Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:695

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
23/1144 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 PWArt. 16 PWArt. 35 PWArt. 36 PWArt. 36b PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuizing, medische kosten en brillen wegens ontbreken noodzakelijkheid

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor verhuiskosten, inrichtingskosten, woonkosten en medische kosten, en hoger beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor de aanschaf van brillen.

De Raad oordeelt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was. Er was geen zodanig slechte relatie met de verhuurder, geen bewijs dat de huurverhoging niet betaald kon worden, en de nieuwe huur was zelfs hoger. Ook was de woning niet ongeschikt vanwege medische beperkingen. Voor medische kosten geldt dat de Zorgverzekeringswet als passende en toereikende voorliggende voorziening wordt beschouwd.

Het beroep op zeer dringende redenen faalt omdat er geen acute noodsituatie is aangetoond. Voor de brillen is niet voldaan aan de beleidsregels die een wijziging van de sterkte van minimaal +1 of -1 binnen drie jaar vereisen. De Raad bevestigt de eerdere besluiten en laat de afwijzingen in stand.

Uitkomst: De aanvragen om bijzondere bijstand voor verhuizing, medische kosten en brillen worden afgewezen wegens het ontbreken van noodzakelijkheid en passende voorliggende voorzieningen.

Uitspraak

23/1144 PW, 23/2867 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren van 20 februari 2023 en op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 september 2023, 23/1768
Partijen:
[appellant 1] en de erven van [appellant 2] , (laatstelijk gewoond hebbende) te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren (college)
Datum uitspraak: 26 mei 2026

SAMENVATTING

Dit beroep en hoger beroep gaat over de afwijzing van twee aanvragen om bijzondere bijstand. In de zaak 23/1144 PW gaat het om bijzondere bijstand voor verhuiskosten, inrichtingskosten, woonkosten en medische kosten. Voor zover het de verhuiskosten, inrichtingskosten en woonkosten betreft is in geschil of sprake is van een noodzakelijke verhuizing. Voor zover het de medische kosten betreft is in geschil of de Zorgverzekeringswet (Zvw) moet wordt beschouwd als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Ook hebben appellanten een beroep gedaan op zeer dringende redenen. In de zaak 23/2867 PW gaat het om bijzondere bijstand voor de kosten van de aanschaf van een bril. In geschil is of het college toepassing had moeten geven aan de beleidsregels. Appellanten krijgen in beide zaken geen gelijk. Het college heeft de aanvragen terecht afgewezen. De afwijzingen van de aanvragen blijven in stand.

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen een besluit van het college van 20 februari 2023 (bestreden besluit 1) ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2022. [1] Dit betreft zaak 23/1144 PW.
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 1 september 2023 (aangevallen uitspraak). Dit betreft zaak 23/2867 PW.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken gezamenlijk behandeld op een zitting van 14 april 2026. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. d'Accorso.

OVERWEGINGEN

Inleiding

Zaak 23/1144 PW
1. Voor een uitgebreide weergave van de in deze zaak van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 oktober 2022. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 10 oktober 2022 geoordeeld dat het college ten onrechte de aanvraag om bijzondere bijstand van appellanten van 25 september 2017 buiten behandeling heeft gesteld. De Raad heeft het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen en alsnog inhoudelijk op de aanvraag van 25 september 2017 te beslissen. Daarbij gaat het om een aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuiskosten, inrichtingskosten, woonkosten en medische kosten.
Bestreden besluit 1
2. Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak van 10 oktober 2022 bestreden besluit 1 genomen en de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing van de bijzondere bijstand voor verhuiskosten, inrichtingskosten en woonkosten heeft het college ten grondslag gelegd dat deze niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen, omdat er ten tijde van belang geen objectieve noodzaak bestond om te verhuizen. Aan de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor medische kosten heeft het college ten grondslag gelegd dat de Zvw wordt beschouwd als een passende en toereikende voorliggende voorziening.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met bestreden besluit 1 niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.
Zaak 23/2867 PW
4. Bij de beoordeling van het hoger beroep in deze zaak zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
4.1.
Op 29 augustus 2022 hebben appellanten bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de aanschaf van twee brillen, te weten een gewone bril en een zonnebril.
4.2.
Met een besluit van 29 september 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 februari 2023 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan de afwijzing voor zover het de gewone bril betreft ten grondslag gelegd dat de kosten zich niet voordoen. Het ging namelijk om een actie waarbij de tweede bril gratis was en alleen de duurste bril, in dit geval de zonnebril, betaald hoefde te worden. Aan de afwijzing voor zover het de zonnebril betreft heeft het college ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat de kosten noodzakelijk zijn. Verder heeft het college nog uiteengezet dat de Zvw in beginsel als passende en toereikende voorliggende voorziening moet worden beschouwd en niet is gebleken dat is voldaan aan de voorwaarden in de Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2019 (beleidsregels) om in aanmerking te komen voor vergoeding van de kosten van een bril.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 2 in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
6. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

