Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1285

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
23/873 en 23/875
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wet IB 2001Art. 4 AWRArt. 4 lid 1 Verdrag NL-VKArt. 4 lid 3 Verdrag NL-VKSection 218 Finance Act 2013 UK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over fiscale woonplaats en heffingsbevoegdheid Nederland versus Verenigd Koninkrijk

Belanghebbende, een piloot werkzaam voor een Maltese luchtvaartmaatschappij met standplaats in het Verenigd Koninkrijk, was in 2018 in Nederland ingeschreven en ontving inkomsten uit dienstbetrekking. De inspecteur legde een aanslag IB/PVV op, die door belanghebbende werd betwist. De rechtbank stelde het belastbaar inkomen lager vast, maar beide partijen gingen in hoger beroep.

Het Hof onderzocht of belanghebbende fiscaal inwoner was van Nederland of het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank had vastgesteld dat belanghebbende een duurzame band met Nederland had, maar het Hof concludeerde dat belanghebbende ook inwoner was van het Verenigd Koninkrijk op grond van de Statutory Residence Test. De tie-breaker uit het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk bepaalde dat belanghebbende geacht wordt uitsluitend inwoner van het Verenigd Koninkrijk te zijn, omdat hij daar een duurzaam tehuis had en zijn persoonlijke en economische belangen het nauwst waren.

De inspecteur stelde dat bepaalde vergoedingen als vrijgesteld loon moesten worden aangemerkt, maar het Hof achtte dit niet meer relevant nu Nederland niet heffingsbevoegd is. Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, en bepaalde dat Nederland niet bevoegd is de inkomstenbelasting over het loon van belanghebbende te heffen. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Belanghebbende is fiscaal inwoner van het Verenigd Koninkrijk, waardoor Nederland niet bevoegd is de inkomstenbelasting over zijn loon te heffen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 23/873 en 23/875
21 april 2026
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op de hoger beroepen van
[X], wonende te [Y] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. F.R. Herreveld)
en
de inspecteur van de Belastingdienst,de inspecteur,
tegen de uitspraak van 23 augustus 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/4388 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 7 oktober 2021 voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV ) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.517.
1.2.
Bij uitspraak van 30 juni 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.496 en bepaalt deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.970;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
1.4.1.
Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
1.4.2.
Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep (met kenmerk 23/873) is bij het Hof ingekomen op 3 oktober 2023 en nader gemotiveerd bij brief van 24 januari 2024. De inspecteur heeft op 9 april 2024 een verweerschrift ingediend.
1.4.3.
Het door de inspecteur ingestelde hoger beroep (met kenmerk 23/875) is bij het Hof ingekomen op 29 september 2023 en nader gemotiveerd op 17 november 2023. Belanghebbende heeft op 5 januari 2024 een verweerschrift ingediend.
1.5.
Op 10 februari 2025 heeft het Hof de behandeling van de zaak op de zitting van
4 maart 2025 verdaagd, in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in de zaak met nr. 22/03914.
1.6.
Op 1 december 2025 zijn partijen door het Hof in de gelegenheid gesteld om binnen 6 weken te reageren op het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2025, nr. 22/03914 (ECLI:NL:HR:2025:1236).
1.7.
Bij brief van 16 januari 2026 heeft de inspecteur gereageerd op het onder 1.6 vermelde verzoek. Belanghebbende heeft dat niet gedaan.
1.8.
Op 23 februari 2026 heeft het Hof de volgende brief aan partijen gestuurd:
“Naar aanleiding van de door partijen in hoger beroep ingediende stukken vraagt het Hof uw aandacht voor het volgende.
Het Hof verzoekt belanghebbende gedocumenteerd aan te geven op welke wettelijke bepaling(en) voor het (Nederlandse) belastingjaar 2018 de zogenoemde Statutory Residence Test is gebaseerd. Ook verzoekt het Hof aan belanghebbende een originele versie van de Statutory Residence Test voor het (Nederlandse) belastingjaar 2018 in te brengen.
Daarnaast verzoekt het Hof aan beide partijen stukken over te leggen van de relevante nationale wetgeving in het Verenigd Koninkrijk voor het (Nederlandse) belastingjaar 2018 inzake (de invulling van) het fiscale inwonerschap. Ook verzoekt het Hof uw visie op de beoordeling van het inwonerschap in het licht van de omstandigheid dat het belastingjaar in het Verenigd Koninkrijk niet het kalenderjaar is maar loopt van 6 april tot en met 5 april van het volgende jaar.
Voornoemde stukken alsmede een toelichting daarop ontvangt het Hof graag vóór vrijdag 6 maart 2026.”
1.9.
Bij een nader stuk van 2 maart 2026 (de inspecteur) en 3 maart 2026 (belanghebbende) hebben partijen gereageerd.
1.10.
Op 3 maart 2026 heeft het Hof de inspecteur verzocht vóór 10 maart 2026 te reageren op het nadere stuk van belanghebbende.
1.11.
De inspecteur heeft op 6 maart 2026 op het verzoek van het Hof gereageerd.
1.12.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiser is geboren op [datum] en heeft de Nederlandse nationaliteit.
2. Eiser stond geheel 2018 in Nederland in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven in [Y] op het woonadres van zijn ouders.
3. Eiser is werkzaam als piloot en was gedurende geheel 2018 als zodanig werkzaam voor [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ). Deze luchtvaartmaatschappij is gevestigd op Malta en is niet inhoudingsplichtig voor de Nederlandse loonheffingen. Eiser was in 2018 gestationeerd op een luchthaven in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (het Verenigd Koninkrijk ).
4. In de overeenkomst die eiser op 1 juni 2016 met [bedrijf 1] heeft gesloten (voor de duur van twee jaar en die in 2018 is verlengd) staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“(…)
14. In consideration of the Services to be rendered by the Contractor [bedrijf 1] shall pay to the Contractor including any properly-supported out of pocket expenditure approved by [bedrijf 1] :
(a) A fee of GBP 45,000 (forty five thousand pounds sterling ) per annum where the Contractor provides the Services, (…)
(b) The contractor shall be entitled to GBP 40.00 (forty euro) per diems each day whilst on duty except for if on standby at his home address.
