, waaronder in ieder geval de heren [naam 14] en
[naam 15] , xii) [naam 1] , xiii) [naam 16] , xiv) [naam 17] , xv) [naam 18] en xvi) [naam 19] ;
b) te bepalen dat [geintimeerde] voor iedere overtreding van een gevorderd gebod onder a)
hierboven een onmiddellijke en niet voor compensatie vatbare dwangsom verbeurt
van € 500.000,00 te vermeerderen met een dwangsom van € 250.000,00 voor
iedere dag of gedeelte van een dag dat deze overtreding voortduurt tot een
maximum van € 5.000.000,00;
c) [geintimeerde] veroordeelt tot terugbetaling van € 1.605,00 voor de
proceskostenveroordeling in eerste aanleg, te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf de dag van betaling, te weten 26 augustus 2024; en
d) [geintimeerde] veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.6.
In principaal hoger beroep concludeert [geintimeerde]
primairhet bestreden vonnis in conventie te bekrachtigen en
subsidiairvoor zover een of meer vorderingen van [appellant] worden toegewezen, te bepalen dat [geintimeerde] aan die veroordelingen moet voldoen binnen een week nadat [appellant] heeft voldaan aan de veroordelingen in incidenteel hoger beroep. In incidenteel hoger beroep concludeert [geintimeerde] het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen te vernietigen. Ook [geintimeerde] heeft zijn eis in hoger beroep deels gewijzigd. [geintimeerde] vordert in hoger beroep:
4.7.
[appellant] te veroordelen om, binnen vier weken na dit arrest, afschrift te verstrekken van:
primair:een opgave per een peildatum (zijnde vier weken na het arrest) van de omvang, samenstelling en allocatie van zijn volledige binnenlandse en buitenlandse inkomen en vermogen, waaronder uitdrukkelijk begrepen alle deelnemingen in Nederlandse en buitenlandse vennootschappen, een en ander voorzien van een goedkeurende verklaring van een Nederlandse registeraccountant. Daarbij dienen de voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen steeds afzonderlijk en voldoende gespecificeerd te worden weergegeven;
subsidiair:inlichtingen te verschaffen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en
omtrent voor verhaal vatbare goederen, waaronder een volledig en gespecificeerd overzicht van in ieder geval:
- alle (voorwaardelijke) aanspraken van [appellant] jegens bancaire instellingen, met
vermelding van de grondslag van deze aanspraken, waaronder onder meer begrepen
rekening-courant verhoudingen;
- de meest recente kasstromen (kasstroomoverzicht) alsmede alle bekende en
verwachte toekomstige kasstromen met betrekking tot [appellant] ;
- alle debiteuren van [appellant] , waaronder onder meer begrepen (voormalig)
bestuursleden en aandeelhouders, met vermelding van de grondslag en omvang van
de vorderingen;
- alle intellectuele eigendomsrechten waar [appellant] aanspraken op heeft of zal
verkrijgen, waaronder octrooien, handelsmerken, handelsnamen en bedrijfsnamen,
logo's, domeinnamen, auteursrechten, modelrechten, databaserechten,
computersoftware, uitvindingen, know-how en alle soortgelijke eigendomsrechten
telkens ongeacht of deze geregistreerd zijn, indien van toepassing onder vermelding
van eventueel daarop rustende rechten van derden, inclusief vermelding van de
boekwaarde van deze rechten en voorzien van alle op enig moment opgestelde
waarderingsrapporten, die op deze rechten betrekking hebben; en
- alle overige activa in bezit van [appellant] , indien van toepassing onder vermelding
van eventueel daarop rustende rechten van derden, inclusief vermelding van de
boekwaarde van de activa en voorzien van alle op enig moment opgestelde
waarderingsrapporten, die op deze activa betrekking hebben.
[geintimeerde] vordert verder [appellant] te veroordelen om, binnen een week na dit arrest, afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden die onderdeel uitmaken van het
strafrechtelijk onderzoek onder de naam
“Princess”en/of in het strafdossier met de volgende coderingen zijn aangeduid: DOC-114, DOC-106, AMB-00lA, AMB-029, AMB-014, AMB-015, AMB-016, AMB-020, AMB-021, BOB-038a, AMB-030, DOC-324, DOC-394, DOC-395 en DOC-396.
Een en ander telkens
primair: op straffe van onmiddellijke lijfsdwang tegen [appellant] voor de duur van een jaar,
subsidiair: op straffe van verbeurte van i) een
eenmalige dwangsom van € 100.000,00 ii) een periodieke dwangsom van € 50.000,00 per dag of dagdeel dat in strijd met deze veroordelingen en/of bevelen wordt gehandeld tot een maximum van € 1.000.000,00 en iii) indien het maximum aan dwangsommen is bereikt, onmiddellijke lijfsdwang tegen [appellant] voor de duur van een jaar en
meer subsidiair: op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 100.000,00 en een periodieke dwangsom van € 50.000,00 per dag
of dagdeel dat in strijd met deze veroordelingen en/of bevelen wordt gehandeld, tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen maximum.
Een en ander zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep met veroordeling van [appellant] in de proces- en nakosten in eerste aanleg en in hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.8.
[appellant] concludeert tot verwerping van het incidenteel hoger beroep, met veroordeling van [geintimeerde] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
eiswijzigingen
4.9.
Partijen hebben over en weer geen processuele bezwaren geuit tegen de gewijzigde eisen. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijzigingen ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Het geschil zal worden beoordeeld met inachtneming van de gewijzigde eisen. Op inhoudelijke bezwaren van partijen tegen de eiswijzigingen zal het hof waar nodig bij de verdere beoordeling van het geschil ingaan.
Nederlandse rechter, Nederlands recht
4.10.
De zaak heeft internationale aspecten. Het hof moet dan ook ambtshalve
beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
4.11.
[appellant] vordert inzage in bewijsmateriaal om een door hem gesteld
onrechtmatig handelen van [geintimeerde] vanwege zijn betrokkenheid bij de lastercampagne te kunnen aantonen alsook om inzicht te krijgen in (de aard en omvang van) het onrechtmatig handelen van [naam 2] en [naam 3] in het kader van schadestaatprocedures van [appellant] tegen [naam 2] en [naam 3] ter zake de lastercampagne.
Ingevolge het bepaalde in 6 onder e Rv is de Nederlandse rechter bevoegd in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of kan voordoen. Deze bijzondere bevoegdheid wordt in het algemeen, analoog aan de gelijkluidende bijzonder bevoegdheid van artikel 7 aanhef en lid 2 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Herschikte EEX-Vo/Vo Brussel I bis) en artikel 5 lid 3 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EVEX II-Verdrag), zo uitgelegd dat in geval van een beweerde schending van de persoonlijkheidsrechten door op internet geplaatste content, de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van de volledige schade indien het centrum van de belangen van de getroffene zich in Nederland bevindt, en dat de Nederlandse rechter indien dit niet het geval is, slechts kennis kan nemen van een vordering betreffende schade die is veroorzaakt in Nederland.
Al in eerste aanleg heeft [appellant] gesteld dat het centrum van zijn belangen zich destijds in Amsterdam bevond. Zo voerde [appellant] destijds veel beroepsmatige activiteiten uit in en rondom Amsterdam en hielden aan hem gelieerde vennootschappen daar kantoor. [geintimeerde] heeft dit niet althans onvoldoende weersproken. Bovendien wijst het in het kader van de lastercampagne inschakelen van Quote en het benaderen van werknemers van bij voormelde vennootschappen werkzame werknemers op schade veroorzaakt in Nederland.
4.12.