7. De Raad beoordeelt of 1) het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuiskosten, inrichtingskosten, woonkosten en medische kosten terecht heeft afgewezen (23/1144 PW), en 2) de rechtbank terecht bestreden besluit 2 over de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van twee brillen in stand heeft gelaten (23/2867 PW) aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep en het hoger beroep niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het beroep en het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Zaak 23/1144 PW
Bijzondere bijstand voor verhuiskosten, inrichtingskosten en woonkosten
7.1.
Volgens appellanten was de verhuizing wel noodzakelijk. Hiervoor hebben zij drie redenen aangevoerd: 1) de relatie met de verhuurder was erg slecht, 2) appellanten konden de toekomstige kosten van de hogere huur niet betalen en 3) de oude woning was niet meer geschikt voor hen vanwege hun medische beperkingen. Deze grond slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.
7.1.1.
Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [2]
7.1.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte moet worden beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
7.1.3.
Appellanten zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de verhuizing noodzakelijk was. Niet is gebleken dat de relatie met de verhuurder zodanig slecht was dat appellanten als gevolg daarvan moesten verhuizen. Dat er tussen appellanten en de verhuurder een geschil bestond over het betalen van de jaarlijkse huurverhoging is daartoe niet voldoende. Dat appellanten de huurverhoging niet konden betalen is evenmin gebleken. Bovendien was ten tijde van de aanvraag de huurverhoging nog geen feit. Ook was de huur van de nieuwe woning waarnaar appellanten gingen verhuizen hoger. De hoogte van de huur noodzaakte dus niet tot verhuizing. Dat de woning vanwege de medische beperkingen van appellanten niet meer geschikt was, hebben appellanten tot slot op geen enkele wijze onderbouwd.
Bijzondere bijstand voor medische kosten
7.2.
Zoals ter zitting is besproken, willen appellanten graag beoordeeld hebben of het college – in het licht van de huidige rechtspraak – de aanvraag mocht afwijzen op de grond dat de Zvw een passende en toereikende voorliggende voorziening is. Geoordeeld wordt dat dit het geval is. Daarbij is het volgende van belang.
7.2.1.
Het recht op bijstand strekt zich niet uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Dit staat in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW. Gelet op deze bepaling heeft de PW geen functie indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van vergoeding van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Hieraan ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de PW er niet toe strekt om bewuste keuzes van de wetgever materieel ongedaan te maken. Zou ondanks de keuze van de wetgever bepaalde kosten slechts gedeeltelijk te vergoeden niettemin bijstand worden verleend, dan zou het functioneren van een voorliggende voorziening worden doorkruist. [3]
7.2.2.
Voor de hier aan de orde zijnde kosten, zijnde de kosten van de eigen bijdrage voor psychologische behandelingen van appellant, betekent wat in 7.2.1 is overwogen het volgende. Niet in geschil is dat de hier aan de orde zijnde kosten onder de reikwijdte van de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering vallen. Daarmee is de Zvw een voorliggende voorziening. Als het gaat om medische zorg die niet behoort tot de zorg die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komt, kan er in beginsel van worden uitgegaan dat in de Zvw de bewuste keus is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is. Dit is vaste rechtspraak. [4] Dat appellanten als gevolg van die keuze niet al hun kosten vergoed krijgen, maakt niet dat geen sprake is van een passende en toereikende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de PW. [5] In een recente uitspraak van 31 maart 2026 heeft de Raad dit ook wat betreft de eigen bijdrage die geldt bij sommige op grond van de Zvw verleende zorg nogmaals bevestigd. [6]
Zeer dringende redenen
7.3.
Volgens appellanten is in hun geval sprake van bijzondere feiten en omstandigheden die toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand rechtvaardigen. De medische problemen van appellant zijn ernstig en hebben al geleid tot, dan wel kunnen leiden tot een levensbedreigende situatie dan wel acuut levensgevaar. De Raad leest deze grond als een beroep op ‘zeer dringende redenen’ als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7.3.1.
Voor zover het de bijzondere bijstand voor verhuiskosten, inrichtingskosten en woonkosten betreft, wordt overwogen dat het geval van appellanten niet tot de gevallen behoren die op grond van de artikelen 13 tot en met 15 van de PW zijn uitgesloten van het recht op bijzondere bijstand. De aanvraag van appellanten voor deze kosten is namelijk niet afgewezen op grond van een van deze artikelen, maar omdat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 35, eerste lid, van de PW. Artikel 16, eerste lid, van de PW is daarom niet van toepassing. Dit betekent dat in het kader van deze kosten aan de beoordeling of er zeer dringende redenen zijn niet kan worden toegekomen.
7.3.2.
Voor zover het de bijzondere bijstand voor medische kosten betreft ligt dit anders. De aanvraag voor deze kosten is wel op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW afgewezen. Het college kan aan een persoon die op grond van dit artikel geen recht op bijstand heeft, op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. [7] Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [8]
7.3.3.
Appellanten doen met hun beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op de uitzondering op de hoofdregel van artikel 15, eerste lid, van de PW. Daarom moeten appellanten aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak. [9]
7.3.4.
Appellanten zijn niet in hun bewijslast geslaagd. Hoewel de medische problematiek en geschiedenis van appellant niet in geschil is, was deze problematiek al lang aanwezig ten tijde van de aanvraag en dus niet het gevolg van het afwijzen daarvan. Niet gebleken is dat het niet-verlenen van bijzondere bijstand voor appellant tot ernstige medische gevolgen leidt. Desgevraagd kon appellant hierop ter zitting ook geen nadere toelichting geven.
Zaak 23/2867 PW
7.4.
Zoals ter zitting is besproken, is nu alleen nog in geschil of het college toepassing had moeten geven aan het ten tijde hier van belang geldende artikel 19 van Pro de beleidsregels. In het eerste lid van dit artikel was bepaald dat voor de kosten van aanschaf van een bril (montuur en/of glazen) of contactlezen in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend. Ook staat bij dit uitgangspunt in het eerste lid vermeld dat voor een bril maximaal één keer per drie jaar een vergoeding vanuit een aanvullende zorgverzekering mogelijk is. Volgens het tweede lid van dit artikel kan hiervan echter worden afgeweken als een wijziging van de sterkte van de ogen van minimaal +1 of -1 binnen drie jaar vanaf datum aanschaf eerdere bril heeft plaatsgevonden en een noodzakelijke vervanging van de gehele bril of lenzen als vergoeding vanuit de zorgverzekeraar niet mogelijk is vanwege de in het eerste lid genoemde periode van drie jaar.
7.5.
Volgens het college is het beleid in dit geval niet van toepassing, onder meer omdat niet is gebleken dat sprake is van een wijziging van de sterkte van de ogen van minimaal +1 of -1 binnen drie jaar vanaf datum aanschaf eerdere bril.
7.6.
Appellanten hebben aangevoerd dat de kosten wel voor vergoeding in aanmerking komen op grond van de beleidsregels. Deze beroepsgrond slaagt niet, nu niet is gebleken dat is voldaan aan de voorwaarden in artikel 19 van Pro de beleidsregels. Appellanten hebben in de bezwaarfase verklaard dat het ongeveer drie tot vier jaar geleden is dat de vorige bril is aangeschaft. Ook zijn er geen stukken waaruit blijkt of, en zo ja, in hoeverre er verschil in sterkte van de brillenglazen tussen de eerdere en de onderhavige aanschaf was. Niet is dus gebleken dat sprake is van een mate van wijziging van de sterkte van de ogen zoals en binnen de periode als in het beleid omschreven. Desgevraagd kon appellant ter zitting hier ook geen duidelijkheid over geven.