(c) Accommodation will be provided to a suitable standard commensurate with the [bedrijf 1] accommodation policy
(d) (…)
(…)
16. [bedrijf 1] shall bear the cost of such of the following as shall be required in connection with the Contractor’s provision of the Services:
(i) Visas;
(ii) Health Insurance when on duty;
(ii) Validation to, and renewals of, the Contractor’s pilot’s licence;
(iii) Medical examinations;
(iv) Recurrent training;
(v) Reasonable laundering of the Contractor’s Uniform, when staying in hotel;
17. [bedrijf 1] shall arrange for the transport (economy class) of the Contractor to and from the Operations Base at the commencement and at the end of the Contract Period plus any required in support of the day to day operation.
(…)”
5. Eiser heeft volgens de door hem overgelegde loonstroken in 2018 in totaal de volgende bedragen van [bedrijf 1] ontvangen: ‘Salary’ £ 41.378,00, ‘Per Diems’ £ 7.800,00 en ‘Cash Expenses’ £ 4.630,75, in totaal £ 53.808,75. Tussen partijen is niet in geschil dat op deze bedragen een wisselkoers dient te worden toegepast van 1,153124849 en dat dit in euro’s neerkomt op de volgende bedragen: ‘Salary’ € 47.714, ‘Per Diems’ € 8.994,37 en ‘Cash Expenses’ € 5.339,83, in totaal € 62.048,21.
6. Eiser heeft op 23 april 2019 aangifte IB/PVV 2018 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 12.129 en is als volgt berekend:
[bedrijf 2] € 515
Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid: [bedrijf 1] € 47.714
af: restant persoonsgebonden aftrek
€ 36.100
Box 1-inkomen/verzamelinkomen € 12.129
In de aangifte heeft eiser verzocht om aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor elders belast inkomen van € 47.714.
7. Verweerder heeft met dagtekening 11 oktober 2019 conform de aangifte een voorlopige aanslag IB/PVV 2018 opgelegd.
8. Verweerder heeft eiser bij brief van 12 mei 2021 om informatie gevraagd, waarop door eiser is gereageerd. Naar aanleiding van ingekomen stukken heeft verdere correspondentie over en weer plaatsgevonden.
9. Verweerder heeft in zijn brief van 5 juli 2021 aan eiser meegedeeld bij het vaststellen van de definitieve aanslag af te wijken van de aangifte, waarbij het genoten loon nader zal worden vastgesteld op € 53.162 (hierbij zijn de bedragen aan ‘Per Diems’ en ‘Cash Expenses’ tot het loon gerekend) en geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting zal worden verleend. Voorts is het bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek verminderd tot € 21.160. Bij het vaststellen van het genoten loon is verweerder er abusievelijk van uitgegaan dat de op loonstroken vermelde bedragen aan ‘Salary’, ‘Per Diems’ en Cash Expenses’ bedragen in euro’s betreffen in plaats van bedragen in ponden .
10. Met dagtekening 7 oktober 2021 heeft verweerder de definitieve aanslag IB/PVV 2018 vastgesteld. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 32.517 en is als volgt berekend:
[bedrijf 2] € 515
Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid: [bedrijf 1] € 53.162
af: restant persoonsgebonden aftrek
€ 21.160
Box 1-inkomen/verzamelinkomen € 32.517
Er is voor het jaar 2018 geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor elders belaste inkomsten verleend. Wel is bij het vaststellen van de aanslag rekening gehouden met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting elders belaste inkomsten in verband met de doorschuifregeling. Ultimo 2017 is een door te schuiven bedrag vastgesteld van € 79.537 (doo[r]schuifbeschikking). Gezien het box 1-inkomen van € 32.517 is met gebruikmaking van de doorschuifregeling voor een bedrag ter hoogte van € 32.517 aftrek ter voorkoming van dubbele belasting in verband met elders belaste inkomsten verleend. Dit heeft tot gevolg dat de te betalen inkomstenbelasting op nihil is vastgesteld.”
2.2.
Het Hof gaat ook uit van de hiervoor vermelde feiten en vult deze als volgt aan.
2.3.
Tot de gedingstukken behoort een 18 mei 2018 gedateerde huurovereenkomst
(12 maanden contract) waarbij belanghebbende en [naam 1] (hierna [naam 1] ) als huurders van [straat 1] te [plaats 1] zijn aangeduid voor de periode 18 mei 2018 tot 18 mei 2019.
Op de bankafschriften van belanghebbende is vanaf mei 2018 een maandelijkse overboeking naar [naam 1] van £ 150 te zien. Voorts behoren tot de gedingstukken aan belanghebbende gerichte rekeningen voor gas (mei-juni 2018, juni-augustus 2018) en elektra (sept-november 2018) voor het adres [straat 1] te [plaats 1] . Daarnaast behoort tot de gedingstukken een aan belanghebbende en [naam 1] gerichte rekening voor water (mei-september 2018).
2.4.
In de reactie van 3 maart 2026 (in het memorandum “Definitie van het begrip inwoner naar nationaal recht van het Verenigd Koninkrijk ”) van belanghebbende is het volgende opgenomen:

4. Toepassing van het wettelijk kader op de situatie van [X]
In dit hoofdstuk wordt beoordeeld of [X] naar maatstaven van Verenigd
Koni[n]krijk kwalificeert als inwoner. Voorafgaand aan de beoordeling is een overzicht
opgenomen van het aantal verblijfsdagen in het Verenigd Koninkrijk .
Verblijfsdagen in het Verenigd Konikrijk per kalenderjaar:
Kalenderjaar 2016: 109
Kalenderjaar 2017 156
Kalenderjaar 2018 120
In het Verenigd Koninkrijk loopt het belastingjaar van 6 april tot 5 april dat jaar
daaropvolgend. Hieronder volgt een overzicht van de verblijfsdagen in het Verenigd
Koninkrijk en Nederland en de werkdagen in het Verenigd Konikrijk in de betreffende
belastingjaren. Bij de werkdagen is geen rekening gehouden met stand-by diensten,
uitgegaan is slechts van het aantal dagen dat [X] vanuit het Verenigd Konikrijk
naar een ander land gevlogen is. Inkomende vluchten zijn niet meegenomen als
verblijfdagen in het Verenigd Koninkrijk .