De vorderingen tot inzage en het verstrekken van informatie van [geintimeerde] hebben betrekking op diens verhaalspositie in verband met de terugbetaling van de leningen door [appellant] . Het merendeel van de tussen [geintimeerde] c.s. en [appellant] gesloten leningsovereenkomsten bevatten een forumkeuze voor de Nederlandse rechter voor
“disputes in connection with or arising from this Agreement”. Naar het voorshandse oordeel van het hof valt niet in te zien dat het onderhavige kort geding niet onder deze ruim geformuleerde forumkeuze valt. De vorderingen van [geintimeerde] houden - anders dan [appellant] betoogt - immers wel degelijk verband met en vinden hun oorsprong in de leningsovereenkomsten. Voor zover de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet reeds uit deze forumkeuze volgt (artikel 8 lid 1 Rv, artikel 23 lid 1 EVEX II-Verdrag en/of artikel 25 lid 1 Herschikte EEX-Vo/Vo Brussel I bis), geldt het volgende.
Krachtens uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest in de bodemprocedure op heden
dient [appellant] aan [geintimeerde] de leningen ad € 75.349.430,00 terug te betalen,
vermeerderd met contractuele rente en boeterente. De vorderingen tot inzage en verstrekking van informatie houden verband met de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In geschillen over tenuitvoerlegging is de rechter in de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 24 lid 5 Herschikte EEX-Vo/Vo Brussel I bis, artikel 22 lid 5 EVEX II-Verdrag en/of artikel 438 lid 1 Rv. Bovendien oordeelt het hof bij voormeld arrest in de bodemprocedure op heden dat sprake is van onrechtmatig handelen van [appellant] jegens [geintimeerde] . De vorderingen tot inzage en verstrekking van informatie zijn gebaseerd op dit onrechtmatig handelen van [appellant] . Blijkens het strafdossier hebben meerdere schadebrengende feiten zich voorgedaan in Nederland. Ingevolge het bepaalde in 6 onder e Rv, artikel 7 aanhef en lid 2 Herschikte EEX-Vo/Vo Brussel I bis en/of artikel 5 lid 3 EVEX II-Verdrag is de Nederlandse rechter bevoegd in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, indien het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of kan voordoen.
4.13.
De bevoegdheid van de Nederlandse rechter is daarmee gegeven.
4.14.
Beide partijen zijn in eerste aanleg uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. De voorzieningenrechter heeft het geschil beoordeeld naar Nederlands recht. Daartegen is geen grief gericht. Ook het hof zal daarom Nederlands recht toepassen.
Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
4.15.
In deze zaak is het recht van toepassing dat gold voor de inwerkingtreding op 1 januari 2025 van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht.
Voorts in principaal hoger beroep
vordering tot inzage ex artikel 843a (oud) Rv
4.16.
Artikel 843a lid 1 (oud) Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grond van artikel 843a lid 2 (oud) Rv bepaalt de rechter zo nodig de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft. De inzagevordering wordt begrensd door drie cumulatieve vereisten: i) de eiser moet een rechtmatig belang hebben bij de gevorderde inzage, uittreksel of afschrift, ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden en iii) het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser partij is. Deze vereisten moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld en zijn tot op zekere hoogte communicerende vaten.
grief 1: rechtsbetrekking
4.17.
Met
grief 1komt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat vooralsnog onvoldoende concrete aanknopingspunten bestaan voor een rechtsbetrekking tussen [geintimeerde] en [appellant] , op grond van onrechtmatig handelen van [geintimeerde] jegens [appellant] , maar dat veeleer sprake is van vermoedens.
4.18.
Als maatstaf voor de beoordeling van een vordering op de voet van artikel 843a (oud) Rv heeft te gelden dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. De vraag wat in het kader van een inzagevordering als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal.
rechtsbetrekking [appellant] - [geintimeerde]
4.19.
[appellant] vordert inzage in bewijsmateriaal om een door hem gesteld
onrechtmatig handelen van [geintimeerde] vanwege zijn betrokkenheid bij de lastercampagne te kunnen aantonen. [appellant] vermoedt dat [geintimeerde] , mogelijk via een tussenpersoon, opdracht heeft gegeven tot de lastercampagne. In ieder geval is volgens [appellant] voldoende aannemelijk dat [geintimeerde] aan de lastercampagne heeft bijgedragen via zijn interacties met de lasteraars, [naam 3] en [naam 2] , terwijl hij zich daarvan, vanwege de kans op schade voor [appellant] , had moeten onthouden. Daarmee is volgens [appellant] voldoende aannemelijk dat aan de vereisten voor groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW is voldaan. Ook is volgens [appellant] voldoende aannemelijk dat [geintimeerde] onrechtmatig (artikel 6:162 BW) heeft gehandeld door na te laten [appellant] te waarschuwen voor de betrokkenheid van [naam 2] bij de lastercampagne, [appellant] aldus bewust schade te laten lijden en vervolgens daarvan zelf te profiteren in de onderhandelingen over de vso.
bodemprocedure
4.20.
Het hof stelt voorop dat in de bodemprocedure vandaag eveneens uitspraak wordt gedaan. In incidenteel hoger beroep komt het hof in de bodemprocedure tot het oordeel dat sprake is van bedrog aan de zijde van [appellant] voor wat betreft de besteding van de door hem van [geintimeerde] geleende gelden, dat het beroep van [geintimeerde] op vernietiging van de vso wegens bedrog gehonoreerd dient te worden, dat met de gegrondbevinding van het beroep op bedrog het onrechtmatig karakter van het handelen van [appellant] vaststaat en dat zijn aansprakelijkheid jegens [geintimeerde] voor de dientengevolge geleden schade daarmee gegeven is. In principaal hoger beroep ligt in de bodemprocedure de vraag naar betrokkenheid van [geintimeerde] bij de lastercampagne voor. De onderbouwing door [appellant] van de door hem gestelde betrokkenheid van [geintimeerde] bij de lastercampagne is in die procedure vooral gebaseerd op de door [appellant] in het onderhavige kort geding kort aangestipte aanwijzing door [naam 3] van [geintimeerde] als opdrachtgever voor de lastercampagne, op transcripties van gesprekken met [naam 3] en verklaringen van derden over verklaringen van [naam 3] en op de gesprekken tussen [geintimeerde] en [naam 2] op 2 en 18 december 2017, waar [appellant] ook in dit kort geding op ingaat. Het hof komt in de bodemprocedure tot het oordeel dat enige betrokkenheid of verantwoordelijkheid van [geintimeerde] bij/voor de lastercampagne niet is komen vast te staan. Het hof motiveert dat oordeel in de bodemprocedure voor zover betrekking hebbend op de aanwijzing van [geintimeerde] als opdrachtgever door [naam 3] en op de transcripties van gesprekken met [naam 3] en verklaringen van derden over verklaringen van [naam 3] met de volgende verkort weergegeven overwegingen:
- [appellant] wijst op een transcriptie van een telefoongesprek tussen hem en [naam 3] van 4 februari 2020, waaruit valt op te maken dat [naam 3] al in april 2017 is benaderd om [appellant] ‘kapot te maken’, dat [geintimeerde] hem daartoe indirect opdracht heeft gegeven tegen betaling van € 750.000,00 en dat [naam 3] bewijs hiervan heeft. Volgens [appellant] heeft hij met [naam 3] afgesproken dat [naam 3] dit bewijs aan hem zou verstrekken tegen onder meer een aanbetaling
van € 135.000,00, maar heeft [naam 3] na betaling het bewijs nooit verstrekt.