Conclusie en gevolgen

7.7.
Het beroep en hoger beroep slagen dus niet. Dit betekent dat de afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand in stand blijven.
8. Omdat het beroep en hoger beroep niet slagen krijgen appellanten geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 20 februari 2023 ongegrond;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) S. Ploum

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 15, eerste lid
Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Artikel 16, eerste lid
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 35, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Beleidsregels bijzondere bijstand Gooise Meren 2019
Artikel 19
1. Voor de kosten van aanschaf van een bril (montuur en/of glazen) of contactlezen wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend. Voor een bril is maximaal één keer per drie jaar een vergoeding vanuit een aanvullende zorgverzekering mogelijk voor de goedkoopst adequate voorziening.
2. In afwijking van het eerste lid wordt bijzondere bijstand verstrekt wanneer sprake is van
• een wijziging van de sterkte van de ogen van minimaal +1 of -1 binnen drie jaar vanaf datum aanschaf eerdere bril en/of lenzen.
• een noodzakelijke vervanging van de gehele bril of lenzen als een vergoeding vanuit de zorgverzekeraar niet mogelijk is vanwege de genoemde periode als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.
3.Zie de uitspraak van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2313.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2313.
5.Vergelijk de uitspraken van 7 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:96, van 5 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:548 en van 12 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1759.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.
9.Zie de uitspraak van 27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192.