Verblijfdagen UK
Verblijfdagen NL
Werkdagen > 3 uur in het Verenigd Koninkrijk
6 april 2016 tot 5 april 2017:
167
43
42
6 april 2017 tot 5 april 2018:
118
52
18
6 april 2018 tot 5 april 2019:
163
65
31
2.5.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende, voor zover van belang, het volgende verklaard:
“In mei 2016 ben ik gaan wonen in [plaats 2] . In 2017 werd mijn standplaats verplaatst naar de [luchthaven] . Daar woonde ik in een gedeeld huis en leerde ik [naam 1] kennen. Een half jaar later kregen wij een relatie. In mei 2018 besloten we te gaan samenwonen.
Ik heb twee huurovereenkomsten. De eerste staat op mijn eigen naam, de tweede is die voor [straat 1] en die staat op mijn naam en die van [naam 1] .
In 2019 ben ik verhuisd naar Nederland om bij de [bedrijf 3] te gaan werken. [naam 1] wilde niet mee en toen is de relatie doodgebloed. [naam 1] was stewardess bij [bedrijf 1] en bij de [bedrijf 3] dien je Nederlands te spreken; daarom was het voor haar moeilijk om werk te gaan vinden in Nederland.
De huurovereenkomst voor [straat 1] hebben wij ondertekend en aangeleverd bij de makelaar. We hebben geen versie teruggekregen met een handtekening van de verhuurder. De huurprijs van £ 1.150 per maand betaalde [naam 1] aan de makelaar, omdat ik voor [naam 1] een schuld had afgelost ter zake van de woning aan [straat 2] , waar we beiden van januari 2017 tot mei 2018 met zes tot acht mensen woonden, allen vliegend personeel. Het was een soort studentenhuis, met een eigen kamer en een gemeenschappelijke keuken.
De relatie met [naam 1] heeft tot mei 2019 geduurd, dus ongeveer een jaar, en was serieus genoeg om te gaan samenwonen.
Voor mijn kamer op [straat 2] had ik een eigen huurcontract. De teruggestorte borg, die is terug te vinden in mijn afschriften, is die van [straat 2] . De makelaar is [naam 2] .
Mijn ouders zijn inderdaad in Nederland woonachtig en ik had in 2018 deels een Nederlandse auto en deels een Engelse auto. De bezoeken aan Nederland zijn te relateren aan [stad 1] waar ik mijn werkweek startte. Ik kon vliegen naar [stad 2] en een taxi nemen naar [stad 1] , of per trein door de kanaaltunnel naar [stad 3] en met de taxi naar [stad 1] . Een derde optie was met de boot van [stad 4] naar [gemeente 1] . Die heb ik vaak genomen. Als ik mijn werkweek in [stad 1] startte reisde ik in het weekend naar mijn ouders.
Ik verwijs naar de roosters, peilgegevens en logboeken in de stukken. Als ik niet in [stad 1] moest zijn, bezocht ik Nederland sporadisch. Bij mijn ouders sliep ik in een logeerbed in mijn oude slaapkamer tussen de kartonnen dozen; mijn vader heeft een schoenenhandel. Ik had eerder mijn hele huisraad meegenomen in de auto naar het VK .
Ik mocht de kosten voor huisvesting declareren bij mijn werkgever op grond van het arbeidscontract maar dat heb ik niet gedaan. Op basis van het contract werd niet de huisvesting door mijn werkgever geregeld.
Toen mijn standplaats opeens werd gewijzigd ben ik halsoverkop in het luchtvaarthuis terecht gekomen. Het huis was van een particulier en werd via een makelaar verhuurd. Het is zoals eerder gezegd een soort studentenwoning, opgesplitst in kamers.
Voor [straat 1] heb ik nota’s van o.a. [bedrijf 4] overgelegd. De contracten stonden op mijn naam. De ene keer betaalde ik die nota’s, de andere keer betaalde [naam 1] . Ik betaalde [naam 1] ook £ 150 per maand voor huur.
De jongste raadsheer houdt mij voor dat ik bij de zitting van de rechtbank heb verklaard dat de relatie met mevrouw [naam 1] niet heel lang was: “Het gaat over maanden”, en dat het nu toch zeker langer dan een jaar zou zijn geweest?
Het tijdsverloop is zoals zojuist geschetst.”

3.Geschil in hoger beroep

3.1.
In hoger beroep is in geschil of de aanslag naar een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.2.
Daarbij ziet het hoger beroep van belanghebbende op de vraag of Nederland heffingsbevoegd is over de door belanghebbende van [bedrijf 1] ontvangen bedragen.
3.3.
Het hoger beroep inspecteur ziet op de vraag of de rechtbank de door belanghebbende van [bedrijf 1] onder de benaming ‘Per Diems’ en ‘Cash Expenses’ ontvangen bedragen terecht heeft aangemerkt als onder de gerichte vrijstellingen vallende bedragen.

4.Beoordeling van het hoger beroep van beide partijen

Vooraf
4.1.
Belanghebbende heeft in zijn reactie van 3 maart 2026, naast de door het Hof gevraagde informatie omtrent het fiscale inwonerschap van belanghebbende, een memorandum van
mr. [naam 3] met de aanhef “Kostenvergoedingen en per diems” (hierna: het Memorandum) ingebracht. Bij dit Memorandum is een bijlage I “overzicht van de kosten op werkdagen” ingebracht waarbij onder meer - niet eerder overlegde - bonnen en kostendeclaraties (“employee expenses”) zijn opgenomen.
De inspecteur heeft in de reactie van 6 maart 2026 aangegeven dat hij - vanwege het late tijdstip van de indiening, de omvang van het stuk en het feit dat deze informatie buiten de door het Hof gevraagde informatie valt - niet in staat is om inhoudelijk te reageren op dit stuk (het Memorandum met de bijlagen) dat ziet op de hoogte van het loon en heeft het Hof verzocht dit stuk als tardief buiten beschouwing te laten.
4.2.
Partijen kunnen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen (artikel 8:58 Algemene Pro wet bestuursrecht). Belanghebbende heeft het Memorandum en bijlage I daarbij echter binnen die termijn ingediend. Weliswaar heeft het Hof partijen ook binnen die termijn om informatie gevraagd, maar dat betrof het onderwerp van het inwonerschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk ten behoeve van het bepalen van het heffingsrecht over het loon. De inspecteur betoogt terecht dat het Memorandum en bijlage I en de bonnen en declaraties daarmee niets van doen hebben en zien op het onderwerp van de hoogte van het loon. Er was geen verzoek of toestemming van het Hof om deze stukken binnen de 10-dagentermijn in te dienen.
