Appellante was medewerkster sorteer/overslag en meldde zich in 2008 ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe, later omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling in 2014 stelde het UWV dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en stopte de uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij leed aan een ernstige depressieve episode, onderbouwd met een expertise van psychiater Huisman.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen aanleiding gaf tot twijfel over de rapporten van de verzekeringsartsen. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat de rapportage van Huisman, die een ernstige depressie op de datum in geding vaststelt, zorgvuldig en consistent is. Het UWV kon dit niet voldoende weerleggen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en beveelt het UWV een nieuwe beslissing te nemen waarbij rekening wordt gehouden met de ernst van de depressie op de datum in geding. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand en expertise.