- Het hof stelt vast dat [naam 3] niet consistent is in zijn verklaringen. Bij vonnis in kort geding van 17 november 2023 is [naam 3] veroordeeld om bekend te maken van wie hij opdracht heeft ontvangen tot de uitvoering van de lastercampagne. [naam 3] heeft daarop bij schriftelijke verklaring van 17 november 2023 verklaard:
“(…) Er is geen naam en functie van een persoon/personen en/of entiteiten. Want niemand heeft mij opdracht gegeven om [appellant] te lasteren, dan wel een lastercampagne tegen hem te beginnen. Niemand, houdt dus ook echt in niemand! Ook niet [geintimeerde] . (…) Dit is mijn verklaring. Dit blijft mijn verklaring, en ik zal er geen woord van terug nemen. Dit is de waarheid.”Ook staat in deze verklaring dat van de zijde van [appellant] eind december 2019 aan [naam 3] het voorstel is gedaan dat [naam 3] zal verklaren dat [geintimeerde] de opdrachtgever was, tegen betaling van € 685.000,00 en onder intrekking van alle procedures van [appellant] tegen [naam 3] , dat het gesprek in februari 2020 waarop [appellant] zich beroept een
“toneelstukje”was en dat [naam 3] een aanbetaling heeft ontvangen van € 135.000,00. Gelet op de inconsistenties zijn de verklaringen van [naam 3] zodanig onbetrouwbaar dat van de juistheid daarvan geenszins kan worden uitgegaan.
Daarbij betrekt het hof dat niet goed valt in te zien welk belang [geintimeerde] heeft bij een lastercampagne tegen [appellant] , nu hierdoor de terugbetaling van de leningen in gevaar wordt gebracht, terwijl [appellant] er wel belang bij lijkt te hebben om [geintimeerde] te beschuldigen van betrokkenheid bij de lastercampagne, om zo uitstel van zijn betalingsverplichtingen te verkrijgen. Het is bovendien niet onaannemelijk dat [naam 3] een eigen persoonlijk belang had bij het starten van de lastercampagne eind 2018.
- Verder wijst [appellant] ter onderbouwing van de door hem gestelde betrokkenheid van [geintimeerde] bij de lastercampagne op transcripties van gesprekken met [naam 3] en verklaringen van derden over verklaringen van [naam 3] . Hiervoor heeft het hof al geoordeeld dat de verklaringen van [naam 3] te onbetrouwbaar zijn om van de juistheid daarvan te kunnen uitgaan en daarmee zijn ook de daarop voortbouwende verklaringen van derden, zoals de door [appellant] in zijn stukken genoemde heren [naam 12] en [naam 20] (hierna: [naam 12] en [naam 20] ), zonder waarde. De daarop gebaseerde onderbouwing van het verwijt van [appellant] over [geintimeerde] ’s betrokkenheid bij de lastercampagne stuit daarop dan ook af.
4.21.
Het hof stemt in dit kort geding zijn oordeel af op hetgeen het hof in de bodemprocedure heeft overwogen over de betrokkenheid van [geintimeerde] bij de lastercampagne als hiervoor vermeld en neemt deze overwegingen over (HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128, HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011: BP0015 ( [naam 21] )).
gesprekken [geintimeerde] en [naam 2]
4.22.
In het onderhavige kort geding heeft [appellant] het door hem gestelde onrechtmatig handelen van [geintimeerde] nader onderbouwd. Hij gaat daarbij in op de gesprekken tussen [geintimeerde] en [naam 2] op 2 en 18 december 2017 en voert het volgende aan.
4.23.
[geintimeerde] had er - aldus [appellant] - na het eerste gesprek met [naam 2] ernstig rekening mee moeten houden dat [naam 2] lasterlijke beschuldigingen uitte over [appellant] . [geintimeerde] meende dat [naam 2] betrokken was bij de lastercampagne en de berichten in Quote. [geintimeerde] was zich er dus van bewust althans had zich ervan bewust moeten zijn dat [naam 2] erop uit was om [appellant] publiekelijk te beschadigen en moest er rekening mee houden dat [naam 2] de beschuldigingen die hij tegen [geintimeerde] uitte ook zou uiten tegen Quote en de informatie die hij van [geintimeerde] kreeg ook zou verstrekken aan Quote. In plaats van zich na het gesprek op 2 december 2017 te distantiëren van [naam 2] , zette [geintimeerde] [naam 2] aan informatie te vergaren over [appellant] , om die te kunnen gebruiken voor zijn geschil met [appellant] . In ieder geval ging [geintimeerde] in op het aanbod van [naam 2] onderzoek te doen naar [appellant] . Hij stelde [naam 2] daarvoor bovendien waarschijnlijk een beloning (
“special projects lumpsum”) in het vooruitzicht. Zonder beloning had [naam 2] geen reden om [appellant] te belasteren. De aansporing en de in het vooruitzicht gestelde beloning van [geintimeerde] om [appellant] te onderzoeken waren dus cruciaal voor [naam 2] (en [naam 3] ) om verder te gaan met zijn (hun) lasterlijke activiteiten. [geintimeerde] had moeten begrijpen dat de informatie die [naam 2] verzamelde over [appellant] niet alleen met [geintimeerde] maar ook publiekelijk, waaronder met Quote, zou worden gedeeld. Op instigatie en ten behoeve van [geintimeerde] werd vervolgens eveneens op 2 december 2017 een lasterlijke e-mail aan het personeel van [appellant] gestuurd. Daarin werd de GABME-alert met de beschuldigingen aan het adres van [appellant] gedeeld en werd om informatie gevraagd over de activa van [appellant] ten behoeve van de compensatie van [geintimeerde] . [geintimeerde] onderhandelde vervolgens met [appellant] over de vso en wist dat [appellant] ernstige en schadelijke gevolgen ondervond van de lastercampagne. [geintimeerde] deelde daarna op verschillende momenten informatie met [naam 2] (of [naam 3] ) over zijn geschil met [appellant] . [naam 3] speelde die informatie vervolgens door aan Quote, wat [naam 3] en [naam 2] in staat stelde Quote te beïnvloeden. [geintimeerde] diende met die mogelijkheid rekening te houden.
4.24.
Bij het gesprek op 18 december 2017 ontving [geintimeerde] - aldus [appellant] - ook zelf informatie van [naam 2] , die volgens [naam 3]
“goud”waard was voor [geintimeerde] . Ook daarna was [geintimeerde] nog geïnteresseerd in informatie over [appellant] en liet dat aan [naam 2] blijken. Op 8 of 9 januari 2018 vroeg hij hem immers naar
“nieuws”over [appellant] . [geintimeerde] begreep althans had moeten begrijpen dat [naam 2] dit zou opvatten als een aansporing vooral door te gaan met zijn onderzoek en andere lasterlijke activiteiten. [geintimeerde] en [appellant] sloten vervolgens de vso, waarin [geintimeerde] verschillende voor hem zeer gunstige voorwaarden bedong en aldus profiteerde van de sterke onderhandelingspositie die hij genoot vanwege de lastercampagne (en mogelijk van de informatie die hij van [naam 2] ontving). [geintimeerde] verzweeg bovendien moedwillig dat hij zich ervan bewust was dat [naam 2] betrokken was bij de lastercampagne en berichtgeving in Quote, terwijl hij [appellant] zonder enige moeite of risico had kunnen waarschuwen. Hij ontnam [appellant] daarmee de kans om de laster
(eerder) te stoppen en zijn schade te beperken.
4.25.
Het hof stelt vast dat [naam 10] onder ede heeft verklaard dat zij [naam 2] op verzoek van [naam 3] (eind november 2017, zo volgt uit het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 13 juli 2023 in een procedure van een onderneming van [appellant] tegen [naam 2] bij de rechtbank Amsterdam) in contact heeft gebracht met [geintimeerde] . Reeds hieruit volgt naar het voorlopig oordeel van het hof - de hiervoor genoemde overwegingen van het hof in de bodemprocedure in mede aanmerking genomen - dat [geintimeerde] in elk geval niet als opdrachtgever van de lastercampagne kan worden aangemerkt. Het initiatief voor de ontmoeting met [naam 2] werd immers genomen door [naam 3] en [naam 2] op een tijdstip dat de lastercampagne volgens [appellant] al een aanvang had genomen.