4.3.
Niettemin staat het partijen op zich vrij om op de zitting, al dan niet via een pleitnota, een rechtskundige beschouwing over het geschil te geven en ook om nieuwe stellingen in te nemen. Het Hof dient daarbij echter wel de goede procesorde te bewaken en erop toe te zien dat de wederpartij niet in zijn procesvoering wordt geschaad. Het Hof heeft daarom het belang dat belanghebbende heeft bij een beoordeling van zijn grieven en bewijsstukken, afgewogen tegen de belangen van de goede procesorde en van een doelmatige procesgang. Hierbij heeft het Hof alle omstandigheden van het geval meegewogen, waaronder de omstandigheden dat het Hof partijen kort voor de zitting om informatie heeft gevraagd (over een ander onderwerp), dat de zaak al lange tijd aanhangig is, dat belanghebbende eerder al kostenoverzichten heeft ingediend en dat geen goede reden gegeven is waarom de laatste bewijsstukken van belanghebbende niet ook eerder waren ingediend. Het valt overigens ook niet in te zien hoe het arrest van de Hoge Raad of de reactie van de inspecteur daarop noopte tot het alsnog indienen van deze stukken, en daarnaast had het dan nog steeds eerder gekund.
4.4.
Het Hof heeft besloten om – en ter zitting medegedeeld – het beschouwende en rechtskundige deel van Memorandum niet tardief te verklaren. Dit deel bevat vrijwel geheel reeds bekende stellingen en had daarom evenzeer kunnen worden vervat in een pleitnota ter mondelinge toelichting op het bestaande geschil. De inspecteur kan hierdoor redelijkerwijs niet zijn overvallen of in zijn procesvoering zijn geschaad. Dit laatste geldt vanzelfsprekend eveneens voor overzichten van bedragen of stukken die reeds eerder ingediend waren. Wel ziet het Hof aanleiding om de niet eerder overgelegde bonnen als tardief buiten beschouwing te laten, omdat het gaat om feitelijk bewijsmateriaal dat niet meer door de inspecteur onderzocht kon worden, waardoor hij in zijn procespositie is geschaad.
Het hoger beroep van belanghebbende
4.5.
Het hoger beroep van belanghebbende ziet op de vraag of Nederland heffingsbevoegd is over het door belanghebbende van [bedrijf 1] ontvangen inkomen.
Woonachtig in Nederland?
4.6.
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“Inwonerschap naar nationaal recht
“13. Een binnenlandse belastingplichtige wordt in Nederland in de belastingheffing betrokken naar zijn wereldinkomen. Op basis van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) wordt als binnenlands belastingplichtige aangemerkt een natuurlijk persoon die in Nederland woont.
14. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) naar de omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt (vgl. bijv. Hoge Raad 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466, Hoge Raad 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285, en Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824). Verder kan ook tijdens verblijf in het buitenland nog aan de orde zijn dat tussen een persoon en Nederland een zo duurzame betrekking van persoonlijke aard is blijven bestaan dat deze persoon in Nederland woont in de zin van artikel 4, eerste lid, van de AWR (vgl. Hoge Raad 22 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX4909, BNB 1973/120).
15. Ter zitting is door beide partijen het standpunt ingenomen dat de bewijslast van het inwonerschap in Nederland rust op verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen, en zal hier dan ook bij haar beoordeling van uitgaan. Verweerder heeft in dit kader onder meer – kort en zakelijk weergegeven – de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:
- eiser heeft de Nederlandse nationaliteit;
- eiser stond in 2018 in de BRP ingeschreven op een Nederlands adres;
- eiser heeft een betaalrekening en een spaarrekening met een saldo van nihil bij de Nederlandse [bank] ;
- eiser heeft een aantal Nederlandse leningen bij een Nederlandse instantie;
- eiser bezit een deel van het jaar 2018 een auto met Nederlands kenteken. Ten aanzien van het voertuig heeft eiser in 2018 motorrijtuigenbelasting betaald;
- eiser tankt regelmatig in Nederland ( [Y] ) en maakt ook regelmatig gebruik van de [bedrijf 5] in [Y] ;
- eiser heeft zijn aangifte IB/PVV 2018 als binnenlands belastingplichtige gedaan;
- eiser heeft een Nederlandse zorgverzekering en ontvangt maandelijks zorgtoeslag;
- eiser maakt gebruik van zorg in Nederland aangezien hij zich medisch laat keuren in Nederland;
- eiser maakt regelmatig gebruik van horeca- en eetgelegenheden in Nederland;
- uit de in de bankrekeningafschriften opgenomen ‘tikkies’ voor het doorbelasten van privéuitgaven aan familie en vrienden blijkt dat eiser veel sociale contacten in Nederland heeft;
- eiser maakt regelmatig gebruik van winkels in Nederland en heeft iets besteld via [bedrijf 6] in Nederland;
- eiser is meerdere keren per maand in Nederland aanwezig en overnacht ook in Nederland;
- eiser had in 2018 een telefoonabonnement bij [bedrijf 7] ( [bedrijf 7] );
- op de bankafschriften van de [bank] en de overzichten van [bedrijf 7] staat het adres vermeld waarop eiser in Nederland is ingeschreven.
Verweerder heeft verder nog aangegeven dat hij aannemelijk acht dat eiser in de periode van 1 januari 2018 tot en met 15 mei 2018 ook in het Verenigd Koninkrijk heeft gewoond en huur heeft betaald. Daarna zou eiser zijn verhuisd binnen het Verenigd Koninkrijk en zou zijn ex-partner de huur hebben betaald, maar dit is naar de mening van verweerder onvoldoende onderbouwd met stukken.
