Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
4 maart 2025 verdaagd, in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in de zaak met nr. 22/03914.
2.Feiten
€ 36.100
€ 21.160
(12 maanden contract) waarbij belanghebbende en [naam 1] (hierna [naam 1] ) als huurders van [straat 1] te [plaats 1] zijn aangeduid voor de periode 18 mei 2018 tot 18 mei 2019.
4. Toepassing van het wettelijk kader op de situatie van [X]
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het hoger beroep van beide partijen
mr. [naam 3] met de aanhef “Kostenvergoedingen en per diems” (hierna: het Memorandum) ingebracht. Bij dit Memorandum is een bijlage I “overzicht van de kosten op werkdagen” ingebracht waarbij onder meer - niet eerder overlegde - bonnen en kostendeclaraties (“employee expenses”) zijn opgenomen.
Van belang zijn verder vooral de omstandigheden dat hij zich niet heeft laten uitschrijven uit de basisregistratie personen, over het jaar verdeeld (als hij niet vloog) een aanzienlijk aantal dagen in Nederland verbleef en overnachtte, geregeld contact had met vrienden en familie in Nederland, geregeld betalingen heeft gedaan in Nederland, meer dan een half jaar beschikte over een auto met Nederlands kenteken waarvoor in Nederland motorrijtuigenbelasting is voldaan en Nederlandse verzekeringen (zorgverzekering, overlijdensrisicoverzekering en een autoverzekering) had, medische keuringen, behandelingen en zorgtoeslag had, en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.De conclusie is dat belanghebbende naar de maatstaf van artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in Nederland woont. Belanghebbende is als inwoner van Nederland ingevolgde de Wet IB 2001 aan de inkomstenbelasting onderworpen.
26 september 2008, Trb. 2008, 201 (het Verdrag), definieert namelijk het inwonerschap van een Verdragsluitende Staat als volgt:
(c) P does not die in year X.
§ 25, opgenomen definitie van ‘home’ tot uitgangspunt. De inspecteur betwist in hoger beroep niet (meer) dat belanghebbende voldeed aan deze voorwaarde, omdat belanghebbende het gehele jaar een ‘home’ had in het Verenigd Koninkrijk . Ook is niet betwist door de inspecteur dat is voldaan aan de in deze tweede ‘automatic UK test’ genoemde kwalificerende verblijfsperiode (§ 8, sub-paragraph 1b en c). Het Hof ziet geen aanleiding de juistheid van dit eensgezinde standpunt te betwijfelen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9878, ro. 3.6).
18 mei 2018) huurde hij een kamer hij (met meerdere personen waaronder [naam 1] ) in een “pilotenhuis” aan de [straat 2] te [plaats 1] en daarna (vanaf 18 mei 2018 tot en met 18 mei 2019) huurde hij, samen met [naam 1] , een flat aan de [straat 1] in [plaats 1] . Met [naam 1] had hij een (liefdes)relatie welke in mei 2019 is verwaterd omdat belanghebbende toen een baan in Nederland heeft geaccepteerd en [naam 1] niet naar Nederland wilde gaan. Zijn inboedel uit Nederland had hij reeds in 2016 (toen hij vanuit Nederland verhuisde naar [gemeente 2] in het Verenigd Koninkrijk ) naar het Verenigd Koninkrijk overgebracht. In 2018 had belanghebbende naar hij betoogt geen duurzaam tehuis in Nederland tot zijn beschikking. Als hij wilde overnachten bij zijn ouders moest hij dit eerst afstemmen (hij kon niet in alle gevallen terecht en overnachtte soms in een hotel). Zijn oude kamer was door zijn vader in gebruik genomen voor de onderneming van zijn vader.
Voor de toepassing van het Verdrag heeft belanghebbende uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk een duurzaam tehuis tot zijn beschikking en wordt belanghebbende derhalve geacht slechts inwoner te zijn van het Verenigd Koninkrijk .
.Belanghebbende voert aan dat hij in 2018 een sterke sociale en economische band had met het Verenigd Koninkrijk . Hij werkte en woonde in 2018 al langer (vanaf 2016) in het Verenigd Koninkrijk , had het gehele jaar 2018 een relatie (met [naam 1] ) en woonde vanaf mei 2018 samen (met [naam 1] ). Verder had hij een sociaal leven opgebouwd in het Verenigd Koninkrijk , in eerste instantie uit mensen die ook werkzaam waren bij [bedrijf 1] , maar daarnaast heeft hij ook nieuwe mensen heeft leren kennen en vriendschappen voor het leven heeft gesloten. Hij sportte (hardlopen langs de rivier) en ging regelmatig buiten de deur eten of drinken.
5.Kosten
6.Beslissing
M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.