4.26.
Het hof oordeelt als volgt. Bedoelde gesprekken tussen [geintimeerde] en [naam 2] vonden plaats na het kortgedingvonnis van 29 november 2017 en voor de ondertekening van de vso op 12 januari 2018 alsook voor het oriënterend gesprek van [geintimeerde] met de FIOD op 20 december 2018. Niet in geschil is dat tijdens deze gesprekken over [appellant] is gesproken en dat [naam 2] hierin beschuldigingen over [appellant] uitte. Aangenomen mag worden dat de gesprekken zijn gevoerd in een periode dat de verhoudingen tussen [appellant] en [geintimeerde] niet goed waren en dat [geintimeerde] in het licht van de onderhandelingen met [appellant] over de vso geïnteresseerd was in informatie over [appellant] . [geintimeerde] heeft naar eigen zeggen op 2 december 2017 dan ook tegen [naam 2] gezegd dat hij het idee dat [naam 2] onderzoek zou kunnen doen naar [appellant] om hem te helpen
“wel interessant”vond. Hieruit volgt nog niet dat [geintimeerde] is ingegaan op het aanbod van [naam 2] om onderzoek te doen naar [appellant] , laat staan tegen betaling van een beloning. Dit valt - nog daargelaten de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 3] - ook niet op te maken uit het whatsappbericht van [naam 3] aan [naam 2] van 23 december 2017, inhoudende:
“(…) Ik heb quote uitgesteld ivm volgende punten (…) 4) er komt toch een [nummer] paginas verhaal in paper blad. En nu online zou wel scoop weggeven. 5) alle info komt van mij, behalve Lou RR foto. En die info gaf jij [geintimeerde] . (…)”en/of uit (het transcript van) het audiobericht van [naam 3] aan [naam 2] van 2 december 2017, luidende:
“(…) Wij, jij en ik hebben samen jouw gesprek voorbereid. Dat is gewoon goed gegaan. Drie doelen: algemeen belang, [geintimeerde] belang, jouw belang. Nou, dat ging perfect. Je hebt een baan aangeboden gekregen, security en wat wil je verdienen. Daarnaast heeft ie gezegd, de special projects lumpsum. Dus nu stap twee. Objective: contract tekenen. Volgende week op het werk erop en mij aankondigen. Dan stap drie: ik gesprek en maar objective is ook daar binnenkomen. Wat ik wil is dat jij sowieso vast daar zit (…). Het idee is: dat jij vaste dingen doet, met je vast salaris alles voor jou en special projects gaan jij en ik als malle wereldwijd om hem te helpen. (…) En die winst of dat omzet wat aan ons genereert, splitten we samen. Dus jij hebt je vaste salaris, jouw ding. En als wij, als je special projects doet, dan doe je dat samen met mij, daar worden we voor betaald en dat doen we fifty fifty. Zoiets. En misschien biedt hij mij weet ik veel een of andere sales functie aan. (…)”.Zo [geintimeerde] al informatie ontvangen heeft van [naam 2] , blijkt nergens uit dat dit de door [geintimeerde] bedoelde informatie in verband met de onderhandelingen over de vso betrof en zo [geintimeerde] al met [naam 2] heeft gesproken over een
“special projects lumpsum”blijkt nergens uit dat deze beloning verband houdt met onderzoek naar [appellant] . Het whatsappbericht duidt erop dat het om aan Quote verstrekte informatie in het kader van de lastercampagne gaat en in het geheel niet gebleken is dat voor [geintimeerde] nuttige informatie aan Quote is verschaft. Het audiobericht duidt veeleer erop dat de beloning verband houdt met een eventuele arbeidsovereenkomst tussen [naam 2] en (een van de ondernemingen van) [geintimeerde] . Enige betrokkenheid van [geintimeerde] bij de lastercampagne volgt hier dan ook niet uit. Ook blijkt nergens uit dat de gestelde aansporing en in het vooruitzicht gestelde beloning van [geintimeerde] om [appellant] te onderzoeken cruciaal voor [naam 2] (en [naam 3] ) waren om verder te gaan met zijn (hun) lasterlijke activiteiten of dat de e-mail aan het personeel van [appellant] van diezelfde dag op instigatie en ten behoeve van [geintimeerde] is verzonden. Zoals in de bodemprocedure overwogen, valt niet goed in te zien welk belang [geintimeerde] heeft bij een lastercampagne tegen [appellant] , nu hierdoor de terugbetaling van de leningen in gevaar wordt gebracht, terwijl [appellant] er wel belang bij lijkt te hebben om [geintimeerde] te beschuldigen van betrokkenheid bij de lastercampagne, om zo uitstel van zijn betalingsverplichtingen te verkrijgen en is het niet onaannemelijk dat [naam 3] een eigen persoonlijk belang had bij het starten van de lastercampagne eind 2018.
4.27.
Dat [geintimeerde] volgens hem tijdens het gesprek op 2 december 2017
“het
vermoeden”kreeg dat [naam 2] betrokken was bij de GABME-berichten, maakt nog niet dat hij zich - zoals [appellant] betoogt - na dit gesprek had moeten distantiëren van [naam 2] . Hierbij betrekt het hof dat [geintimeerde] op dat moment nog geen wetenschap had van de bevindingen van de FIOD en dat - zo is niet in geschil - [appellant] de laster gemotiveerd weersprak. Daarbij heeft [geintimeerde] na het gesprek met [naam 2] op 2 december 2017 contact opgenomen met [naam 1] - die toen net weer was benaderd om tussen [appellant] en [geintimeerde] te bemiddelen - met de boodschap dat hij een geluidsopname had waaruit zou blijken wie achter de GABME-laster zou zitten, waarna [naam 1] op 6 december 2017 per mail aan [appellant] heeft laten weten:
“ [geintimeerde] heeft een bandje en daaruit zou blijken wie achter de mails zit Hij kreeg nu bezoek en belt mij zo terug Ik krijg het bandje ook denk ik Bel je straks”. Volgens [appellant] liet [naam 1] hem vervolgens weten dat [naam 1] de geluidsopname van [geintimeerde] had ontvangen en beluisterd, dat daarop een gesprek tussen [geintimeerde] en [naam 2] te horen was en dat [geintimeerde] hem geen toestemming had gegeven om de opname met [appellant] te delen. Het hof is voorshands van oordeel dat [appellant] door de mail van [naam 1] van 6 december 2017 en de mededeling dat daarop een gesprek tussen [geintimeerde] en [naam 2] te horen was over voldoende informatie beschikte om zelf, na nader onderzoek, in te grijpen. Het betoog van [appellant] dat [geintimeerde] naar aanleiding van de gesprekken met [naam 2] had moeten proberen de lastercampagne te stoppen faalt reeds daarom. Het gaat - zeker nu [geintimeerde] op dat moment nog geen wetenschap had van de bevindingen van de FIOD en [appellant] de laster weersprak - niet aan om dit bij [geintimeerde] neer te leggen. Bovendien komt het het hof onwaarschijnlijk voor dat als [geintimeerde] iets met de lastercampagne van doen zou hebben gehad, hij deze geluidsopname aan [naam 1] ter beschikking zou stellen, waaruit volgens hem valt op te maken dat [naam 2] betrokken is bij de lastercampagne.
4.28.