Uit de door eiser verstrekte bankrekeningafschriften van zijn in het Verenigd Koninkrijk aangehouden rekening maakt verweerder op dat eiser in elk geval op 56 dagen in Nederland heeft gepind en op ongeveer 117 dagen in het Verenigd Koninkrijk heeft gepind. Hierbij merkt verweerder op dat uit de rekeningafschriften uit het Verenigd Koninkrijk niet duidelijk blijkt waar de transactie heeft plaatsgevonden (land/stad) en de boekdatum vaak niet aansluit bij de werkelijke datum van betaling. Hierdoor kan het aantal dagen waarop in het Verenigd Koninkrijk is gepind afwijken. Voorts zijn er ook veel betalingen te zien in andere landen. Er is ook minimaal 35 dagen in België gepind. Eiser heeft 19 keer geld gepind van zijn [bank] -rekening binnen Europa, waarvan 4 keer in Nederland voor in totaal € 500.
Volgens het logboek zijn er 86 vluchten die in België beginnen of eindigen en 61 in het Verenigd Koninkrijk . Van de 86 dagen die eiser in 2018 heeft gevlogen zijn er 39 dagen gestart in België en 24 dagen in het Verenigd Koninkrijk . In augustus 2018 heeft eiser niet gewerkt. In die periode is er geen enkele pintransactie in het Verenigd Koninkrijk geweest, maar zijn er wel pintransacties in Nederland geweest.”
4.7.
Hetgeen door de rechtbank in rechtsoverwegingen 13 en 14 is overwogen is juist en neemt het Hof over. Hier voegt het Hof aan toe dat het niet uitgesloten is dat iemand, beoordeeld naar de omstandigheden, tegelijkertijd zowel met Nederland als met een ander land duurzame betrekkingen van persoonlijke aard onderhoudt. Zeker niet als het gaat om iemand zoals belanghebbende die jong en nog niet honkvast was. Ook het Hof is vervolgens van oordeel dat de feiten en omstandigheden (zoals opgesomd onder 15 van de rechtbankuitspraak en voor zover die tussen partijen vaststaan) de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende een duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland. Daarvoor acht het Hof met name dragend dat belanghebbende werkte vanuit standplaatsen in het Verenigd Koninkrijk en België , maar op weg naar [stad 1] er vaak voor koos om het weekend in Nederland, meestal bij zijn ouders in [Y] , te verblijven.
Van belang zijn verder vooral de omstandigheden dat hij zich niet heeft laten uitschrijven uit de basisregistratie personen, over het jaar verdeeld (als hij niet vloog) een aanzienlijk aantal dagen in Nederland verbleef en overnachtte, geregeld contact had met vrienden en familie in Nederland, geregeld betalingen heeft gedaan in Nederland, meer dan een half jaar beschikte over een auto met Nederlands kenteken waarvoor in Nederland motorrijtuigenbelasting is voldaan en Nederlandse verzekeringen (zorgverzekering, overlijdensrisicoverzekering en een autoverzekering) had, medische keuringen, behandelingen en zorgtoeslag had, en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.De conclusie is dat belanghebbende naar de maatstaf van artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in Nederland woont. Belanghebbende is als inwoner van Nederland ingevolgde de Wet IB 2001 aan de inkomstenbelasting onderworpen.
Onderworpen in Verenigd Koninkrijk ?
4.8.
Alsdan dient te worden beoordeeld of belanghebbende in 2018 ingevolge de nationale wetgeving van het Verenigd Koninkrijk (ook) als een aan de inkomstenbelasting onderworpen inwoner van het Verenigd Koninkrijk is aan te merken, zoals hij stelt.
Artikel 4, lid 1, van het Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten van
26 september 2008, Trb. 2008, 201 (het Verdrag), definieert namelijk het inwonerschap van een Verdragsluitende Staat als volgt:
“Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking ‘inwoner van een Verdragsluitende Staat’ iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid en omvat tevens de Staat zelf en elk staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in die Staat slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten of vermogenswinsten uit bronnen in die Staat.”
Het is aan belanghebbende om de feiten en omstandigheden naar voren te brengen die de conclusie dat hij aan belasting in het Verenigd Koninkrijk onderworpen is rechtvaardigen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9878).
Zo dat het geval is zal op basis van de zogenaamde tie-breaker opgenomen in het derde lid van artikel 4 van Pro het Verdrag bepaald dienen te worden van welk land belanghebbende als inwoner voor het Verdrag geldt, zodat ter zake van de bedragen die belanghebbende van [bedrijf 1] heeft ontvangen kan worden bepaald of Nederland heffingsbevoegd is.
4.9.
Volgens de nationale wetgeving van het Verenigd Koninkrijk is voor de onderworpenheid aan de ‘income tax’ van natuurlijke personen op grond van ‘residence’ bepalend de Statutory Residence Test (section 218 van de Finance Act 2013), zoals deze is uitgewerkt in Schedule 45 (hierna: S45) bij die wet. Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“ SCHEDULE 45
STATURORY RESIDENCE TEST
PART 1
THE RULES
Introduction
1. (1) This Part of this Schedule sets out the rules for determining for the purposes of
relevant tax whether individuals are resident or not resident in the UK .
(2) The rules are referred to collectively as “the statutory residence test”.
(3) (…)
(4) “Relevant tax” means—
(a) income tax,
(…)
(5) Key concepts used in the rules are defined in Part 2 of this Schedule.
(…)
The basic rule
3 An individual (“P”) is resident in the UK for a tax year (“year X”) if—
(a) the automatic residence test is met for that year, or
(b) the sufficient ties test is met for that year.
4. If neither of those tests is met for that year, P is not resident in the UK for that year.
The automatic residence test
5 The automatic residence test is met for year X if P meets—
(a) at least one of the automatic UK tests, and
(b) none of the automatic overseas tests.
The automatic UK tests
6 There are 4 automatic UK tests.
7 The first automatic UK test is that P spends at least 183 days in the UK in year X.
8 (1) The second automatic UK test is that—
(a) P has a home in the UK during all or part of year X,
(b) that home is one where P spends a sufficient amount of time in year X, and
(c) there is at least one period of 91 (consecutive) days in respect of which the
following conditions are met—
(i) the 91-day period in question occurs while P has that home,
(ii) at least 30 days of that 91-day period fall within year X, and
(iii) throughout that 91-day period, condition A or condition B is met or
a combination of those conditions is met.
(2) Condition A is that P has no home overseas.
(…)
The automatic overseas tests
11 There are 5 automatic overseas tests.
12 The first automatic overseas test is that—
(a) P was resident in the UK for one or more of the 3 tax years preceding year
X,
(b) the number of days in year X that P spends in the UK is less than 16, and
(c) P does not die in year X.
