Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:414

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/2712 JW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:58 AwbArtikel 10 Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2023Artikel 11 Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2023Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen besluit jeugdhulp: onvoldoende uren toegekend, tarief juist

Appellant, een minderjarige met autisme en vermoedelijke ontwikkelingsachterstand, kreeg door het college een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor 25 uur jeugdhulp per week van 1 september 2023 tot 29 februari 2024. Het college vond plaatsing op een kinderdagcentrum (KDC) passend, maar appellant stelde dat dit niet passend was vanwege onvoldoende toezicht en groepsgerichte therapie. Medische adviezen wezen op noodzaak van 1-op-1 begeleiding.

De rechtbank handhaafde het besluit, maar appellant ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college erkende dat onvoldoende jeugdhulp was verleend in de periode en dat latere medische informatie meegewogen mocht worden. Het college liet het standpunt los dat KDC passend was en erkende dat 32 uur per week begeleiding via pgb passend is.

Het tarief van €18,11 per uur voor het pgb, gebaseerd op het sociaal netwerk, werd door de Raad als juist beoordeeld. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van 4 december 2023, kende 32 uur per week jeugdhulp toe tegen het genoemde tarief en veroordeelde het college in de kosten van appellant.

Uitkomst: De Raad kent appellant 32 uur per week jeugdhulp toe via pgb tegen een tarief van €18,11 en vernietigt het eerdere besluit.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2712 JW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 november 2024, 24/1984 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 9 april 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of het college aan appellant voldoende jeugdhulp heeft toegekend en daarbij een juist tarief heeft gehanteerd. De Raad komt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven omdat het college ter zitting heeft erkend dat over de thans in geding zijnde periode onvoldoende jeugdhulp is verleend. De later bekend geworden (medische) informatie kan wel meegewogen worden. Het gehanteerde tarief is wel juist.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 januari 2026. Appellant is niet verschenen. Het college is door middel van videobellen verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Smith en L. Alma.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 2018, is bekend met een Autisme Spectrum Stoornis en een vermoeden van een globale ontwikkelingsachterstand. Namens appellant hebben zijn ouders een aanvraag gedaan voor een voorziening op grond van de Jeugdwet (Jw). Bij besluit van 4 december 2023, heeft het college aan appellant jeugdhulp toegekend, bestaande uit individuele begeleiding voor 25 uur per week over de periode van 1 september 2023 tot en met 29 februari 2024. De voorziening wordt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt naar het tarief voor het sociaal netwerk van € 18,11 per uur. Volgens de SKJgeregistreerde consulenten van het college is plaatsing van appellant op een kinderdagcentrum (KDC) de beste oplossing omdat de ouders geen professioneel hulpverlener zijn. Het pgb is louter toegekend uit coulance en ter overbrugging naar de plaatsing op een KDC.
1.2.
Appellant heeft zich, na een bezoek aan het KDC, op het standpunt gesteld dat een KDC niet passend is onder meer omdat er te weinig toezicht is, te veel kinderen per begeleider zijn en louter groepstherapie wordt aangeboden. Appellant heeft een brief van 12 februari 2024 overgelegd waarin de kinderfysiotherapeut schrijft dat duidelijk 1 op 1 begeleiding nodig is. Het is voor nu niet mogelijk om groepstherapie of een vorm van school te starten. Appellant is impulsief en ziet geen gevaar, voor hemzelf niet en voor anderen niet. Op een groep met kinderen zoals appellant is het ongepast om met maar een paar begeleiders te staan, aldus de fysiotherapeut.
1.3.
Bij besluit van 28 maart 2024 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft – kort samengevat – geoordeeld dat niet is gebleken dat te weinig uren jeugdhulp zijn toegekend. Het gehanteerde tarief voor het pgb is niet te laag.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het pgb is met het bestreden besluit voor een te korte periode toegekend. Ten onrechte is het college ervan uitgegaan dat het KDC passend is. Bovendien zijn te weinig uren toegekend tegen een te laag tarief.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over het toekennen van jeugdhulp van 25 uur per week gedurende de periode van l september 2023 tot en met 29 februari 2024 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit geen stand houden. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van de toegekende jeugdhulp
4.1.
Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat de omvang van de toegekende jeugdhulp niet juist is, besluiten toegestuurd van 18 juni 2024, 31 juli 2024 en 28 maart 2025. In deze besluiten heeft het college appellant vanaf 1 maart 2024 jeugdhulp toegekend in de vorm van individuele begeleiding naar een omvang van 32 uur per week tot en met 28 februari 2026.Volgens appellant blijkt uit nader onderzoek dat het college heeft verricht dat appellant het beste door zijn ouders kan worden begeleid en dat ook voor de periode van 1 september 2023 tot en met 29 februari 2024 die urenomvang dient te worden toegekend. Individuele begeleiding in deze omvang is ook daadwerkelijk verleend door de ouders in deze periode.
4.2.