Het tweede gesprek tussen [geintimeerde] en [naam 2] op 18 december 2017, acht het hof in het licht van de onderhandelingen over de vso verklaarbaar, en ook deze ontmoeting betekent nog niet dat [geintimeerde] betrokken is geweest bij de lastercampagne. Dat [geintimeerde] tijdens dat gesprek aan [naam 2] heeft laten weten dat hij met [appellant] onderhandelde
“over een regeling met betrekking tot het geld dat ik hem had geleend”, valt naar het voorshandse oordeel van het hof niet aan te merken als het delen van vertrouwelijke informatie met [naam 2] . Dat [geintimeerde] tijdens dat gesprek informatie van [naam 2] ontving, die volgens [naam 3]
“goud”waard was voor [geintimeerde] , betekent niet dat het hier gaat om informatie ten nadele van [appellant] . Dat [geintimeerde] ook daarna nog geïnteresseerd was in informatie over [appellant] - en zo begrijpt het hof: ten nadele van [appellant] - en dat aan [naam 2] liet blijken, valt naar het oordeel van het hof niet op te maken uit de vraag
“(hij vroeg hoe het met mij ging, hoe mijn zaak met d ervoor stond). En of ik nog nieuws had”.Voor zover het hof al belang hecht aan verklaringen van en gerelateerd aan [naam 3] , volgt uit door [appellant] overgelegde whatsapp-/audioberichten van januari en februari 2018 veeleer dat het [naam 2] niet meer lukte nogmaals een afspraak met [geintimeerde] in te plannen.
4.29.
Gelet op het voorgaande merkt het hof op [appellant] niet te volgen in zijn stelling dat [geintimeerde] onjuist, ongeloofwaardig, tegenstrijdig en onvolledig verklaart over zijn vermeende betrokkenheid bij de lastercampagne en zijn contacten met [naam 3] en [naam 2] . Gelet op het tijdsverloop tussen de lastercampagne, de contacten met [naam 3] en [naam 2] en de verklaringen van [geintimeerde] acht het hof mogelijke verschillen en onvolledigheden in de verklaringen van [geintimeerde] zeer wel verklaarbaar. Van onjuiste, tegenstrijdige en onvolledige verklaringen is naar het voorshandse oordeel van het hof dan ook geen sprake. Het hof ziet binnen het beperkte kader van dit kort geding voorshands ook geen aanleiding te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [geintimeerde] .
4.30.
Anders dan [appellant] betoogt, blijkt naar het voorlopig oordeel van het hof nergens uit dat [geintimeerde] door de lastercampagne een sterke onderhandelingspositie had, laat staan dat hij daarvan heeft geprofiteerd. Dat [appellant] mogelijkerwijs toezeggingen heeft gedaan, omdat hem er veel aan gelegen was om de lastercampagne te beëindigen en hij meende daartoe een publiekelijke verklaring van [geintimeerde] dat van oplichting geen sprake was nodig te hebben, kan [geintimeerde] niet worden toegerekend.
4.31.
Voor zover [appellant] een verband ziet tussen het klappen van de samenwerking tussen hem en [geintimeerde] en het daarna door [geintimeerde] aangespannen kort geding enerzijds en de aanvang van de lastercampagne anderzijds, tussen de afwijzing van de vorderingen van [geintimeerde] in dat kort geding enerzijds en de eerste online GABME-laster anderzijds, tussen de eerste online GABME-laster enerzijds en het eerste gesprek van [geintimeerde] en [naam 2] anderzijds en tussen het eerste gesprek van [geintimeerde] en [naam 2] enerzijds en het eerste bericht over het geschil tussen [geintimeerde] en [appellant] in Quote anderzijds en hierin een aanwijzing ziet voor betrokkenheid van [geintimeerde] bij de lastercampagne, volgt het hof [appellant] hierin niet. Zoals in de bodemprocedure overwogen, valt niet goed in te zien welk belang [geintimeerde] heeft bij een lastercampagne tegen [appellant] , nu hierdoor de terugbetaling van de leningen in gevaar wordt gebracht, terwijl [appellant] er wel belang bij lijkt te hebben om [geintimeerde] te beschuldigen van betrokkenheid bij de lastercampagne, om zo uitstel van zijn betalingsverplichtingen te verkrijgen.
4.32.
Naar het oordeel van het hof is in dit kort geding de door [appellant] aan [geintimeerde] verweten onrechtmatige daad vanwege zijn betrokkenheid bij de lastercampagne niet voldoende aannemelijk geworden. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft [appellant] niet zodanige feiten en omstandigheden gesteld dat voldoende aannemelijk is dat [geintimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem. Ook als de feiten in onderlinge samenhang worden beschouwd, is er geen rechtsbetrekking tussen partijen aannemelijk geworden die tot een recht op inzage leidt. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van het bestaan van een rechtsbetrekking tussen [appellant] en [geintimeerde] in de zin van artikel 843a (oud) Rv om inzage te verkrijgen.
rechtsbetrekkingen [appellant] - [naam 2] en [naam 3]
4.33.
Terecht stelt [appellant] in zijn memorie van grieven dat tussen [appellant] en
[naam 2] en [naam 3] de rechtsbetrekkingen reeds vaststaan. Ten aanzien van [naam 3] en [naam 2] is immers onherroepelijk geoordeeld dat zij onrechtmatig jegens hem hebben
gehandeld vanwege hun betrokkenheid bij de lastercampagne.
grief 2: bepaalde bescheiden
4.34.
Grief 2heeft betrekking op het vereiste dat het moet gaan om bepaalde bescheiden.
4.35.
Naar het voorlopig oordeel van het hof is de door [appellant] hiervoor onder 4.5 ii) weergegeven vordering tot inzage in, samengevat, alle communicatie van [geintimeerde] via welk medium dan ook met [naam 2] , [naam 3] en [naam 10] te ruim geformuleerd om te kunnen worden toegewezen. De vordering is immers niet gelimiteerd wat betreft type communicatie, onderwerp van communicatie noch wat betreft de tijdsperiode waarbinnen die communicatie zou hebben plaatsgevonden.
4.36.
De hiervoor onder 4.5 iii) weergegeven vordering van [appellant] tot inzage in, samengevat, alle communicatie van [geintimeerde] via welk medium dan ook, die betrekking heeft op de lastercampagne tegen [appellant] , met wie dan ook acht het hof eveneens te ruim geformuleerd om te kunnen worden toegewezen. Deze vordering ziet op communicatie van [geintimeerde] , zijn familie, zijn vennootschappen of werknemers van zijn vennootschappen over de lastercampagne met wie dan ook. Temeer nu de lastercampagne volgens [appellant] een publiek karakter had, is deze vordering reeds daarmee te onbepaald.
4.37.
Het hof is voorshands van oordeel dat de gevorderde inzagen neerkomen op ‘fishing expeditions’ en bovendien onuitvoerbaar zijn.
4.38.
Alleen wat betreft de geluidsopnames van gesprekken tussen [geintimeerde] en [naam 2] op 2 en 18 december 2017 is naar het oordeel van het hof voldaan aan het vereiste dat het hier gaat om bepaalde bescheiden.
rechtmatig belang
4.39.
Daarmee komt het hof toe aan het derde cumulatieve vereiste van artikel 843a (oud) Rv.
4.40.
De eis van een rechtmatig belang ziet op belang bij bewijs of informatie. Een partij heeft een rechtmatig belang bij inzage als de bescheiden relevant kunnen zijn voor de vaststelling van voor haar relevante feiten. Dat brengt mee dat die partij voldoende moet stellen voor het oordeel dat de gevraagde bescheiden relevant kunnen zijn voor het doel waarvoor de inzage gevraagd wordt. Bescheiden waarvan een partij slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan haar stellingen, zijn onvoldoende. Ook tegen een derde die niet partij is bij de rechtsbetrekking kan een inzagevordering worden ingesteld.
4.41.
[appellant] voert in dat verband aan dat inzage in de door hem gevorderde bescheiden inzicht biedt in (de aard en omvang van) het onrechtmatig handelen van [naam 2] en [naam 3] en derhalve relevant is in het kader van de schadestaatprocedures van [appellant] tegen [naam 2] en [naam 3] .
4.42.