13 The second automatic overseas test is that—
(a) P was resident in the UK for none of the 3 tax years preceding year X, and
(b) the number of days that P spends in the UK in year X is less than 46.
14 (1) The third automatic overseas test is that—
(a) P works sufficient hours overseas, as assessed over year X,
(b) during year X, there are no significant breaks from overseas work,
(c) the number of days in year X on which P does more than 3 hours' work in
the UK is less than 31, and
(d) the number of days in year X falling within sub-paragraph (2) is less than 91.
(2) A day falls within this sub-paragraph if—
(a) it is a day spent by P in the UK , but
(b) it is not a day that is treated under paragraph 23(4) as a day spent by P in
the UK .
(3) Take the following steps to work out whether P works “sufficient hours overseas”
as assessed over year X—
(…)
(4) This paragraph does not apply to P if—
(a) P has a relevant job on board a vehicle, aircraft or ship at any time in year
X, and
(b) at least 6 of the trips that P makes in year X as part of that job are cross-border
trips that either begin in the UK , end in the UK or begin and end in the UK .
15 The fourth automatic overseas test is that–
(a) P dies in year X
(…)
16 (1) The fifth automatic overseas test is that–
(a) P dies in year X
(…)
(…)
PART 2
KEY CONCEPTS
Introduction
21 This Part of this Schedule defines some key concepts for the purposes of this
Schedule.
(…)
Home
25 (1) A person's home could be a building or part of a building or, for example, a vehicle,
vessel or structure of any kind.
(2) Whether, for a given building, vehicle, vessel, structure or the like, there is a sufficient
degree of permanence or stability about P's arrangements there for the place to count
as P's home (or one of P's homes) will depend on all the circumstances of the case.
(3) But somewhere that P uses periodically as nothing more than a holiday home or
temporary retreat (or something similar) does not count as a home of P's.
(4) A place may count as a home of P's whether or not P holds any estate or interest in
it (and references to “having” a home are to be read accordingly).
(5) Somewhere that was P's home does not continue to count as such merely because P
continues to hold an estate or interest in it after P has moved out (for example, if P
is in the process of selling it or has let or sub-let it, having set up home elsewhere).”
The automatic residence test
4.10.1.
De Statutory Residence Test vereist in de ‘basic rule’ (§ 3) voor ‘residence’ in het Verenigd Koninkrijk het slagen voor één van de twee volgende testen: de ‘automatic residence test’ of de ‘sufficient ties test’. De ‘automatic residence test’ is geslaagd als iemand aan ten minste één van de ‘automatic UK tests’ voldoet en aan geen van de ‘automatic overseas tests’ (§ 5). Eerst zal het Hof beoordelen of belanghebbende voldoet aan één van de vier ‘automatic UK tests’ (§ 6).
4.10.2.
Belanghebbende voldoet niet aan de eerste ‘automatic UK test’ van verblijf van ten minste 183 dagen (§ 7). De tweede ‘automatic UK test’ vereist ten eerste een ‘home’ in het Verenigd Koninkrijk (§ 8, sub-paragraph 1a). Hierbij neemt het Hof – met partijen – de in
§ 25, opgenomen definitie van ‘home’ tot uitgangspunt. De inspecteur betwist in hoger beroep niet (meer) dat belanghebbende voldeed aan deze voorwaarde, omdat belanghebbende het gehele jaar een ‘home’ had in het Verenigd Koninkrijk . Ook is niet betwist door de inspecteur dat is voldaan aan de in deze tweede ‘automatic UK test’ genoemde kwalificerende verblijfsperiode (§ 8, sub-paragraph 1b en c). Het Hof ziet geen aanleiding de juistheid van dit eensgezinde standpunt te betwijfelen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9878, ro. 3.6).
4.10.3.
Wel betwist de inspecteur dat voldaan is aan de in de tweede ‘automatic UK test genoemde voorwaarde’ A (§ 8, sub-paragraph 2) dat belanghebbende geen ‘home’ buiten het Verenigd Koninkrijk heeft. Volgens de inspecteur kwalificeert (de oude slaapkamer van) het ouderlijk huis van belanghebbende in [Y] wel als zodanig.
4.10.4.
Belanghebbende heeft ook ter zitting van het Hof, desgevraagd, naar voren gebracht dat hij weliswaar geregeld, voornamelijk als hij zijn werkweek zou starten in [stad 1] , in het weekend in [Y] , de nacht doorbracht in zijn oude slaapkamer in zijn ouderlijk huis maar dat deze kamer hem niet permanent ter beschikking stond. De kamer werd (ook) gebruikt als opslagplaats voor de onderneming van zijn vader (een schoenenhandel) en hij moest zijn overnachtingen aldaar van te voren afstemmen met zijn ouders. Soms kon hij er niet overnachten en overnachtte hij in een hotel. Het Hof hecht geloof aan deze verklaring en is van oordeel dat er onder die omstandigheden geen sprake is van dusdanige permanente of stabiele huisvesting in Nederland dat gesproken kan worden van ‘home’ in de zin van paragraph 25 van S45. Er is ten hoogste sprake van een ‘temporary retreat (or something similar)’ als bedoeld in S45, paragraph 25, sub-paragraph 3, en dat vormt volgens die sub-paragraph geen ‘home’ in de zin van S45, paragraph, 25.
4.10.5.
Alsdan is voldaan aan ten minste een van de “automatic UK tests” (§ 5, sub-paragraph a).
4.11.1.
Vervolgens dient te worden of voldaan is aan geen van de “automatic overseas tests” (§ 5, sub-paragraph b). Er zijn vijf ‘automatic overseas tests’ opgenomen in de Statutory Residence Test (§ 11). De vierde en vijfde test vallen af reeds omdat daarvoor voorwaarde is dat er sprake is van overlijden van de persoon (§ 15 en 16).
5.11.2.
Aan de eerste ‘automatic overseas test’ (§ 12) wordt niet voldaan nu belanghebbende gedurende een of meer van de drie belastingjaren (belastingjaren lopen in het Verenigd Koninkrijk van 6 april tot 5 april in het opvolgende jaar) voorafgaand aan belastingjaar X (het Hof gaat hierbij uit van het belastingjaar 6 april 2018-5 april 2019) woonachtig was in het Verenigd Koninkrijk en het aantal dagen (naar niet in geschil is) dat belanghebbende in het Verenigd Koninkrijk verblijft in jaar X meer is dan 16.