Ter zitting heeft het college toegelicht dat in het kader van de aanvraag van 28 februari 2024 en naar aanleiding van de nieuwe informatie van de kinderfysiotherapeut, de kinderneuroloog en de logopedist het regionaal expertteam jeugd Groningen is geraadpleegd. Op grond daarvan is het KDC als passende jeugdhulp losgelaten en zijn meer uren jeugdhulp in de vorm van een pgb toegekend. Het college heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat het – met het besluit van 28 maart 2025 – verlaten van het standpunt dat een KDC passende jeugdhulp is en het toekennen van een pgb voor meer uren per week niet relevant is voor de periode in geding omdat het gewijzigde standpunt is gebaseerd op nieuwe, later bekend geworden, informatie. Ter zitting heeft de Raad toegelicht dat er geen algemene regel is aan te wijzen die in de weg staat aan het meewegen van (medische) informatie die dateert van na een primair besluit en dus ook nadien wordt toegezonden en bekend wordt aan een bestuursorgaan. Tot in hoger beroep kan bewijs, uitzonderingen daargelaten, worden ingediend. Uitzonderingen kunnen zijn gelegen in de goede procesorde en wettelijke [1] of jurisprudentiële beperkingen. Een voorwaarde om van invloed te kunnen zijn op eerdere besluitvorming is wel dat die informatie ziet op de periode die daar in geding is. [2] Het college heeft zich daarna op het standpunt gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat de later bekend geworden (medische) gegevens niet ook zien op de periode in geding. Ter zitting heeft het college daarom zijn standpunt over de omvang van de toegekende jeugdhulp over de periode van 1 september 2023 tot en met 29 februari 2024 niet langer gehandhaafd. Het college volgt appellant in zijn standpunt dat over die periode 32 uur per week jeugdhulp had moeten worden toegekend in de vorm van een pgb voor individuele begeleiding.
Tarief
4.3.
Het gaat in deze zaak om jeugdhulp verleend door het sociaal netwerk, te weten door beide ouders. Appellant heeft aangevoerd dat het in artikel 11 van Pro de Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2023 (de Verordening) bepaalde informele tarief van € 18,11 per uur voor begeleiding te laag is vastgesteld gelet op de uitspraken van de Raad van 16 augustus 2023. [3] Deze beroepsgrond slaagt niet. In zijn uitspraak van 30 september 2025 [4] heeft de Raad in een uitspraak op grond van de Jeugdwet geoordeeld dat, anders dan is vermeld in de uitspraken van 16 augustus 2023, een bepaling in de Verordening, waarin als pgb-tarief voor het sociaal netwerk het minimumloon is vermeld, niet reeds daarom onverbindend is.
4.4.
De gemeente Groningen hanteert als pgb-tarief voor deze jeugdhulp een uurloon van € 18,11. [5] Appellant wil jeugdhulp inkopen bij zijn ouders. Het is niet gesteld en ook niet gebleken dat betrokkene met dit pgb-tarief niet in staat is om deze jeugdhulp in te kopen. Niet valt daarom in te zien dat een uurloon van € 18,11 voor hem niet toereikend is.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Wat is overwogen in 4.1 betekent dat het hoger beroep slaagt voor wat betreft de omvang van de toegekende jeugdhulp. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.
4.6.
Aansluitend moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. Nu uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt voor zover het college het tarief voor het toegekende pgb heeft bepaald op € 18,11 per uur, ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien over de periode van 1 september 2023 tot en met 29 februari 2024. De Raad zal het besluit van 4 december 2023 herroepen en aan appellant over de periode van l september 2023 tot en met 29 februari 2024 een voorziening voor jeugdhulp, bestaande uit individuele begeleiding, toekennen voor 32 uur per week, in de vorm van een pgb, tegen een uurtarief van € 18,11.
5. Gezien de uitkomst van het hoger beroep bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten bestaan uit verleende rechtsbijstand en worden begroot op € 4.134,-: 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting (€ 666,- per punt), 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en 1 punt voor het hoger beroepschrift (€ 934,- per punt). Appellant krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 maart 2024;
  • herroept het besluit van 4 december 2023 en bepaalt dat aan appellant jeugdhulp wordt toegekend met een omvang van 32 uur per week over de periode van 1 september 2023 tot en met 29 februari 2024 in de vorm van een pgb met een uurtarief van € 18,11;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 28 maart 2024;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.134,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 189,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en H.J. de Mooij en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

(getekend) E.E.V. Lenos

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Verordening jeugdhulp gemeente Groningen 2023
Artikel 10. Onderscheid formele en informele hulp
(…).
2. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, dan is er altijd sprake van informele hulp.
(…).
Artikel 11. Hoogte pgb
1. De tarieven voor een pgb zijn bepaald voor de volgende categorieën jeugdhulp:
a. begeleiding individueel/gezin;
(…).
6. De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van dienstbetrekking ten minste gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.
7. Het informele tarief bedraagt voor:
a. begeleiding: € 18,11 (uur);
b. verblijf/logeren: € 18,11 (etmaal);
c. vervoer: € 2,70 (retour).
(…).
9. Als uit het gesprek en het ondersteuningsplan blijkt, dat het pgb-tarief niet toereikend is, kan het college hiervan afwijken tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura.
(…).

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld art. 4:6 en Pro art. 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5.Artikel 11, zevende lid, aanhef en onder a, van de Verordening.