Het hof stelt voorop dat [appellant] niet meer hoeft aan te tonen dat [naam 2] en [naam 3] de lastercampagne hebben gevoerd. Hij dient in het kader van schadestaatprocedures tegen [naam 2] en [naam 3] slechts aannemelijk te maken welke schade (gederfde winst en immateriële schade) hij heeft geleden als gevolg van de lastercampagne.
Vast staat dat [appellant] conservatoir (derden)bewijsbeslag heeft laten leggen onder [naam 3] en [naam 2] , dat [appellant] een inzagevordering heeft ingesteld en dat hij na toewijzing daarvan in december 2023/januari 2024 de beschikking heeft gekregen over een groot deel van de gegevensdragers van [naam 2] en [naam 3] en daarmee over ongeveer 300.000 bescheiden van [naam 3] en [naam 2] .
Uit de verklaringen van [geintimeerde] over de gesprekken op 2 en 18 december 2017 valt op te maken dat [naam 2] te kennen heeft gegeven dat [appellant] een oplichter was, dat [naam 2] ontkende iets te maken te hebben met het feit dat [geintimeerde] door Quote werd benaderd over het geschil met [appellant] en dat hij aangaf niet te weten wie Quote voedde met informatie over dit geschil. Het hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan deze verklaringen. Hiervoor heeft het hof overwogen dat uit door [appellant] overgelegde whatsapp-/audioberichten van januari en februari 2018 valt op te maken dat het [naam 2] niet meer lukte nogmaals een afspraak met [geintimeerde] in te plannen.
Het hof acht het dan ook niet aannemelijk dat de geluidsbanden, naast de informatie waarover [appellant] op grond van de ongeveer 300.000 voormelde bescheiden al beschikt, nieuwe informatie bevatten die relevant kan zijn in het kader van schadestaatprocedures tegen [naam 2] en [naam 3] . [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een noodzakelijk bewijsbelang heeft bij de door hem gevorderde inzage in de geluidsbanden en dat een behoorlijke rechtsbedeling zonder verschaffing van de geluidsbanden opnames niet is gewaarborgd.
conclusie
4.43.
Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van [appellant] tot inzage zal worden afgewezen.
Voorts in incidenteel hoger beroep
vordering tot het verstrekken van informatie
4.44.
Met
grief 2komt [geintimeerde] op tegen de afwijzing van zijn vordering tot het verstrekken van informatie onder meer ex artikelen 475g Rv en 475aa Rv.
4.45.
Het hof stelt voorop dat een schuldenaar in beginsel verplicht is een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. Hoever deze op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde verplichting in een voorliggend geval reikt, hangt af van de concrete omstandigheden van dat geval. Bij het bepalen van de (reikwijdte van de) verplichting dient de rechter zich er rekenschap van te geven dat het wettelijk stelsel van informatie- en verantwoordingsverplichtingen niet wordt doorkruist (HR 20 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0338, [namen] ). De informatieplicht van de schuldenaar kan verder strekken naarmate er aanwijzingen zijn dat de schuldenaar vermogensbestanddelen heeft onttrokken aan verhaal (Gerechtshof Amsterdam 21 september 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0492).
4.46.
Deze algemene, op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde, informatieplicht is in artikel 475g Rv uitgewerkt voor de situatie dat een deurwaarder beslag wenst te leggen. Dit artikel bevat de verplichting voor de schuldenaar om zijn bronnen van inkomsten op te geven. Dit artikel verplicht de schuldenaar niet om naast zijn bronnen van inkomsten ook van zijn vermogen opgave te doen (HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1776). Ook is deze algemene informatieplicht uitgewerkt in artikel 475aa Rv, krachtens welke bepaling een schuldenaar verplicht dient op te geven welke bank geldmiddelen van hem onder zich heeft.
4.47.
Vast staat dat [appellant] tot op heden zijn betalingsverplichting aan [geintimeerde] niet
nakomt. [appellant] betwist niet dat hij verplicht is tot betaling aan [geintimeerde] , maar
betoogt niet bij machte te zijn om te betalen en bereid te zijn tot betaling zodra hij daartoe in staat is. Alleen al vanwege de door [appellant] te betalen advocaatkosten in de diverse procedures en in meerdere instanties tussen partijen acht het hof het ongeloofwaardig dat [appellant] niet over middelen beschikt om in elk geval een aanvang te maken met betalingen aan [geintimeerde] . Weliswaar voert [appellant] aan dat anderen die advocaatkosten voor hem betalen, maar hieraan gaat het hof - nog daargelaten dat deze anderen [appellant] dan wellicht ook in staat zouden kunnen stellen een aanvang te maken met terugbetaling - bij gebreke van enige onderbouwing voorbij. Zeker in aanmerking genomen de gegrondbevinding van het beroep op bedrog door [geintimeerde] in de bodemprocedure acht het hof onmiskenbaar dat [appellant] verhaal door [geintimeerde] van aanvang af frustreert.
4.48.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in de bodemprocedure is [appellant] veroordeeld om aan [geintimeerde] te betalen € 75.349.430,00, vermeerderd met de contractuele rente zoals overeengekomen in de leningsovereenkomsten. Deze veroordeling wordt bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest in de bodemprocedure op heden bekrachtigd. Daarenboven wordt [appellant] in de bodemprocedure bij voormeld arrest veroordeeld tot betaling van de krachtens de geldleningsovereenkomsten verschuldigde boeterente. Het hof komt in de bodemprocedure tot het oordeel dat sprake is van bedrog aan de zijde van [appellant] wat betreft de besteding van de door hem van [geintimeerde] geleende gelden, dat daarmee het onrechtmatig karakter van het handelen van [appellant] vaststaat en dat zijn aansprakelijkheid jegens [geintimeerde] voor de dientengevolge geleden schade gegeven is.
4.49.
In het voorgaande ziet het hof voorshands voldoende reden om op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW), waarop [geintimeerde] zich eveneens beroept, een verstrekkende informatieverstrekking te bevelen. [geintimeerde] heeft, zeker gelet op de omvang van de betalingsverplichting van [appellant] , een gerechtvaardigd belang bij een volledige en gespecificeerde opgave van de omvang, samenstelling en allocatie van het volledige binnenlandse en buitenlandse inkomen en vermogen van [appellant] , waaronder uitdrukkelijk begrepen alle deelnemingen in Nederlandse en buitenlandse vennootschappen, waarop [geintimeerde] verhaal kan nemen.
4.50.
Voor zover [appellant] betoogt dat hij aan zijn wettelijke verplichtingen op grond van artikel 475g Rv en 475aa Rv heeft voldaan door op 4 september 2023 en op 6 december 2024 te verklaren over zijn bronnen van inkomsten en het gebrek aan vermogensbestanddelen bij banken, merkt het hof op dat deze verklaringen niet volstaan en [appellant] niet ontslaan van zijn verplichting om de door [geintimeerde] gevorderde informatie te verstrekken.
4.51.
Daarmee ligt de hiervoor onder 4.7 weergegeven
primairevordering tot verstrekking van informatie van [geintimeerde] voor toewijzing gereed, met dien verstande dat het hof geen grondslag ziet voor het toewijzen van de gevorderde goedkeurende verklaring van een Nederlandse registeraccountant. De door [geintimeerde] gevorderde datum van verstrekking (binnen vier weken na deze uitspraak) en peildatum (vier weken na deze uitspraak) acht het hof redelijk.
vordering tot inzage ex artikel 843a (oud) Rv
4.52.
Met
grief 3komt [geintimeerde] op tegen de afwijzing van zijn vordering tot inzage in bijlagen van het strafdossier van [appellant] ex artikel 843a (oud) Rv.
4.53.