4.11.3.
Aan de tweede ‘automatic overseas test’ (§ 13) wordt niet voldaan reeds omdat
het aantal dagen dat belanghebbende in belastingjaar X in het Verenigd Koninkrijk doorbrengt meer is dan 46. Het Hof verwijst daarvoor naar het onder 2.4 opgenomen (niet -voldoende concreet- door de inspecteur betwiste) schema.
4.11.4.
In de derde ‘automatic overseas test’ (§ 14) gaat het over de situatie wanneer een persoon gedurende een substantieel gedeelte van zijn tijd in een ander land werkt. Voor personen met ‘a relevant job on board a vehicle, aircraft or ship at any time in year X’, geldt evenwel een uitzondering welke is opgenomen in de vierde sub-paragraph (‘this paragraph does not apply to P if-‘) indien ten minste zes reizen ‘cross-border trips’ zijn, die beginnen of eindigen in het Verenigd Koninkrijk . Niet in geschil dat belanghebbende als piloot aan deze voorwaarde voldoet.
4.12.
De uitkomst is dat belanghebbende in 2018 inwoner is van het Verenigd Koninkrijk : hij kwalificeert voor de tweede ‘automatic UK test’ en voor geen van de ‘automatic overseas tests’ (§ 5). Naar het recht van het Verenigd Koninkrijk is hij derhalve inwoner van die staat (§ 3, sub-paragraph a). Toetsing aan de ‘sufficient ties test’ is derhalve niet aan de orde (§ 3, sub-paragraph b). Belanghebbende is op grond van zijn inwonerschap onderworpen aan de ‘income tax’ in het Verenigd Koninkrijk (§ 1, sub-paragraph 1 en 4). Het Hof merkt hierbij nog op dat voor dat laatste niet afdoet dat een van de fiscus van het Verenigd Koninkrijk afkomstig stuk waarin dat wordt bevestigd ontbreekt. Een dergelijk stuk kan een belangrijke aanwijzing vormen, maar de aanwezigheid van een dergelijk stuk is niet onontbeerlijk om te komen tot het oordeel dat van onderworpenheid in het Verenigd Koninkrijk sprake is (vgl. Hoge Raad 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9878 en Hoge Raad 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:AY9937).
Verdragstoepassing
4.13.
Niet in geschil is dat belanghebbende de onderhavige inkomsten uit dienstbetrekking (van [bedrijf 1] ) heeft verworven als lid van de bemanning van een luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd. Volgens het Verdrag mag slechts de staat waarvan belanghebbende inwoner is, heffen over zijn inkomsten uit dienstbetrekking (artikel 14, eerste en derde lid, van het Verdrag).
4.14.
Het Verdrag is alleen van toepassing op personen die inwoner zijn van een of van beide Verdragsluitende Staten (artikel 1). Artikel 4 van Pro het Verdrag bevat regels voor het bepalen van de woonplaats voor de toepassing van het Verdrag. Zoals hierboven overwogen, is belanghebbende op grond van zijn woonplaats of verblijf in zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk aldaar aan belasting onderworpen (vgl artikel 4, lid 1, van het Verdrag, en r.o. 4.4). In dat geval dient belanghebbendes positie voor het Verdrag als volgt te worden bepaald (artikel 4, lid 3, van het Verdrag, de tie-breaker):
“Indien ingevolge de bepalingen van het eerste lid van dit artikel een natuurlijke persoon inwoner van beide Verdragsluitende Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:
hij wordt geacht slechts inwoner te zijn van de Verdragsluitende Staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam huis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
indien niet kan worden bepaald in welke Verdragsluitende Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de Staat waarin hij gewoonlijk verblijft;
indien hij in beide Verdragsluitende Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;
indien hij onderdaan is van beide Verdragsluitende Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.”
4.15.
Belanghebbende stelt dat Nederland niet heffingsgerechtigd is, omdat hij voor het Verdrag, na toepassing van de tie-breaker, wordt geacht slechts inwoner te zijn van het Verenigd Koninkrijk . Nu belanghebbende een beroep doet op de voordelen van het Verdrag, rust op hem de last om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen die het oordeel rechtvaardigen dat hij daartoe gerechtigd is. Volgens de tie-breaker is in de eerste plaats relevant de vraag in welke Staat belanghebbende duurzaam een tehuis ter beschikking stond. Indien dat in beide Staten het geval is, moet vervolgens worden bepaald met welke Staat de persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (sub a).
4.16.
Volgens belanghebbende stond hem uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk duurzaam een tehuis ter beschikking en had hij bovendien de nauwste persoonlijke en economische betrekkingen in het Verenigd Koninkrijk . Ter onderbouwing voert hij daartoe aan dat hij het gehele jaar 2018 aldaar over een huis beschikte; eerst (vanaf 11 januari 2017 tot en met
18 mei 2018) huurde hij een kamer hij (met meerdere personen waaronder [naam 1] ) in een “pilotenhuis” aan de [straat 2] te [plaats 1] en daarna (vanaf 18 mei 2018 tot en met 18 mei 2019) huurde hij, samen met [naam 1] , een flat aan de [straat 1] in [plaats 1] . Met [naam 1] had hij een (liefdes)relatie welke in mei 2019 is verwaterd omdat belanghebbende toen een baan in Nederland heeft geaccepteerd en [naam 1] niet naar Nederland wilde gaan. Zijn inboedel uit Nederland had hij reeds in 2016 (toen hij vanuit Nederland verhuisde naar [gemeente 2] in het Verenigd Koninkrijk ) naar het Verenigd Koninkrijk overgebracht. In 2018 had belanghebbende naar hij betoogt geen duurzaam tehuis in Nederland tot zijn beschikking. Als hij wilde overnachten bij zijn ouders moest hij dit eerst afstemmen (hij kon niet in alle gevallen terecht en overnachtte soms in een hotel). Zijn oude kamer was door zijn vader in gebruik genomen voor de onderneming van zijn vader.
4.17.
De inspecteur betwist hetgeen belanghebbende voorstaat.
4.18.
