Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Overwegingen van de rechtbank
5.Beoordeling van het geschil
nietals gebruikelijke behandeling in het entrepot hadden kunnen plaatsvinden.
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende beschikte over een vergunning voor behandeling onder douanetoezicht met een maximum van 10.000 metric ton gedurende de looptijd van de vergunning van 1 september 2011 tot 31 augustus 2014. De inspecteur stelde vast dat belanghebbende deze hoeveelheid aanzienlijk had overschreden, wat leidde tot een douaneschuld en een uitnodiging tot betaling (utb).
Belanghebbende voerde aan dat de vermelde hoeveelheid in de vergunning een minimum of maandelijkse hoeveelheid zou betreffen, en dat de douaneautoriteiten een vergissing hadden gemaakt door niet duidelijk te vermelden dat het om een maximum ging. Het Hof oordeelde dat de vergunning duidelijk een maximumhoeveelheid vermeldt en dat het aan belanghebbende was om bezwaar te maken of een aanvullende vergunning aan te vragen indien meer goederen onder toezicht geplaatst zouden worden.
De stellingen van belanghebbende dat de overschrijding binnen het douane-entrepot had plaatsgevonden of dat de navordering disproportioneel was, werden verworpen. Het Hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de utb terecht was uitgereikt en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navordering van douanerechten bevestigd.