Reeds op grond van de leningsovereenkomsten is sprake van een rechtsbetrekking tussen [geintimeerde] en [appellant] als bedoeld in artikel 843a (oud) Rv. De vordering betreft vijftien documenten die onderdeel uitmaken van het
strafrechtelijk onderzoek onder de naam
“Princess”en/of in het strafdossier met de coderingen zijn aangeduid en ziet daarmee op bepaalde bescheiden. [geintimeerde] voert aan met bedoelde bescheiden te kunnen identificeren welke aan [appellant] gelieerde (rechts-)personen gelden van hem hebben ontvangen en vast te stellen wat hun betrokkenheid (al dan niet in groepsverband) bij de strafbare gedragingen precies was. Het hof acht aannemelijk dat deze bescheiden [geintimeerde] relevant inzicht kunnen verschaffen over de organisatiestructuur en geldstromen van [appellant] . Met die informatie kan [geintimeerde] bepalen tegen welke van deze (rechts-)personen hij rechtsmaatregelen wil treffen. Het rechtmatig belang van [geintimeerde] is daarmee gegeven. Aan de drie cumulatieve vereisten voor toewijzing van een vordering tot inzage is voldaan.
4.54.
Het gaat hier echter om bescheiden die onderdeel uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek en/of het strafdossier, te weten: bijzondere
opsporingsbevoegdheden (BOB), ambtshandelingen (AMB) en stukken die in het kader van de opsporing zijn verkregen of door de FIOD zijn opgesteld (DOC).
De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) bevat bepalingen over de verwerking van justitiële en strafvorderlijke gegevens. De Wjsg en ook de Wet politiegegevens (Wpg) gaan uit van een gesloten verstrekkingsregime in die zin dat de op grond van die wetten verkregen gegevens alleen worden verstrekt aan anderen als die wetten dit bepalen. Hoewel de burgerlijke rechter, zo lang het strafrechtelijk onderzoek nog loopt, er verstandig aan doet terughoudend te zijn met bewijsverrichtingen ter zake van feiten die voorwerp van aandacht zijn in de strafzaak (PHR 12 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:594), staan de regelingen van de Wpg en Wjsg echter niet in de weg aan het moeten verschaffen van inzage, afschrift of uittreksel op grond van artikel 843a (oud) Rv. Wel kunnen de overwegingen, die onder de Wpg of Wjsg tot de uitkomst leiden dat met betrekking tot bepaalde gegevens geen recht bestaat op verstrekking, gewichtige redenen opleveren als bedoeld in artikel 843a lid 4 (oud) Rv. In dat geval behoeft geen inzage, afschrift of uittreksel te worden gegeven (HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273).
4.55.
[appellant] voert aan dat het strafrechtelijk onderzoek nog niet is afgerond. Volgens [appellant] verzet het onderzoeksbelang zich tegen verstrekking van de bescheiden aan [geintimeerde] . Hij wijst daartoe op de ‘Aanwijzing Wjsg’. Deze bepaalt dat
“wanneer nog geen definitieve vervolgingsbeslissing is genomen, geldt als uitgangspunt dat geen informatie wordt verstrekt”. [geintimeerde] heeft echter onweersproken gesteld dat er nog één getuige dient te worden gehoord, waarna de strafzaak door de Officier van Justitie bij de strafrechter zal worden gebracht en dat de Officier van Justitie dus heeft besloten [appellant] te gaan vervolgen. Ervan uitgaande dat de nog te horen getuige niet [geintimeerde] is, acht het hof bij die stand van zaken doorkruising van het wettelijk stelsel niet aannemelijk.
[appellant] voert verder aan dat de vordering van [geintimeerde] de bevoegdheid en beslissingen van het Openbaar Ministerie doorkruist. Het Openbaar Ministerie heeft in een eerdere fase (2020/2021 en 2023) van het strafrechtelijk onderzoek het verzoek van [geintimeerde] om inzage in het gehele strafdossier afgewezen en [appellant] heeft met het Openbaar Ministerie procedurele afspraken gemaakt over een eventuele aanvullende verstrekking. Dit staat echter, wat hier ook van zij, niet in de weg aan een vordering tot inzage ex artikel 843a (oud) Rv. Dat volgens [appellant] in de eerdere afwijzing ook ‘strafrechtelijke opsporings- en vervolgingsbelangen’ zijn meegewogen, maakt dit niet anders. Daarbij betrekt het hof dat de eerdere afwijzingen plaatsvonden in een eerdere fase van het strafrechtelijk onderzoek en dat ten aanzien van de individuele bescheiden waarvan inzage wordt gevorderd niet gesteld of gebleken is dat hiermee thans het wettelijk stelsel wordt doorkruist.
4.56.
Wel kunnen overwegingen die onder de Wjsg en Wpg tot de uitkomst leiden dat geen recht op verstrekking bestaat een gewichtige reden in de zin van artikel 843a lid 4 (oud) Rv opleveren. [appellant] voert in dat verband aan dat [geintimeerde] eerder de voorwaarden van verstrekking heeft geschonden, dat de gevorderde documenten gevoelige gegevens bevatten van [appellant] en derden, dat [geintimeerde] bij toewijzing niet gebonden is aan een strafrechtelijk gesanctioneerde geheimhoudingsplicht en dat [geintimeerde] van plan is deze stukken in te zetten in nieuwe procedures tegen derde
partijen. Hieraan gaat het hof bij gebreke van enige nadere onderbouwing voorbij. Daarbij betrekt het hof dat elke wettelijke regeling zijn eigen afwegingskader heeft, zodat voor de beantwoording van de vraag of er gewichtige redenen zijn om in een rechterlijke procedure gegevens niet te hoeven verstrekken omdat deze vertrouwelijk zouden zijn, op zichzelf niet beslissend is of de rechter in het kader van een procedure op grond van een andere wettelijke regeling de weigering om die gegevens openbaar te maken gegrond heeft geoordeeld (HR 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3350, Lightning Casino). Van gewichtige redenen in de zin van artikel 843a lid 4 Rv is het hof niet gebleken.
4.57.
Mayhari voert nog aan dat zijn toenmalige strafadvocaat zich bij brief van 15 juli 2024 heeft beroepen op zijn verschoningsrecht ter zake het strafdossier. Dit beroep kan [appellant] niet baten. Niet alleen betreft het hier geen afgeleid verschoningsrecht, zodat de toenmalige strafadvocaat van [appellant] zelf in rechte dient op te komen tegen een gestelde schending van zijn verschoningsrecht, maar ook betreft het informatie door het Openbaar Ministerie aan [appellant] is verstrekt via diens advocaat, waarmee [appellant] een zelfstandig recht heeft op het strafdossier en dit niet onder het verschoningsrecht van zijn advocaat valt.
4.58.
Daarmee ligt de hiervoor onder 4.7 weergegeven vordering tot inzage van
[geintimeerde] voor toewijzing gereed. De door [geintimeerde] gevorderde termijn voor inzage
binnen een week na deze uitspraak acht het hof redelijk.
lijfsdwang, dwangsom
4.59.
[geintimeerde] vordert dat de door het hof uit te spreken veroordelingen zullen worden versterkt met
primairlijfsdwang en
subsidiairdwangsommen en lijfsdwang indien de dwangsommen zijn volgelopen.
4.60.
De rechter kan op verlangen van de schuldeiser de tenuitvoerlegging van een vonnis bij lijfsdwang toestaan als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt (artikel 587 Rv). Toepassing van lijfsdwang betekent een vrijheidsbeneming. Uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang is daarom een
ultimum remediumdat slechts kan worden toegepast indien van geen ander executiemiddel het beoogde effect te verwachten is. Daarbij is vereist dat het belang van de schuldeiser bij toepassing van lijfsdwang zwaarder weegt dan het belang van de schuldenaar om daarvan gespaard te blijven. De rechter heeft hierin een discretionaire bevoegdheid.