Naar het oordeel van het Hof vormt (de slaapkamer in) de ouderlijke woning in 2018 niet een duurzaam tehuis dat in 2018 aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan. Hiertoe overweegt het Hof in wezen hetzelfde als hij reeds heeft overwogen met betrekking tot het begrip ‘home’ voor de Statutory Residence Test. De slaapkamer in het ouderlijk huis stond belanghebbende niet duurzaam ter beschikking, maar was normaliter in gebruik bij de vader: de kamer vormde voor belanghebbende een incidentele slaapplek op de dagen dat zijn ouders daarmee akkoord waren. Daarentegen heeft belanghebbende gelet op hetgeen is weergegeven onder 4.13. wel aannemelijk gemaakt, en de inspecteur is het daarmee eens, dat hem in het Verenigd Koninkrijk permanent een huis feitelijk ter beschikking stond in 2018.
Voor de toepassing van het Verdrag heeft belanghebbende uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk een duurzaam tehuis tot zijn beschikking en wordt belanghebbende derhalve geacht slechts inwoner te zijn van het Verenigd Koninkrijk .
4.19.
Indien anders wordt geoordeeld in die zin dat belanghebbende in 2018 ook in duurzaam een tehuis in Nederland ter beschikking stond, heeft het volgende te gelden. Alsdan dient de vraag te worden beantwoord met welke Staat de persoonlijke en economische betrekkingen van belanghebbende het nauwst zijn (waar het middelpunt van belanghebbendes levensbelangen lig)
.Belanghebbende voert aan dat hij in 2018 een sterke sociale en economische band had met het Verenigd Koninkrijk . Hij werkte en woonde in 2018 al langer (vanaf 2016) in het Verenigd Koninkrijk , had het gehele jaar 2018 een relatie (met [naam 1] ) en woonde vanaf mei 2018 samen (met [naam 1] ). Verder had hij een sociaal leven opgebouwd in het Verenigd Koninkrijk , in eerste instantie uit mensen die ook werkzaam waren bij [bedrijf 1] , maar daarnaast heeft hij ook nieuwe mensen heeft leren kennen en vriendschappen voor het leven heeft gesloten. Hij sportte (hardlopen langs de rivier) en ging regelmatig buiten de deur eten of drinken.
De inspecteur brengt hier tegenin dat belanghebbendes familie (ouders en broer) in 2018 in Nederland woonde als gevolg waarvan belanghebbende met Nederland een sterke sociale band had, en dat belanghebbende ook in Nederland beschikte over een sociaal netwerk.
4.20.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn persoonlijke en economische betrekkingen (het middelpunt van zijn levensbelangen) in 2018 het nauwst zijn met het Verenigd Koninkrijk . Zwaarwegend acht het Hof daarbij de omstandigheid dat belanghebbende in 2018 in het Verenigd Koninkrijk een vriendin had met wie hij samenwoonde en een vriendenkring waarmee hij activiteiten ondernam. In het Verenigd Koninkrijk deed hij voorts, blijkens pinbetalingen, regelmatig boodschappen en ging hij regelmatig uit eten. Ook speelde zijn werkende leven zich met name in het Verenigd Koninkrijk af; hij was daar gestationeerd, huurde daar woonruimte en verrichtte zijn werkzaamheden vanuit het Verenigd Koninkrijk . Ook heeft hij in het Verenigd Koninkrijk een bankrekening geopend, betaalde daarvan bedragen o.a. voor huur en met het wonen samenhangende kosten (gas, water en electra).
Weliswaar had belanghebbende ook in Nederland persoonlijke en economische betrekkingen. Zo had hij ook in Nederland sociale contacten, woonden zijn ouders en broer hier, verbleef hij een aanzienlijk aantal dagen in Nederland (waar hij ook bij zijn ouders overnachtte), beschikte hij een deel van het jaar over een auto met Nederlands kenteken en had hij Nederlandse verzekeringen. De betrekkingen in Nederland wegen echter, afgezet tegen de betrekkingen met het Verenigd Koninkrijk , minder zwaar. Het middelpunt van belanghebbendes leven, op zowel persoonlijk als economisch gebied, bevond zich in het Verenigd Koninkrijk .
4.21.
De conclusie luidt dat belanghebbende op grond van de tie-breaker van het Verdrag voor de toepassing daarvan geacht wordt in 2018 uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk te wonen, aangezien belanghebbende in 2018 in het Verenigd Koninkrijk een duurzaam tehuis ter beschikking stond en zo hieromtrent anders moet worden geoordeeld zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (het middelpunt van zijn levensbelangen) met het Verenigd Koninkrijk .
Het heffingsrecht over de inkomsten uit de dienstbetrekking van belanghebbende is dan ook aan het Verenigd Koninkrijk toegewezen. Nederland is niet bevoegd om de inkomsten van belanghebbende uit zijn dienstbetrekking met [bedrijf 1] in 2018 aan de heffing van inkomstenbelasting te onderwerpen.
4.22.
De Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Malta tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen kan – anders dan de inspecteur meent – er niet toe leiden dat Nederland toch mag heffen over inkomen waarvan het heffingsrecht op grond van het Verdrag toekomt aan het Verenigd Koninkrijk .
Het hoger beroep van de inspecteur
4.23.
Het voorgaande brengt mee dat aan de in het hoger beroep van de inspecteur voorliggende vraag of en zo ja in hoeverre de aan belanghebbende uitbetaalde bedragen aan ‘Per Diems’ en ‘Cash Expenses’ zijn vrijgesteld geen beantwoording meer behoeft.
De slotsom
4.24.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende slaagt en dat van de inspecteur niet.

5.Kosten

Het Hof ziet in het bovenstaande aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.736 (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verweerschrift door belanghebbende, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof en 2 x 0,5 punt voor het geven van schriftelijke inlichtingen met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaak).

6.Beslissing

Het Hof:
⁻ vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht;
⁻ vernietigt de uitspraak op bezwaar;
⁻ vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt verminderd met de inkomsten van belanghebbende uit de dienstbetrekking met [bedrijf 1] ;
⁻ veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.736;
⁻ draagt de inspecteur op het voor het instellen van hoger beroep betaalde griffierecht van € 136 aan belanghebbende te vergoeden; en
⁻ gelast de griffier van de inspecteur een griffierecht te heffen van € 548.
De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en
M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op