In eerste aanleg zijn de vorderingen van [geintimeerde] tot inzage en tot het verstrekken van informatie afgewezen en is er dus geen executiemiddel opgelegd. Ook in de bodemprocedure is geen sprake van opgelegde executiemiddelen. In zoverre kan niet geoordeeld worden dat andere executiemiddelen ten aanzien van [appellant] niet het beoogde effect hebben gehad. Daarmee doet zich in het onderhavige geval nog niet direct een situatie voor waarin toepassing van lijfsdwang gerechtvaardigd is. De
primairevordering van [geintimeerde] zal dan ook worden afgewezen.
4.61.
Indien de dwangsommen vollopen, doet zich naar het voorshandse oordeel van het hof wel een situatie voor waarin toepassing van lijfsdwang gerechtvaardigd is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] inmiddels jarenlang niets heeft afgelost op de leningen, het in de bodemprocedure vastgestelde bedrog aan de zijde van [appellant] en de daarvan naar het voorshandse oordeel van het hof onderdeel uitmakende verhaalsfrustratie.
4.62.
Daarmee ligt de
subsidiairevordering van [geintimeerde] om de veroordelingen te versterken met dwangsommen en lijfsdwang voor toewijzing gereed. In afwijking van de vordering van [geintimeerde] ziet het hof aanleiding de uit te spreken veroordelingen te versterken met i) een eenmalige dwangsom van € 100.000,00 ii) een periodieke dwangsom van € 50.000,00 per dag of dagdeel dat
geheel of gedeeltelijkin strijd met
een of meer vandeze veroordelingen en/of bevelen wordt gehandeld tot een maximum van € 1.000.000,00 en iii) indien het maximum aan dwangsommen is bereikt, onmiddellijke lijfsdwang tegen [appellant] voor de duur van
maximaaleen jaar.
Voorts in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep
spoedeisend belang
4.63.
Tot slot geldt voor in kort geding ingestelde inzage- en informatievorderingen als voor iedere voorziening in kort geding, dat de eisende partij bij toewijzing spoedeisend belang dient te hebben. Met de
grieven 3 respectievelijk 1komen [appellant] respectievelijk [geintimeerde] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij geen spoedeisend belang bij hun respectieve inzage- en informatievorderingen hebben.
4.64.
Reeds doordat aan het vereiste van het bestaan van een rechtsbetrekking tussen [appellant] en [geintimeerde] en aan het vereiste van een rechtmatig belang bij de vordering tot inzage van [appellant] met betrekking tot [naam 3] en [naam 2] niet is voldaan, ontbreekt het [appellant] ook aan spoedeisend belang.
4.65.
Aan [appellant] kan worden toegegeven dat [geintimeerde] met betrekking tot zijn vorderingen tot inzage en tot het verstrekken van informatie weinig voortvarend heeft gehandeld. Zo heeft [geintimeerde] na de e-mail van 4 september 2023, waarin [appellant] aan de deurwaarder heeft meegedeeld dat hij geen bronnen van inkomsten heeft als bedoeld in artikel 475g Rv en dat er voor het overige geen sprake is van een informatieplicht, eerst na het bestreden vonnis in het onderhavige kort geding opnieuw actie ondernomen ter verkrijging van informatie. Het hof ziet hierin evenwel onvoldoende grond om aan te nemen dat een spoedeisend belang bij de vorderingen ontbreekt. Gelet op de aard van het gevorderde, de omstandigheid dat [appellant] tot op heden niets op de geldleningen heeft afgelost en verhaal door [geintimeerde] al van aanvang aan frustreert, kan [geintimeerde] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen tot inzage en het verstrekken van informatie niet worden ontzegd. Dat [geintimeerde] door middel van deze vorderingen slechts ‘terug wil slaan’ acht het hof gelet op het belang van [geintimeerde] bij zijn vorderingen niet aannemelijk.
bewijslevering
4.66.
[appellant] heeft een bewijsaanbod gedaan. Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen geen plaats voor uitgebreide bewijslevering. Het hof ziet geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken.
slotsom
4.67.
De slotsom is dat de grieven van [appellant] in het principaal hoger beroep falen. De grieven van [geintimeerde] in het incidenteel hoger beroep slagen. Het vonnis in conventie zal worden bekrachtigd en het vonnis in reconventie zal worden vernietigd. De vorderingen tot inzage en het verstrekken van informatie van [geintimeerde] zullen worden toegewezen als hierna in het dictum vermeld.
uitvoerbaarheid bij voorraad
4.68.
[appellant] verzet zich tegen de door [geintimeerde] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Het hof verwerpt dit verweer na afweging van de wederzijdse belangen en neemt daarbij in aanmerking dat [geintimeerde] na jaren een titel tot verhaal krijgt.
proceskosten
4.69.
[appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie. Ook zal het hof [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep en de kosten van het incidenteel hoger beroep.
4.70.
Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:
- salaris advocaat rechtbank reconventie € 1.107,00,
- nakosten € 100,00 (gelet op de veroordeling in de nakosten in conventie ad
€ 178,00),
- totaal eerste aanleg reconventie: € 1.207,00.
- griffierecht hof € 349,00,
- salaris advocaat hof principaal hoger beroep € 2.428,00 (2 punten × appeltarief
€ 1.214,00),
- salaris advocaat hof incidenteel hoger beroep € 1.214,00 (2 punten × appeltarief
€ 1.214,00 x 0,5),
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld),
- totaal hoger beroep: € 4.169,00.
4.71.
Als niet afzonderlijk weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5.Beslissing

Het hof:
recht doende in kort geding in principaal en in incidenteel hoger beroep:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2024 voor zover in conventie gewezen;
5.2.
vernietigt het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
5.3.
veroordeelt [appellant] om, binnen vier weken na deze uitspraak, aan de
advocaat van [geintimeerde] ( [naam ] ( [email] ), [straat] [nummer] te [postcode] Amsterdam) afschrift te verstrekken van:
een opgave per een peildatum (zijnde vier weken na deze uitspraak) van de omvang,
samenstelling en allocatie van zijn volledige binnenlandse en buitenlandse inkomen en
vermogen, waaronder uitdrukkelijk begrepen alle deelnemingen in Nederlandse en
buitenlandse vennootschappen. Daarbij dienen de voor verhaal vatbare
vermogensbestanddelen steeds afzonderlijk en voldoende gespecificeerd te worden
weergegeven;
5.4.
veroordeelt [appellant] om, binnen een week na deze uitspraak, aan de advocaat
van [geintimeerde] ( [naam ] ( [email] ), [straat] [nummer] te [postcode] Amsterdam) afschrift van de volgende bescheiden die onderdeel uitmaken van het strafrechtelijk onderzoek onder de naam
“Princess”en/of in het strafdossier met de volgende coderingen zijn aangeduid te verstrekken: DOC-114, DOC-106, AMB-00lA, AMB-029, AMB-014, AMB-015, AMB-016, AMB-020, AMB-021, BOB-038a, AMB-030, DOC-324, DOC-394, DOC-395 en DOC-396;
5.5.
ieder van voormelde veroordelingen onder 5.3. en 5.4. steeds op straffe van i) een eenmalige dwangsom van € 100.000,00, ii) een periodieke dwangsom van
€ 50.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat geheel of gedeeltelijk in strijd met deze veroordelingen wordt gehandeld tot een maximum van € 1.000.000,00 en iii) indien het maximum aan dwangsommen is bereikt, onmiddellijke lijfsdwang tegen [appellant] voor de duur van maximaal een jaar;
5.6.
veroordeelt [appellant] in de kosten van de reconventie in eerste aanleg aan de zijde van [geintimeerde] vastgesteld op € 1.207,00 (inclusief nakosten als voormeld) en in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep aan de zijde van [geintimeerde] vastgesteld op € 4.169,00 (nakosten daaronder begrepen als voormeld), te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met
€ 92,00 en de kosten van betekening;
5.7.
veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.8.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, H.K.N. Vos en C.B.M. Scholten van Aschat en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.